01/04/2004
🖋: 

Whenever I find myself growing grim about the mouth;
whenever it is a damp, drizzly November in my soul;
whenever I find myself involuntarily pausing before coffin
warehouses, and bringing up the
rear of every funeral I meet; and
especially whenever my hypos get
such an upper hand of me, that it
requires a strong moral principle
to prevent me from deliberately
stepping into the street, and
methodically knocking people’s
hats off – then, I account it high
time to get to sea as soon as I can.

 

 

H. Melville, Moby Dick, 1851



UA-studenten ontwikkelen baanbrekende website
01/04/2004
🖋: 

Twee UA-studenten uit de eerste licentie informatica werkten mee aan het eerste wetenschappelijk onderbouwde woordenboek Vlaamse Gebarentaal. Voor taalkundigen van de UGent en de VUB ontwikkelden ze een databank en een website die daaraan gekoppeld is. De gevolgen voor de Vlaamse dovengemeenschap zullen niet te onderschatten zijn. Maar ook de internationale gemeenschap kan een graantje meepikken.

De Vlaamse Gebarentaal (VGT) gaat in haar huidige vorm al zo’n tweehonderd jaar mee. Ze werd in het begin van de negentiende eeuw sterk beïnvloed door de Franse Gebarentaal. De toenmalige opgang van gebarentalen in West-Europa valt grotendeels toe te schrijven aan het oprichten van doveninternaten. Doven uit de ganse provincie werden uit hun sociaal isolement gehaald, en leerden op school andere doven kennen. Even belangrijk is dat ze daarmee ook een gebarentaal leerden, waardoor er voor hen eindelijk volwaardige communicatie mogelijk was.

 

1880

Het meest gruwelijke jaar voor de internationale dovengemeenschap is 1880. Op dat moment ging er in Milaan een congres door over de aanpak van het dovenonderwijs in de beschaafde wereld. Doven hadden er echter geen stemrecht, en op enkele Amerikaanse en Britse tegenstemmen na werd er besloten dat gebarentalen een minderwaardig hulpmiddel waren. Het gebruik van gebarentalen in het onderwijs werd dan ook verboden. De “orale methode”, die zich uitsluitend focust op liplezen en het leren spreken, had overwonnen.
De gevolgen van 1880 laten zich nog steeds voelen. De enige dovenuniversiteit ter wereld, Gallaudet University in Washington DC, staat niet toevallig in de Verenigde Staten, die tegen de resoluties stemden. Vlaanderen daarentegen is de shock nog niet helemaal te boven. Slechts op één van de zeven Vlaamse dovenscholen wordt tegenwoordig het gebruik van VGT aangemoedigd in de lessen aan dove kinderen. In de andere dovenscholen is het gebruik van VGT door leerkrachten zo goed als onbestaande of zelfs verboden. Vlaanderen telt trouwens maar twee dove leerkrachten. Alle andere leerkrachten in dovenscholen zijn horenden, die in vele gevallen ook geen kaas gegeten hebben van VGT.

 

Symbooldossier

Langzaamaan komen de Europese Doven terug in beweging. In de meeste landen wordt er bijvoorbeeld gestreden voor de erkenning van de nationale gebarentaal als echte taal. In sommige landen, zoals Finland, Zweden, Portugal en het Verenigd Koninkrijk, is dat reeds het geval. Eind vorig jaar erkende ook het Waalse Gewest de Franstalig-Belgische Gebarentaal (LSBF). De concrete gevolgen van zo’n erkenning voor onderwijs en werkgelegenheid zijn nog niet altijd duidelijk. Maar voor vele Doven is zo’n erkenning ook een symbooldossier, waarmee maatschappelijk definitief komaf wordt gemaakt met het gelijkstellen van een gebarentaal aan een minderwaardig hulpmiddel. In Vlaanderen hebben de meeste Vlaamse politieke partijen in deze verkiezingsperiode expliciet hun steun gegeven aan de erkenning van VGT.

 

Woordenboek VGT

Twee taalkundigen, prof. dr. Mieke Van Herreweghe van de UGent en dr. Myriam Vermeerbergen van de VUB, voeren al vele jaren als enigen in Vlaanderen onderzoek uit naar de woordenschat en grammatica van VGT. Een belangrijk deel van hun project is het uitwerken van een vertalend woordenboek Nederlands–Vlaamse Gebarentaal. De wijze waarop hun groep echter de resultaten verwerkte, was op z’n minst archaïsch te noemen.

 

Toen twee studenten informatica van de UA dit vernamen, zijn ze op het onderwerp gesprongen. In kader van hun cursus “practicum programmeren”, werkten Steven Aerts en Bart Braem een moderne databank uit. Daarin schuilen Vlaamse gebaren, hun Nederlandse vertaling, de streek waarin ze gebruikt worden, en ook filmpjes van de gebaren. Deze databank werd dan gekoppeld aan een publieke website die voor iedereen toegankelijk is. Steven en Bart werkten bij de ontwikkeling ook intensief samen met twee Gentse onderzoekers: Kristof De Weerdt (een Dove gebarentaalgebruiker) en Katrien Van Mulders.

 

SignWriting

Voor het weergeven van gebaren wordt gebruik gemaakt van SignWriting. Dit notatiesysteem werd ontwikkeld door de Amerikaanse choreografe Valerie Sutton, die oorspronkelijk een manier zocht om haar dansen neer te schrijven. Uit het zo ontstane DanceWriting groeide al heel snel SignWriting.

 

Steven en Bart maakten van deze SignWriting gebruik om een baanbrekende optie toe te voegen aan het digitale woordenboek. Het is nu niet alleen mogelijk om van een Nederlands woord de vertaling in VGT op te zoeken, maar ook andersom. Zo kan je handvormen en eventuele contactpunten ingeven, en de website geeft je een lijst met alle mogelijke Vlaamse gebaren die hieraan voldoen. Met deze optie is dit een volwaardig vertaalwoordenboek VGT-NL en NL-VGT geworden. Eind mei trokken Steven en Bart zelfs naar een workshop van het vierde “International Conference on Language Resources and Evaluation” in Lissabon om hun project voor te stellen. Wat brengt de toekomst? Er is een positieve beweging bezig. Jaar na jaar volgen er steeds meer horenden de cursussen VGT van Fevlado, de Federatie van Vlaamse Dovenorganisaties. De meeste Vlaamse partijen willen actief werk maken van een erkenning van de Vlaamse Gebarentaal als taal in Vlaanderen. Binnen afzienbare tijd zouden er getolkte programma’s kunnen komen op de VRT. Het digitale woordenboek zal nog veel meer mensen dan vroeger in contact kunnen brengen met de Vlaamse Gebarentaal.

