over communiceren en streaken

01/12/2016
🖋: 
Auteur

De rubriek ‘proffenprofiel’ toont professoren zoals je ze nog nooit zag: als mensen. dwars stelt de vragen die bij menig student al jaren door het hoofd spoken; wat zijn/haar docent zoal op zijn brood smeert bijvoorbeeld. Voormalig huisarts Luc Debaene, Projectcoördinator Communicatievaardigheden en Huisartsgeneeskunde, wordt deze maand bestookt met vragen.

Dokters en communicatie blijkt niet altijd de beste combinatie wanneer we kijken naar de stereotiepe dokter, een droge wetenschapper. Waaruit ontsprong bij u de interesse om specifiek binnen dit veld in het onderwijs te stappen?

Tijdens mijn opleiding heb ik een aantal felle anti-rolmodellen gehad: professoren en artsen op stage die uitsluitend bezig waren met het somatische lijf en patiënten zodanig reduceerden tot zieke organen, dat ik dacht: “Dit klopt niet, ik wil het helemaal anders doen.” Daarbij kwam dat mijn vader halverwege mijn studies stierf aan een hersenbloeding. Dat was voor mij veel meer dan het springen van een bloedvat, het was de resultante van een hele reeks processen.

 

Ik zag vele aanknopingspunten die in de klassieke geneeskunde niet echt aan bod kwamen: hij had weliswaar hypertensie en kreeg een hersenbloeding, dat was het somatische gedeelte, maar hij was een persoon met een levensverhaal, een relatie en een gezin. Toen werd mij duidelijk dat geneeskunde veel meer moet zijn dan alleen maar zieke organen proberen te begrijpen en te genezen. Het werd voor mij een zoektocht om te leren zien hoe de mens en het leven eigenlijk in elkaar zitten. Met die zoektocht ben ik nog steeds bezig. Ik vind het leven fantastisch wanneer je het met nieuwsgierigheid benadert. Maar toen ik net afgestudeerd was, besefte ik dat ik echt wel de vaardigheden miste om mensen helemaal te zien en te begrijpen, en vooral om met hen te communiceren. Ik was als kind en jongeling een nogal bedeesd ventje. Het was voor mij een geweldige uitdaging om me in communicatie te bekwamen.

 

Het slechtnieuwsgesprek is als arts een niet zo voor de hand liggende uitdaging. Kan u zich uw eerste slechtnieuwsgesprek nog herinneren?

Als student kregen we geen communicatieonderwijs en toen ik afstudeerde, bestond er nog geen specifiek HAIO-traject (Huisarts In Opleiding). Wij werden gewoon in het diepe gesmeten en moesten maar zien te zwemmen. Ik had dan ook geen training gehad in het brengen van slecht nieuws. Raar maar waar, mijn eerste slechtnieuwsgesprek was met mijn eigen moeder. In de eerste week dat ik praktijk deed, kwam ze op consult met een knobbel in de borst. Ik zei haar dat het er niet goed uitzag en dat ze dringend een aantal onderzoeken moest ondergaan. Daarna moest ik slecht nieuws brengen, ze bleek borstkanker te hebben. Dit was voor mij (en uiteraard voor haar) een heel ingrijpend gebeuren.

 

Tegenwoordig zijn er veel verschillende en flitsende specialisaties. Hoe zit het met de populariteit van het huisartsenspecialisme en hoe bent u zelf tot die keuze gekomen?

Wil iedereen wel een flitsende specialisatie? We merken dat de huisartsgeneeskunde aantrekt en dat er ook studenten met heel grote talenten en sterke cv's voor huisarts kiezen en dat maakt mij blij. Ik had als afstuderende een ruime keuze, nog maar pas kon je aan UAntwerpen dokter worden en er was plaats in elke specialisatierichting. Zo dacht ik ook aan pediatrie, psychiatrie of kinderpsychiatrie, maar door de wending van mijn leven ben ik een andere weg ingeslagen. Mijn vader was gestorven en omdat ik uit een groot gezin kom waar ik veel zorg op mij nam, wilde ik niet veel langer studeren. Nog belangrijker was het feit dat ik een heel goed rolmodel had, Hugo Janssens, de toenmalige huisartsenprofessor. Hij werd mijn mentor en heeft zo mijn keuze mee richting gegeven. Onmiddellijk na mijn afstuderen ben ik in burgerdienst gegaan bij het Centrum voor Huisartsgeneeskunde van UAntwerpen en aansluitend werd ik deeltijds zijn assistent. Hij heeft mij ongelooflijk geïnspireerd. Ik werk er nog steeds.

