Campinaria - een club op instorten?

Gebouw D en Campinaria gaan door sloopplannen wellicht tegen de vlakte
27/03/2011
🖋: 

De zacht suizende bomen langs de verlaten Middelheimlaan deinen vredig mee op het ritme van de wind. Statige huizen uit een vervlogen epoque breken de langgerekte weiden omlijnd door bomenpartijen. De serene, haast sacrale sfeer geeft me de indruk dat ik in een andere wereld ben terecht gekomen. De stad met overvolle trams, ronkende bussen en toeterende taxichauffeurs lijkt als een vage herinnering van me af te vallen. Plots doemt daar een gebouw op dat nog pompeuzer oogt dan de villa's. Het is het majestueuze hoofdgebouw dat vroeger de École Coloniale Supérieure heette en nu de wat minder gracieuze naam Gebouw A draagt. Schuin achter dit flamboyante gebouw staat Gebouw D: onder meer de thuisbasis van studentenvereniging Campinaria. Het was daar dat ik had afgesproken met praeses Emiel Masyn en enkele andere leden van zijn vereniging. De reden van mijn bezoek: de ‘Campinaria-spirit’ proeven zolang deze nog te proeven is. Gebouw D wordt binnenkort immers met de grond gelijk gemaakt. Het zou kunnen dat daarmee ook de 40-jarige studentenvereniging Campinaria verdwijnt.

Een warm onthaal

Na een vriendelijke ontvangst door Emiel stappen we met een delegatie van ongeveer acht man het gebouw binnen. De lange sober betegelde vloeren contrasteren met de fel beschilderde muren, om de twee à drie meter afgewisseld door een deur. Direct schieten me scènes uit de ontelbare ‘American Pie’-films te binnen. Ieder moment zou er een Stiffler uit een deur kunnen rennen met het ondergoed van een rondborstige dame als buit in zijn vuisten. Mijn eerste indruk is een gevoel van nostalgie, alsof je na jaren je oude school bezoekt: anders, maar vertrouwd. Zo had ik jarenlang gedacht te gaan leven wanneer mijn studentenleven op volle gang was. Het is een concept dat alleen al om deze nostalgische waarde wat meer gekoesterd mag worden.

 

Een grote familie

Nog wat onwennig begeven we ons naar een van de koten. Het wordt het kot van praeses Emiel. In het kot prijkt het clubwapen van Campinaria aan de muur. Zijn kamer is compact, maar dat maakt hem helemaal niks uit. De hele gang zou mee tot zijn kot kunnen worden gerekend, daar speelt zich namelijk het studentenleven af. Dat geeft toch een geheel andere kijk op de zaken. Tijdens mijn bezoek wordt Emiel vergezeld door vier heren en een dame die graag aan mij uitleggen waar Campinaria voor staat. “Het leven hier is als een groot kot. We wandelen van deur naar deur en staan zeer nauw met elkaar in contact. Dit maakt het groepsgevoel onder de leden erg groot. Wanneer je in aparte huizen woont, zoals bijvoorbeeld op de Stadscampus, dan zie je elkaar alleen op café. Nu woon je eigenlijk constant met al je vrienden in een huis”, zo vertelt een van de eerstejaars.

 

Gezonde club, ziek gebouw

Wanneer ik vraag naar de toekomstplannen van het gebouw en daarmee indirect ook naar die van de vereniging, daalt het kwik enkele graden. Er wordt een gevoelige snaar geraakt. De praeses verklaart bondig dat hij serieus nadenkt om de vereniging op te doeken wanneer ze niet meer bij elkaar kunnen wonen. De andere leden stemmen teneergeslagen in. Praeses Emiel: “Het gebouw, althans het concept achter het gebouw, representeert de vereniging. We kunnen niet her en der wonen. We willen gewoon graag bij elkaar blijven. Dit is hoe we ons studentenleven willen leiden en niet anders.” Al sinds 1972 heeft de club een vaste schare leden. Het ene jaar wat meer, het andere wat minder, maar altijd is ze geliefd onder eerstejaars. Ongeveer 120 studenten wonen, studeren en leven er gezamenlijk bij elkaar. Het is een gezonde vereniging, geen twijfel mogelijk.

 

Het gebouw daarentegen is terminaal ziek. Wanneer we de rondleiding door het gebouw vervolgen, komen de eerste klachten al naar voren. Een derdejaars: “Het gebouw is oud en slecht onderhouden. Veel van de koten zijn matig tot slecht geïsoleerd en er heerst een gigantische muggenplaag door een onbedoeld muggenparadijs in de kelder. Hierdoor hebben we zelfs in de winter last van muggen. Daarnaast is veel klein onderhoud achterwege gelaten, zoals schilderwerk.” Veel ongemak dus, hoewel ik vermoed dat veel van de koten rond de Ossenmarkt niet in een veel betere conditie verkeren. De sporen van het verleden geven het gebouw ook haar charme. Onderweg naar de keuken lopen we langs een tafelvoetbalspel. Een derdejaars zegt dat deze tafel de bakermat is geweest van het kampioenschap van Campinaria dat enkele jaren geleden is gespeeld. Avond na avond moet er zijn gespeeld, gespannen blikken en verkrampte handen waren aan de orde van de dag. Je kunt het zilte zweet nog op je tong proeven als je er langs loopt. “Helaas heeft iemand laatst de balletjes meegenomen. We kunnen nu dus niet meer spelen, eigenlijk wel jammer”, betreurt Emiel. Op de begane grond staat een grote, logge kast volgepakt met bekers en prijzen, in de loop van de jaren verzameld door ijverige studenten die streden in naam van Campinaria. Ook dit heeft zijn verhaal: de sleutel is namelijk al een tijd zoek. Veel van de prijzen worden daarom nu maar ergens anders opgeslagen. Zo heeft elk hoek en gat in het gebouw zijn eigen verhaal, zijn eigen studentenleven.

 

De slotsom

Toch relativeert de praeses dit. “Het gebouw is inderdaad erg slecht onderhouden, ondanks een recente investering in de douches. Hoewel de historie van de club nauw verbonden is met dit gebouw, zullen we onze poot niet stijf houden wanneer we moeten verhuizen. Maar dan moet er wel een degelijk alternatief komen. We willen koste wat kost bij elkaar blijven, tegen een betaalbare huurprijs. Zoals de plannen er nu voor staan, zullen we zeker moeten opsplitsen, en zal een deel van ons in de duurdere particuliere koten moeten gaan wonen. Dat is voor ons een brug te ver. Het is goed dat de universiteit besluit om de leefomstandigheden te verbeteren, maar dan moet er ook wel worden geluisterd naar de stem van de getroffen student. Kort gezegd: verhuizen: ja, opsplitsen: nee.”