 

Terzijde

  • Het woordenboek Vlaamse Gebarentaal kan men vinden op http://gebaren.ugent.be
  • De Vlaamse Gebarentaal (VGT) stamt voor een groot deel af van de Franse Gebarentaal (LSF). Maar ook de Nederlandse Gebarentaal (NGT) en de Amerikaanse Gebarentaal (ASL) werden zeer sterk beïnvloed door LSF.
  • In Vlaanderen gebruiken zo’n zesduizend Doven VGT als moedertaal of als eerste taal. Dit komt neer op één per duizend Vlamingen. Zo zou men het aantal gebarentaalgebruikers aan de UA op tien kunnen schatten. In gans Vlaanderen studeren er echter maar een vijftal dove gebarentaalgebruikers aan een universiteit.
  • Lessen VGT (twee uur per week) kan u in de grote Vlaamse steden volgen bij Fevlado. Meer informatie hierover is te vinden op www.fevlado.be Deze cursussen zijn trouwens ook opgenomen in de doctoraatsopleiding van de UA.
  • Wat is het verschil tussen doven en Doven? In Amerikaans onderzoek in de jaren tachtig, dook voor het eerst dit verschil op. ‘Doof’ ben je als je je identificeert met de dovengemeenschap en er volwaardig lid van bent en wil zijn. Al even belangrijk is dat je een vlotte gebarentaalgebruiker bent. Alle Doven zijn dus wel doof, maar niet alle doven Doof.


de nieuwe masteropleiding ‘Filmstudies en Beeldcultuur’
01/03/2004
🖋: 
Auteur extern
Frederik Braem

Het jaar 2003 zal in de geschiedenis van de Universiteit Antwerpen voorgoed geboekstaafd staan als het Jaar van de Grote Veranderingen: UFSIA, UIA en RUCA gingen op in de grote UA. Maar naast deze ene mijlpaal in de Antwerpse geschiedenis werd er op een zonnige dinsdag in oktober ook nog, bij een glas goede wijn of dito sinaasappelsap, een gloednieuwe masteropleiding, met de welluidende naam ‘Filmstudies en Beeldcultuur,’ boven de doopvont gehouden.

De genomineerde

Reeds bij de openingsspeech van coördinator prof. Luc Pauwels bleek dat in de opleiding de lat behoorlijk hoog gelegd zou worden. Het zou dus zonder meer een niet te onderschatten richting worden, waarin men zich niet zou beperken tot het bekijken van films om achteraf plechtig te declareren dat men hem ‘aan iedereen kan aanraden’ waarna men moede het hoofd ter tafel gooit om te gaan dagdromen over de tijd dat Hollywooddiva’s die naam nog waardig waren... Neen, de bedoeling van deze unieke opleiding is eerder studenten een confrontatie te bieden met het grote en roemrijke medium ‘film’, gekoppeld aan een niet te onderschatten deel ‘beeldcultuur’. Stromingen, invalshoeken, technieken en methodes, alles wordt behandeld en, waar kan, getoetst aan de realiteit; hetzij door middel van opdrachten, hetzij door middel van filmbeelden.

 

Want ja, de opleiding bevat een niet te onderschatten hoeveelheid beeldmateriaal. Zo hebben wij, de studenten, het privilege gehad om enkele vrij unieke films in hun originele pelliculevorm te bekijken, zoals ‘Het Kabinet van Dr. Caligari’ van Robert Wiene of ‘Intolerance’ van D.W. Griffith, om het bizarre ‘Un Chien Andalou’ van Luis Buñuel niet te vergeten... En dit is nog maar een kleine greep uit een groot aanbod, want op regelmatige tijdstippen tijdens het eerste semester kregen de studenten een filmvoorstelling voorgeschoteld in het Filmmuseum – een minimum aan jaloezie van uwentwege is hier wel gepast – waarna die films gebruikt werden als extra illustratiemateriaal bij de vakken.

 

Er is een nijpend tekort aan organisatie en financiële middelen.

 

De lessen zelf worden gedoceerd op de Stadscampus en in het Filmmuseum, waarbij die eerste locatie vooral de herinnering aan lokaal R.014 oproept, de aula waar de luxe van zitkussentjes gecompenseerd wordt door het schrijnend tekort aan beenruimte.

Colleges vinden enkel plaats op dinsdag, woensdag en donderdag om de mensen die de richting deeltijds volgen (een tiental personen) zoveel mogelijk de mogelijkheid te bieden hun werk met hun studies te combineren, wat pleit voor het open karakter van de richting. Want het is een feit dat mensen van allerlei allooi zich op deze nieuwe studie hebben geworpen.

Het totaal van om en bij de zeventig studenten bestaat uit dokters, ingenieurs, germanisten, vertalers, communicatiewetenschappers en dies meer. Het feit dat deze groep zo heterogeen is zorgt er tevens voor dat de docenten verplicht zijn de basis van het medium zo breed mogelijk te leggen, d.i. te beginnen bij het absolute nulpunt: “Wat is film?” Zonder meer een goede zaak.