 

Denkt u dat het toelatingsexamen geneeskunde een goede selectie maakt qua communicerende, menselijke artsen?

Het is mijn grote bekommernis dat het toelatingsexamen zich sterk focust op de ratio en dat de meer emotionele competenties minder bevraagd worden. Jaren geleden was de selectie door vragen over de arts-patiëntcommunicatie een echte aanfluiting. Toen heb ik zelf mee op tafel geklopt, omdat die manier van bevraging helemaal niet valide en betrouwbaar was. Daardoor worden waarschijnlijk vele goede aspirant-geneeskundestudenten niet weerhouden en dat is jammer. Intussen is er al een hele weg afgelegd en is die toets beter geworden. Het blijft een moeilijke zaak om op de juiste manier te selecteren op het vlak van emotionele competenties.

 

U kon al enkele jaren geleden met pensioen gaan. Waarom heeft u besloten dit toch maar even uit te stellen?

GELD! (schaterlachend) Nee, ik werk verschrikkelijk graag. Het is mijn lust en mijn leven om studenten in hun groei tot arts te stimuleren, dat is iets ongelooflijks. Zelf heb ik geen kinderen, maar jonge mensen opleiden is voor mij een zinvol alternatief. Er gebeurt iets magisch wanneer je tijdens het lesgeven ziet dat er vanalles tot leven komt bij je studenten. Het ervaren (en stimuleren) van hun gedrevenheid om het lijden van anderen te verzachten, en van hun zoektocht naar hoe je dat doet: dat is voor mij echt existentieel leven. Dat samen doen met de veertien medewerkers van ons communicatieteam, de medewerkers van het vaardighedenteam, de huisartsenopleiders en de hele faculteit, kortom daar samen onze schouders onder zetten, dat ga ik heel hard missen na volgend jaar. Op 1 november 2017 ga ik met pensioen, dan verlaat deze oude man de campus, want dan is hij 65. Maar Wouter, mijn man, is acht jaar jonger en zal nog vele jaren moeten werken. Om dan zomaar wat in de zetel te zitten suffen, dat is niet mijn bedoeling. Ik ben van plan nadien nog her en der workshops op maat te geven aan groepen artsen en ook aan groepen patiënten.

 

Wat was als kind uw droomjob?

Ik wilde eerst architect en later taalkundige worden. Vooral Romaanse talen spraken me aan. Ik kom uit een familie van taalkundigen: papa en grootvader langs moederszijde waren professoren Taalkunde en van hen heb ik de liefde voor taal (en communicatie!) en voor het lesgeven meegekregen. Maar als dokter mensen helpen bij gezondheidsproblemen en hun gezondheid helpen bevorderen, sprak me als studie en beroep het meeste aan. Ik heb uiteindelijk mijn twee grote passies, mensen helpen en lesgeven, kunnen combineren.

 

In de lessen communicatie wordt er vaak via rollenspel gewerkt. Schuilt er een toneelspeler in u?

Niet echt. Ik heb wel eens overwogen om na mijn pensioen simulatiepatiënt te worden. Ik zou dat graag doen, maar denk dat ik dat beter niet doe: ik moet eerst een ‘ontluizingsperiode’ door. Een acteur zit niet echt in mij, wel heb ik eens meegedaan aan een playbackshow in café Zeezicht; toen was ik Tanja Dexters en dat was een leuke ervaring. Ik heb er een prijs voor gekregen. (lacht met een vleugje trots)

 

Heeft u een guilty pleasure?

Nee, ik ben een seut. (gniffelt)

 

Was de jonge Luc Debaene een feestbeest of eerder een boekenwurm?