 

Het verdict van de jury

Na een half jaar masteropleiding kan ik nu met de hand op het hart zeggen dat deze richting een erg interessante basis legt voor al wie een passie heeft voor film. De lesgevers zijn goed gekozen, en ook al ontbreekt het sommige jonge docenten aan podiumervaring, ze trekken zich door hun uitgebreide vakkennis aardig uit de slag. Het enige nadeel is het soms nijpende tekort aan organisatie en financiële middelen. Vaak, te vaak, is een dvd-speler als didactisch materiaal een ware luxe en na een half jaar exclusieve filmvoorstellingen op pellicule – u herinnert zich uw jaloezie van enkele paragrafen geleden nog wel – is ook hiervoor de geldbron opgedroogd. Erg jammer, maar niet getreurd. De studenten hebben nu zelf het initiatief genomen om, dvd-gewijs, eigen screenings te organiseren. Kortom, een grote gemotiveerde groep docenten en studenten tesaam, die ondanks enkele kleine en minder kleine kinderziekten binnen de opleiding, blijven proberen er het beste van te maken.



geen 'laissez-passer'-mentaliteit meer
01/03/2004

Patrick Janssens behoeft nauwelijks introductie. Van opleiding socioloog (UA) maakte hij een tussenstop in de wereld van de marketing alvorens in de politiek te belanden. Als partijvoorzitter vond hij voor Sp.a de tweede adem, als Antwerps burgemeester bracht hij kalmte na de visa-storm. Een gesprek.

Rector Oosterlinck (KULeuven) liet onlangs doorschemeren dat er in Vlaanderen slechts plaats is voor twee universiteiten (Leuven en Gent), en trok zo onrechtstreeks de bestaansredenen van de UA in twijfel.

Patrick Janssens Oosterlinck heeft ongetwijfeld zijn verdienste aan het kwaliteitsniveau dat de KULeuven momenteel – ook internationaal – bereikt. Dat betekent echter niet dat men voorbij kan gaan aan de verwezenlijkingen van andere Vlaamse universiteiten. Het klopt dat Vlaanderen te klein is voor drie universiteiten die het volledige spectrum van studierichtingen aanbieden. Het zou niet verstandig zijn moest de UA dergelijke ambities hebben. De UA moet zich specialiseren in een aantal domeinen waarin ze uitblinkt en sterker is dan Leuven of Gent. Zo heeft de UA zeker het potentieel om de beste business school van Vlaanderen te hebben. Ook het Centrum voor Sociaal Beleid van de UA, onder leiding van professor Bea Cantillon, staat op academisch niveau aan de top. Buiten de universitaire wereld heeft Antwerpen op artistiek vlak een enorm potentieel. Denken we maar aan de mode- en architectuuropleidingen, waar het de hogescholen zijn die een voortrekkersrol spelen.

 

Nachtbussen

Op welke manier wil het stadsbestuur bijdragen aan de werking van de Antwerpse Associatie van universiteit en hogescholen?

Janssens De kwaliteit van het onderwijs is van cruciaal belang voor de verdere ontwikkeling van Antwerpen omwille van de erg gemengde bevolking van de stad en de evolutie van onze samenleving naar een kennismaatschappij. Daarom willen we in de eerste plaats een impuls geven aan de onderwijskunde. Dat moet kunnen door de combinatie van de bestaande lerarenopleidingen en de nieuwe faculteit Onderwijskunde van de UA.

 

In de praktijk is Antwerpen niet altijd even studentvriendelijk. Denken we maar aan de slechte busverbindingen met Wilrijk, het ontbreken van nachtbussen, het tekort aan parkeergelegenheid in de binnenstad en het gebrek aan fuifzalen.

Janssens Robert Voorhamme (schepen van onderwijs, nvdr.) bespreekt deze problemen zeswekelijks met een aantal studenten. Over de nachtbussen wordt onderhandeld met De Lijn en ook wat de fuifzalen betreft, boeken we vooruitgang. Dit jaar worden nog 3 nieuwe locaties voor jongeren geopend: het muziekcentrum Hof ter Loo, een fuifzaal in Berchem en een jeugcentrum in Wilrijk. Dat is toch al een stap in de goede richting.

 

Zullen er ooit nog TD’s georganiseerd kunnen worden in de stadsfeestzaal?

Janssens Neen. Er komt een winkelcentrum met een multifunctioneel binnenplein. Op dat binnenplein zal plaats zijn voor allerlei evenementen zoals de Zomer van Antwerpen, maar voor fuiven is het zeker geen aangewezen locatie.

 

Heeft de stad op die plaats wel behoefte aan een winkelcentrum?

Janssens Zeker. Ondanks de dreiging van het Wijnegem Shopping Center is Antwerpen een echte winkelstad. Niet alleen voor de mainstream kopers, maar ook voor wie op zoek is naar trendy winkels. Denk maar aan de Schuttershofstraat..Door te investeren in een aantrekkelijk winkelcentrum wordt dit karakter nog versterkt.

 

Als men al in het centrum geraakt. De verkeershinder door de werken aan de Ring, de Singel en de Leien lijkt enorm te worden. En dan hebben we het nog niet over de economische schade.

Janssens Uiteraard kosten deze werken erg veel geld. Zowel rechtstreeks, qua investeringen, als onrechtstreeks, door files en slechte bereikbaarheid van bepaalde stadsdelen. Dat is natuurlijk gemakkelijk voer voor criticasters, maar als er één ding is dat nóg meer zou kosten, dan is het die werken niet uitvoeren. De Ring is de laatste 25 jaar nauwelijks ernstig onderhouden. Daar komt nu nog de kost van de sluiting van de Oosterweelverbinding bovenop. De Leien zijn totaal verouderd, denken we maar aan de veiligheid van fietsers en voetgangers. De complete heraanleg is nu even doorslikken, maar op langere termijn zal er ongetwijfeld een sterke economische dynamiek van uitgaan.

 

Waarom heeft het zo lang geduurd alvorens de plannen voor de werken echt bespreekbaar werden?

Janssens We hebben momenteel een erg goede minister van Openbare Werken (Dirk Van Mechelen, nvdr.). Vooral de combinatie Van Mechelen-Stevaert heeft voor een enorme doorbraak gezorgd.

 

En het Antwerps stadsbestuur?

Janssens Eerlijk gezegd vind ik dat het stadsbestuur een te volgzame rol heeft gespeeld. We hebben ons tijdens de concrete planning en uitwerking niet genoeg als regisseur opgesteld. Bij de heraanleg van de Scheldekaaien – een van onze toekomstplannen – willen we deze fout niet meer maken.

 

Is het niet schrijnend dat een voor de stad zo belangrijk project als de heraanleg van de Leien niet in optimale omstandigheden van start is gegaan?

Janssens Dat is zeker schrijnend. Hetresultaat zal goed zijn, maar het had voor de stad nog beter gekund. De belangen van de Antwerpenaren zijn niet dezelfde als deze van de rest van Vlaanderen. Ze zijn daarom niet tegengesteld, maar een buitenstaander die Antwerpen enkel bekijkt als een knooppunt van mobiliteit ervaart de problematiek anders dan iemand die hier woont en werkt. De ambitie van het nieuwe bestuur is om de teugels steviger in handen te nemen. Voor een aantal grote wegen moet het geld wel van de Vlaamse overheid komen, dus een deel van de afhankelijkheid zal altijd blijven bestaan.

 

Weegt Antwerpen als belangrijkste Vlaamse stad niet te weinig op de nationale politiek?

Janssens Er zijn veel mensen die kritiek hebben op Marc Van Peel – die in de Senaat zetelt – en op Ludo Van Campenhout en mezelf omdat we in de Kamer zetelen. Door te cumuleren zouden we zogezegd te weinig tijd hebben om ons met het bestuur van de stad bezig te houden. Ik ben van het tegendeel overtuigd. We moeten als stadsbestuur juist zo veel mogelijk trachten te wegen in Brussel. De contacten van mezelf en Van Peel als oud-partijvoorzitters en het gewicht van Van Campenhout binnen de VLD kunnen daar zeker toe bijdragen. De gemiddelde Antwerpenaar is er zich misschien niet van bewust, maar de stad is in de nationale politiek dringend aan herstel toe. Anders lopen we het risico in de toekomst niet meer au sérieux genomen te worden.

 

Stadsuitzicht

Op dat vlak kan u natuurlijk steunen op uw marketingachtergrond.

Janssens Dat is zeker juist. Als je in de reclame wil aantonen dat een wasproduct goed werkt, moet je witte was laten zien. Dat betekent niet dat er geen vuile was is, maar die moet je gewoon wassen. De fout die Antwerpen te vaak gemaakt heeft, is ministers uit te nodigen om te komen kijken naar de problemen van de stad. Natuurlijk willen die mensen niet met problemen geassocieerd worden. Ze willen met positieve verwezenlijkingen in het nieuws komen. Wanneer vandaag een belangrijk project tot stand komt, nodigen we een minister uit en zetten die op een podium. Dat schept een beter beeld van Antwerpen in Brussel.

 

We hebben het gevoel dat er in Antwerpen twee tegengestelde stromingen aan het werk zijn, waarbij de ene eerder conservatief is en de nadruk legt op historische en culturele aspecten, en de andere vooral de stad als economische draaischijf wil uitbouwen. Zoekt u hier een middenweg?

Janssens Middenweg vind ik een verkeerd woord, omdat het de indruk wekt dat je een compromis moet sluiten ten koste van het ene of het andere. Voor een stad met de historiek van Antwerpen impliceert dit steeds een foute keuze. Bovendien bestaat er niet noodzakelijk een tegenstelling tussen het bewaren van het verleden en het vormgeven van de toekomst. Om aan de toekomst te kunnen bouwen moet je respect hebben voor waar je vandaan komt. Net als een mens heeft een stad een soort van genetische code die bepaalt wat binnen haar mogelijkheden ligt. Bij Antwerpen is dat onder meer de expansie van de haven, waar ik een groot voorstander van ben. Deze gaat helemaal niet ten koste van het historisch karakter van de stad.

 

Wat dan met bijvoorbeeld kantoorruimtes in het stadscentrum?

Janssens We mogen niet – zoals in het verleden wel gebeurd is – de fout maken het stadsuitzicht met een ‘laissez passer’-mentaliteit te laten evolueren. Zo zijn er een paar historische fouten gemaakt die ik wil herstellen. Denk maar aan winkelcentrum De Bijenkorf (Oudaan) en het Hof van Beroep (Waalse Kaai). Die krijg ik waarschijnlijk nog wel weg. Als het van mij alleen afhangt, verdwijnen ook de twee torens in het stadscentrum.

 

Bent u kandidaat bij de komende verkiezingen?

Janssens Dat ligt nog niet vast. Ik moet een afweging maken tussen het partijbelang en de mate waarin het stadsbestuur wil wegen in Brussel enerzijds, en de stabiliteit van het Antwerpse college anderzijds. Wanneer verschillende leden van het college concurreren bij de Vlaamse verkiezingen kan dit een verzurend effect hebben. Daarom zie ik ook op tegen de komende verkiezingsperiode.

 

Dewinter

Neemt u het ambt ook op als u verkozen wordt?

Janssens Zeker. Dan cumuleer ik het burgemeesterschap met een zetel in het Vlaams parlement. Daar kan ik immers wegen op belangrijke gemeentedossiers.

 

Wat zijn uw persoonlijke ambities op langere termijn?

Janssens In eerste instantie wil ik voldoende lang burgemeester van Antwerpen blijven om een verschil te kunnen maken. Dat is dus zeker tot na de volgende gemeenteraadsverkiezingen. Voor iemand met mijn achtergrond is het niet evident om in de politiek een job te vinden die interessanter is dan deze. Het valt dus te betwijfelen of ik na het burgemeesterschap nog een politieke post in Brussel zal ambiëren.

 

Het Vlaams Blok wint verkiezing na verkiezing stemmen, in de eerste plaats in Antwerpen. Hoelang nog vooraleer het Blok het bestuur van de stad overneemt?

Janssens Het zal – om verschillende redenen – niet evident zijn om de opmars van het Vlaams Blok te keren. De vroegere SP is hiervoor ongetwijfeld mede verantwoordelijk omdat ze een aantal wijken van de stad aan hun lot heeft overgelaten, en omdat de sterke aanwezigheid van de partij in de stedelijke overheid enorm naar cliëntelisme begon te ruiken.

 

Sp.a houdt de stemming van het gemeentedecreet tegen omdat ze het ongepast vindt deze discussie te voeren in volle verkiezingsstrijd. Speelt hier de angst voor de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester?

Janssens Wat mij betreft zeker niet. Ik ben niet bang voor Dewinter. De rechtstreekse verkiezing van de burgemeester zie ik eerder als een opportuniteit dan als een bedreiging. Ik zou heel graag bewijzen dat het Vlaams Blok ook een verkiezing kan verliezen. Met het cordon sanitaire heeft de meerderheid het Blok een al te goedkoop campagne-instrument geboden. Door de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester – in twee stemrondes weliswaar – kan de huidige situatie eindelijk doorbroken worden. In een rechtstreeks duel zie ik Dewinter geen meerderheid halen. En als blijkt dat ik me vergis, moeten de Antwerpenaren het maar doen met Dewinter. Dan hebben ze er zelf voor gekozen.

 

Komen de opnames van Mission Impossible III naar Antwerpen?

Janssens Het is nog te vroeg om daar een uitspraak over te doen. We zijn met een heleboel foto’s naar L.A. getrokken. De mensen van Paramount Pictures zullen de knoop doorhakken. De belangrijkste locaties zijn de haven, het centraal station en de handelsbeurs. Ook het economische aspect mag niet uit het oog verloren worden. Een crew van 200 à 300 mensen die tijdens een aanzienlijke periode op hotel verblijft en in de restaurants van onze stad eet, geeft een belangrijke impuls aan de Antwerpse economie. En dan hebben we het nog niet over de Amerikaanse toeristen die naar hier komen om het decor van hun lievelingsfilm in het echt te zien. Ik doe er alvast alles aan om de filmmakers te overtuigen. De Zaak Alzheimer trok zo’n 600.000 bezoekers, Mission Impossible 600.000.000. Het zou de best denkbare reclamestunt voor de stad zijn.



De historie in zwart en wit
01/03/2004
🖋: 
Auteur

Toen in 1902 de filmtent van Wilhelm Krüger op de Sinksenfoor afbrandde, ontving de brave, ongeletterde foorkramer 500 frank uit de milde hand van het Antwerps stadsbestuur: de ouverture van de bewogen, beeldrijke geschiedenis van de Antwerpse cinema’s. Krüger bleef niet bij de pakken zitten; op 29 november 1907 werd Cinema Theater Krüger op de De Keyserlei ingehuldigd. Het was de eerste echte bioscoop van ’t Stad en van het Krüger-imperium. In de volgende decennia kwamen er tal van variététheaters en cinema’s bij, zodat het in 1949 luidde dat ‘Antwerpen relatief gezien het grootste aantal bioscopen ter wereld had!’ Onze Scheldestad heeft zijn cinefiele bewoners dus wel degelijk ooit meer te bieden gehad dan twee megalomane complexen en een lieflijke kwaliteitscinema.

Reeds voor WO II telde Antwerpen meer dan veertig bioscoopzalen en -zaaltjes. De grand chique onder deze centra van het bruisende, vooroorlogse uitgaansleven bevond zich voornamelijk in de Stationsbuurt. Cinema Rex, de Scala, den Empire en den Anvers Palace, het zijn maar enkele van de trotse filmtheaters rond de De Keyserlei, waar het doek voor en na de vertoning achter zware gordijnen schuilging, dimmende lichten het wonder van de gebroeders Lumière aankondigden en woekerprijzen tot 2 frank 50 centiem de gewone kost waren.

 

In de omgeving van deze luxueuze theaters kon men ook een aantal kleinere, daarom niet minder aangename zalen vinden zoals ‘t Kursaal, den Astra en Studio 48. Wanneer een film een aantal weken de beschilderde plakkaten boven de ingang van de grootste zalen gesierd had, verscheen hij hier op de affiches. Begon de prent ook in deze iets minder prestigieuze theaters afgedraaid te worden, belandde ze in de wijkcinema’s. Daar was weliswaar geen sprake meer van pluchen zetels, kroonluchters of ijsbonbons, maar des te meer van betaalbare kaartjes.

 

De grotere zalen deden al op het middaguur het licht uit, waarna ze tot middernacht doorlopend vertoningen gaven. Bezoekers liepen naar believen binnen en buiten. Wachten op de bus werd zo een aangenaam tijdverdrijf. Alvorens de sterren van het witte doek hun opwachting maakten, werd het weekjournaal uitgezonden, gevolgd door een voorfilm. In de ietwat volkse zalen werden Popeye, Woody Woodpecker en Mieke Muis steevast op gejuich onthaald.

 

Ei vetzak, houde poete thoas!

 

Ook tijdens de film was ambiance in deze zalen verzekerd. De piano mocht in de dertiger jaren dan al wel onder het stof in de hoek beland zijn, de begeleiding in de zaal werd er niet minder op: baby’s lesten smakkend hun dorst aan moeders borst en jengelende kleuters vroegen onophoudelijk naar het wie of waarom. In de meest beruchte zaaltjes, zoals de Peter Benoit – ‘t Peterke in de volksmond – was er haast meer te horen dan te zien. “Ei vetzak, houde poete thoas!” werd er gevolgd door het kraken van een houten klapstoeltje en wat gestommel, waarna één of andere ridderlijke ziel de vetzak in kwestie een oplawaai gaf. Meer dan eens draaide dit uit op een kleine bioscoopslag.

 

In 1940 brak een iets grotere oorlog uit. Duitsers en Oostenrijkers liepen niet alleen ons vlakke land onder de voet, ze bezetten ook het witte doek. Films over beroemde voorvaderen van het Arische ras, zoals Wolfgang Amadeus Mozart en Richard Wagner, overspoelden onze havenstad en moesten zowel inhoudelijk als technisch het meesterschap van de overheerser demonstreren. Zarah Leander, Ilse Werner, Marika Rökk, Heinrich George en Hans Moser schitterden in zwart-wit.

 

Bij de bevrijding brachten de Amerikanen op hun beurt melkpoeder, eierpoeder en Gary Cooper mee. In Technicolor welteverstaan. De filmindustrie verdiende haast even veel aan de ingekleurde verheerlijking van het oorlogje spelen als de wapenindustrie aan de echte bommen en granaten. Buffalo Bill was echter nog maar net uit Hollywood komen aandraven, toen Werner von Braun hem neerlegde. 567 toeschouwers vonden op 16 december 1944 de dood toen een V-bom cinema Rex platlegde, en tegelijk ook het filmvertier in Antwerpen. De filmzalen bleven gesloten tot het einde van de oorlog.

 

De cinema’s kwamen de klap nooit helemaal te boven en kwijnden langzaam maar zeker weg. De Strangers konden nog wel zingen: “in den tâd van rock and roll, zat de kaark en de cinema vol”, maar met de doorbraak van den televieze liepen de zalen leeg. Eind jaren ’80 leek The End van het Antwerpse filmleven gekomen. De Rex, de Metro en den Astrid hoorden bij de laatste zalen waar het witte doek viel. Slechts een paar kleinere bioscopen overleefden: zaaltjes waar sinds mensenheugenis enkel blote borsten en jarretelles geprogrammeerd werden. Er was maar één echte cinema die zich van de sloophamer wist te redden; de Cartoon’s viert dit jaar dan ook trots zijn zilveren jubileum. Zijn twee jonge blockbuster-broers bewijzen dat de Antwerpenaar opnieuw popcorn en ijspralines bij de film weet te smaken. Dat mag hem zelfs een stevige duit kosten. Maar de ziel van de vroegere Antwerpse cinema, die vind je enkel nog terug in de annalen van het Filmmuseum



01/03/2004
🖋: 
Auteur extern
Krista Claesen

Het Filmmuseum verhuist. De oude, tot de verbeelding van de retrofilmliefhebber sprekende zaal aan de Meir, wordt ingeruild voor twee nagelnieuwe en erg modern ogende filmzalen in het FotoMuseum aan de Waalsekaai 47. Het museum herbergt net als op de oude locatie een documentatiecentrum en bouwt evenementen op aan de hand van maandelijkse thema’s die ook aan een ruimer publiek de kans moeten geven om zich te bekwamen in de hedendaagse film- en beeldcultuur. Verder worden er in samenwerking met verscheidene organisaties en groeperingen inspanningen gedaan om de onbekendere hedendaagse film te promoten.

De maandelijkse thema’s worden met zorg uitgekozen; dikwijls wordt de actualiteit gevolgd. Zo was er in september 2003 een ode aan Katharine Hepburn, die in juli van dat jaar overleed, en in november stonden uiteraard de Kennedy-jaren centraal. Andere maanden wordt er gekozen voor een bepaalde regisseur of voor een land met een lange, doch niet zo gekende traditie op filmgebied. Als thema voor maart worden de beginjaren van Stanley Kubrick opgevoerd. Kubrick draaide in zijn dagen als jonge filmer documentaires als The Flying Padre en Day of the Fight, een reality-soap avant-la-lettre. De vader van de artificiële intelligentie in de film had een voorliefde voor de donkere kantjes van de mens, voor seks, drugs en klassieke rock’n roll, en dat is ook in zijn eerste langspeelfilms te merken. Killer’s Kiss en The Killing zijn twee film noirs waarin geweld de hoofdrol speelt; het anti-oorlogsdrama Paths of Glory is dan weer tegen geweld in oorlogen. Nog in maart – wel pas vanaf 20 maart, want door de verhuis ligt alles stil, of liever wordt alles verplaatst – zorgt filmpionier Georges Méliès voor het aanbod stomme films uit de oude doos, die live zullen worden begeleid door een pianist of een ensemble. Ook nieuwe Chinese films komen aan bod in deze buiige maand. Of dat martial-arts hoogstandjes dan wel zen-geïnspireerde films zijn die yin en yang zullen samenbrengen, is nog niet geweten.

 

Tot zover het filmaanbod want het Filmmuseum is meer dan enkel een cinema. Zoals de naam en de inleiding van deze tekst reeds lieten vermoeden, is het ook een documentatiecentrum. In de SineBase bibliotheek kan je een collectie raadplegen van boeken, tijdschriften en knipselmappen over alles wat met beeldcultuur te maken heeft, nationaal en internationaal. Iedereen kan – mits een kleine vergoeding – op zoek naar informatie over film, video en televisie. De belangrijkste naslagwerken staan in de leeszaal, alle andere informatie moet op voorhand worden opgevraagd, ontlenen kan niet. Wilt u dus graag weten wie Herbie, Boomer of Starbuck zijn, SineBase zal het u onthullen.

 

Wilt u dus graag weten wie Herbie, Boomer of Starbuck zijn, SineBase zal het u onthullen.

 

Het Filmmuseum wil zijn publiek een overzicht geven van de hele filmgeschiedenis, niet enkel door het filmaanbod zo uiteenlopend mogelijk te houden, maar ook door duiding in de vorm van lezingen en publicatie’s. Leken kunnen zich bekwamen in de film- en beeldcultuur door in te gaan op het ruime aanbod aan cursussen en workshops, die bedoeld zijn voor jong en oud. Het FotoMuseum start na de verhuis van het Filmmuseum met een nieuw project, MuHKACinema. Het zal een brug slaan tussen het MuHKA en het Filmmuseum door de relatie tussen hedendaagse (of klassieke) film en hedendaagse kunst te onderzoeken. Het programma, dat de speciaal daarvoor gereserveerde tweede zaal aan de Waalsekaai volledig zal innemen, wordt in maart bekend gemaakt.

 

Als student betaal je voor een filmticket slechts 4 euro en het FotoMuseumCafé voorziet in drank en een hapje. Komt de cinefiel in je naar boven, laat hem dan los in het Filmmuseum.



01/03/2004
🖋: 
Auteur extern
Veronique Jooris

Wie eens gezellig in een bioscoopzetel onderuit wil zakken, komt met UGC, Metropolis en Cartoon’s ruimschoots aan zijn trekken. Een student moet zijn centjes uiteraard goed besteden, vandaar een kleine exploratietocht doorheen de duistere zalen van Antwerpen.

Natuurlijk is niet alleen het prijskaartje, maar ook – en vooral – het filmaanbod bepalend voor de cinema-keuze. Terwijl Metropolis voor 90% Hollywood-films draait, die zich met een zakje popcorn uitstekend laten weghappen, mengt UGC tussen zijn zeemzoete crowdpleasers en routineus ingeblikte actiethrillers een handvol alternatieve producties van niet-Hollywoodiaanse bodem. Voor commercie-allergische cinefielen die er niets voor voelen mechanisch in een krakende zak te graaien, is er ten slotte Cartoon’s. Met zijn klapzetels, authentieke loketje en antipopcorn beleid wil deze charmante cinemadwerg zich onderscheiden van zijn reuzenbroeders. Geen cola en gepofte mais deze keer, maar een gezonde biologische hap en een kopje Max Havelaar in het filmcafé.

 

De vraag blijft echter wat zo’n cinema-avondje nu kost? Net vóór een langspeelfilm, na het genot van een royale beker cola of ter ontlading van emoties losgeweekt tijdens de film is een wc vaak meer dan welkom. In UGC en Metropolis tel je voor een vlucht in het kleine kamertje niet minder dan 0,30 euro neer. Reken daarbij een ticketje tegen studententarief en een medium popcorn menu, dan kost je tripje naar Metropolis al gauw 11,60 tot 11,80 euro. UGC doet niet onder; voor 11,90 euro heb je als student een filmpje gezien (5,60 euro), één keer de toiletten opgezocht en jezelf een equivalente beker cola (2,30 euro) en zakje popcorn (3,70 euro) aangeschaft. Laat je evenwel niet verleiden door het duivelse lekkers aan dropjes en zuurtjes in het snoepkraam. Zelfs de kleinste grabbel zal je zuur opbreken. Ben je een zuinige student of eentje met chronisch geldgebrek, dan is Cartoon’s eerder jouw place to be. Je hoeft je geld niet aan kostelijke gezoete en gezouten versnaperingen te besteden en vanwege het ontbreken van een wc-madam kan je gratis de toiletten induiken; die zijn, in tegenstelling tot sommige exemplaren in UGC, op de koop toe nog eens lekker fris en proper. Anders ligt het met de vloer in Metropolis. Zijn excellente kleefkwaliteit is deels te danken aan de ingenieuze bekerhouders, die in het duister wel eens dreigen zoek te raken. Qua deurcomfort en cinemapubliek doet UGC het beslist beter dan Metropolis; het stevige duwtje-trek is hier overbodig en na jezelf besluiteloos tegen het vitrineglas te hebben gedrukt, hoef je geen uitgelaten meute Hollanders en polderboeren te trotseren. Ben je ten slotte nog op zoek naar een esthetische ervaring, begeef je dan richting UGC’s sterrentunnel. Eerder zin in een stukje kitsch, rijd dan naar Metropolis en richt je op het tegenoverliggende Esso-tankstation voor een nostalgische blik op Elvis’ roze Cadillac.

 

Vanwege het ontbreken van een wc-madam kan je gratis de toiletten induiken.

 

Wil je komaf maken met je vrijgezellenbestaan? Trek dan je stoute schoenen aan en maak je vlam warm voor een traditionele cinema-date. Kies voor melige romantiek, zet je strategisch op de achterste rij, deel een zakje nacho’s en leg op het gepaste moment je hand op zijn of haar dij. Ben je niet te vinden voor die popcorn-cultuur, gooi het dan over een alternatieve boeg. Verleid je vlam tot een filmavondje in Cartoon’s, waar je het weliswaar zonder dat zakje nacho’s moet doen. Wat je filmplannen ook mogen zijn, vergeet vooral niet je studentenkaart boven te halen. Je hoeft je daarvoor niet te generen. Een bioscoopavondje kost geld en je moet je lief achteraf toch nog minstens op een colaatje kunnen trakteren.



01/03/2004
🖋: 

Een beetje weggedoken in de Kaasstraat, in de schaduw van de kathedraal en het stadhuis en aan de oevers van de Schelde, ligt Cartoon’s, één van de 5 arthouse bioscopen die Vlaanderen “rijk” is. De oudste en kleinste cinema in Antwerpen bestaat precies 25 jaar. Het is een trotse cinema. Hij overleefde een faillissement en de opkomst van de bioscoopcomplexen, maar wil nog altijd alleen de betere film tonen.

Het is een goed jaar, zegt algemeen directeur Werner Lanneau. Hij nam in 2002 het roer over van Eric Kloeck, die bijna 24 jaar lang zaakvoerder was. “Cartoon’s gaat erop vooruit: we zullen dit jaar de kaap van 80.000 toeschouwers halen, dat betekent zo’n 15% meer dan vorig jaar.” Zij komen naar de bioscoop voor de gezellige intieme sfeer en natuurlijk vooral voor het alternatieve aanbod aan films. Er worden namelijk geen grote Amerikaanse megaproducties maar kwalitatief hoogstaande films gedraaid. Het gaat voornamelijk om Europese en niet-Westerse films. “Wij tonen de filmpareltjes die in de multiplexen geen kans krijgen”, klinkt het als mission statement.

 

Toch was het 25 jaar geleden gemakkelijker om volle zalen te trekken. In 1978 werd Cartoon’s opgericht door Eric Kloeck in een privé-club rond een hockeyploeg. “Aanvankelijk draaiden we enkel klassiekers zoals Last tango in Paris, werk van Hitchcock en The godfather. “Dat het allemaal in besloten kring begon, is helemaal niet vreemd”, meent Lanneau, “er waren veel minder ontspanningsmogelijkheden, video en dvd bestonden toen nog niet.” Tot in de jaren negentig bleven populaire klassiekers vlot volk trekken. Cartoon’s bracht films die nergens anders een platform kregen en dat leverde voor het publiek enkele prachtige ontdekkingen op. “De eerste films van Almodovar, La ley del deseo bijvoorbeeld, kenden dankzij arthouse cinema’s als Cartoon’s een geweldig succes.”

 

In 1993 kende Cartoon’s zijn eerste dieptepunt. Cinema Rex sloot net als de andere overgebleven Antwerpse cinema’s de deuren en Metropolis ging buiten de stad van start. Die gebeurtenissen legden een zware druk op Cartoon’s: de lat voor arthouse moest lager, de filmdistributeurs wilden hun films immers ook graag in de binnenstad. Het zorgde voor grote successen: Il postino draaide zo 55 weken en bracht weer geld in het laatje. Toch voelde Cartoon’s zich niet goed bij de situatie. “Het is niet omdat een film in het buitenland gemaakt wordt, dat hij ook voor kwaliteit staat en past in een arthouse cinema,” maakt Lanneau duidelijk. Pas met de komst van Gaumont (1997) brak opnieuw een aangenamere periode aan; Cartoon’s kon zich weer toeleggen op arthouse en kwaliteit. In 1997 gaf Kloeck Cartoon’s over aan de Kladaradatsch-groep, op voorwaarde dat hij de programmering bleef doen. Door wanbeleid en zware concurrentie van ketens als Kinepolis, ging Kladaradatsch-Cartoon’s in 2000 failliet. Anderhalve maand later opende het echter opnieuw de deuren, na een snelle overname door distributeur ABC (Amsterdam Brussel Cinemadistributie). De zalen werden vernieuwd en de zitjes comfortabeler, maar de filmkeuze bleef gelijk.

 

Enkel in Vlaanderen kan arthouse cinema niet genieten van subsidies.

 

Volgens Lanneau is er zeker toekomst voor arthouse: “de omzet van arthouse cinema steeg dit jaar met 17%, terwijl de multiplexen er op achteruit gingen. Dat heeft deels ook te maken met de warme zomer van 2003. De megabioscopen trekken een publiek tussen de 16 en 19 jaar, die willen bij warm weer van de zon genieten en laten de cinema dan links liggen. Ons publiek wil gewoon een goede film zien en laat zich niet beïnvloeden door het weer.” Een verrassend positieve evolutie voor arthouse cinema blijkt het succes van de dvd te zijn. De betere film is nu op dvd verkrijgbaar; zo kunnen ontzaglijk veel mensen “ons soort cinema” leren kennen en appreciëren. Het is o.a. de reden waarom de eerste generatie die opgegroeid is met multiplexen nu toch zijn weg vindt naar Cartoon’s.

 

Maar om arthouse cinema’s echt rendabel te houden moet er toch iets veranderen, geeft Lanneau toe. Televisie en het onderwijs kunnen daar zeker toe bijdragen. Op dit moment bestaat er in scholen nauwelijks een beeldcultuur: dat past blijkbaar niet in de eindtermen. En als er op televisie al eens een kwaliteitsfilm vertoond wordt, dan vaak op een laat uur, zodat bijna niemand nog kijkt.

 

“Om echt te kunnen opboksen tegen de grote bioscoopcomplexen zou overheidssteun goed van pas komen. In de ons omringende landen is dat trouwens al jaren het geval. Enkel in Vlaanderen kan arthouse cinema niet genieten van subsidies.” Cartoon’s is een vennootschap en geen vzw, en dus blijft steun onmogelijk. Toch krijgt bijna elke goede film een kans om zich te bewijzen, maar als hij niet meteen aanslaat wordt hij afgevoerd. “We streven ernaar om break even te draaien, “zegt Lanneau. “zolang er goede films zijn is er hoop voor arthouse.”



cultuurstrookje
01/03/2004
🖋: 
Auteur extern
tv

In het zesde studiejaar van de lagere school, brochure gemaakt naar aanleiding van de uitstap naar de koekestad. Knip- en plakwerk als voorpagina. Centraal bevindt zich het hoofddekselhoofd van Pieter Paul Rubens. Probleem: laatste concrete herinnering, op één enkele vluchtige blik naar zijn werk na, van deze Antwerpse icoon. Oplossing voor sedentaire toeristen als mezelf: Erfgoedcel Antwerpen opent de deuren van vier kerken waar Pieter Paul god is, m.a.w. alomtegenwoordig. De Carolus Borromeuskerk, de Sint-Jacobskerk, de Sint-Pauluskerk en de O.L.V. Kathedraal belichten vanaf 6 maart elk een ander facet van Rubens’ persoonlijkheid, respectievelijk project-manager, familieman, collega en Antwerps icoon. Naast dit permanente gebeuren zijn er ook tijdelijke initiatieven: een theatervoorstelling ‘Rubens metamorphosis’, een videoprojectie, een lezingenreeks ‘Rubens vandaag’, 3 wandelingen ‘Rubens op maandag’ en het ‘anniversarium concert’ op 13 juni.

 

 

Meer info op www.cultureel- erfgoed.be, of op www.rubens- online.be en bij de toeristische dienst, Grote Markt 13.



cultuurstrookje
01/03/2004
🖋: 
Auteur extern
ep

Hamer. En beitel. Gedreven. Verlangen naar het schone. Gebeiteld in de ziel, gebeiteld in hout. Perelaar. ‘Weesje.’ Verlaten, eenzaam. Vindt enkel steun in zichzelf. Blijft overeind. Zelfstandig, overleven? Levensdrang. Leven. Ze ontplooit zich uit haar stam. Geborgenheid in de gevoelig begrensde lijn. Haar levenslijn, uit hout gesneden. Jaarringen krijgen vorm, verleden en heden versmelten in hun toekomst. Verlangen en materie worden kunst. Beleefd. Doorleefd. Weesje kijkt het leven in. Een klein meisje. Eenvoudig. Groots. “Zoeken naar schoonheid, alle zintuigen gescherpt op het ontvangen van het subtiele dat achter alle tastbaarheid schuilt. Het creatief vermogen schuilt in de ruimte, de bouwstof in de aarde.”

 

 

‘Uit hout gesneden’: mmv de kunstenaars Michel Bracke, Jozef J Peters, René Smits, Frank-Ivo Van Damme en Antoon Vermeylen. Van 21 maart t.e.m. 4 april in OC De Witte Merel, Liersesteenweg 25, Lint. In de foyer tijdens de openingsuren en in het museum op zaterdag en zondag van 14.00 tot 17.00. (Citaat/Weesje: Jozef J Peters)