Ik was een goede student, de eerste twee jaar een boekenwurm. Daarna ben ik in het praesidium gegaan en daar heb ik ongelooflijk veel plezier beleefd. Zo hebben wij de eerste 24-urenloop georganiseerd tussen Aesculapia en Sofia. Ik daagde toen mijn broer uit die praeses was van de rechtenvereniging. De bacheloropleiding op Campus Groenenborger was aanvankelijk een saaie boel en zulke activiteiten brachten dan zoveel tot leven, waardoor wij een heel leuke jaargroep geworden zijn. We hielden bijvoorbeeld ook regelmatig cantussen in de aula tussen de lessen in, organiseerden in de masterjaren jaarlijks een kampeerweek op Campus Drie Eiken en gingen er zwemmen in het water van de fortvijver. Aansluitend liepen wij dan in onzen blote streakend door ’t Kaf. (Dan toch een guilty pleasure gevonden!)

 

 

Hartelijk dank voor het aangename gesprek, dwars wenst u een gelukkig laatste lesjaar toe!



editoriaal

01/12/2016
🖋: 

De wereld rouwde deze maand. Leonard Cohen, een van de grootste muzikanten van zijn generatie, is overleden. De zoveelste artiest die we dit jaar moesten laten gaan. Van het betoverende Hallelujah, tot het duistere You Want It Darker, Cohen was een singer-songwriter in hart en nieren. Hallelujah, dat kan je wel zeggen van deze maand november. Of je het nu eens bent met zijn standpunten of niet, Donald Trump is president van de Verenigde Staten. Dat is een hallelujah waard, want zijn verkiezing was voor vriend en vijand een donderslag bij heldere hemel. Over de vorming van zijn kabinet ga ik het hier echter niet hebben, want dat is slechts een afleidingsmanoeuvre.

Een afleidingsmanoeuvre om ons af te leiden van de problemen die de wereld plagen. De vluchtelingenproblematiek bijvoorbeeld, wie is daar nu nog mee bezig? Toch blijven ze komen, want in Syrië en andere delen van de wereld is het nog steeds oorlog, ook al is de benoeming van de Amerikaanse staatssecretaris van ditjes en datjes schijnbaar belangrijker voor onze media. Gelukkig weten we dat onze universiteit zich duidelijk wel het lot van ontheemden aantrekt. Zij geven aan tien vluchtelingen de kans om gratis Nederlands te studeren (p. 8).

 

Misschien ben ik dan te donker, te pessimistisch. Misschien kan ik er maar beter mee proberen lachen, zoals Michael Van Peel? Maar ook hij merkt op dat mensen steeds meer muren optrekken, niet alleen fysieke muren zoals Trump die voorstelt, maar ook muren in hun hoofd (p. 4). Toch zijn er mensen die actief werken aan de afbraak van die muren. Mensen die zich inzetten voor Teach for Belgium bijvoorbeeld, een organisatie die erop gericht is onderwijsgelijkheid voor iedereen te realiseren (p. 20). Of mensen die proberen hun zieke medemens te helpen door hun haar te doneren (p. 18).

 

En dat zijn duidelijk geen afleidingsmanoeuvres, maar lichtpunten in deze donkere tijden. Because we don’t want it darker.



betweter

01/12/2016
🖋: 

Het is niet omdat je veel onnozele weetjes kent, dat je een betweter bent. Dat bewijst een van onze redacteurs elke maand door een waanzinnig interessant, ongelofelijk boeiend of verbluffend spannend feit te delen.

Zwart met witte strepen of wit met zwarte strepen? Aan filosofische dilemma’s als deze maken we deze maand geen woorden vuil. Er zijn andere vragen des levens die er wél toe doen. Waarom zebra’s er überhaupt gestreept bijlopen, bijvoorbeeld.

 

Je denkt nu misschien dat je het antwoord hierop wel weet. Dat hun zwart-witte patroon mooi blendt met de glinsterende, warme, opstijgende lucht van de savanne. Of dat de populaire outfit van dit zoogdier multifunctioneel is en ervoor zorgt dat de contouren van de drager verdwijnen in de kudde. Is het alom bekende strepenkostuum dan eigenlijk een veiligheidspakje?

 

Spijtig genoeg, voor de zebra's dan althans, niet. Ondanks de intelligente beweegredenen achter hun outfit of the day, vallen de gestreepte fashionista's nog steeds frequent ten prooi aan hongerige roofdieren. Als de leeuwen niet verward raken door de strepen, waarom zouden zebra’s dan nog steeds hun kenmerkende uitrusting uit de kast halen?

 

De oplossing zoemt nochtans rond je hoofd. Althans, als je in Afrika vertoeft. Of toch in de delen waar de tseetseevlieg haar territorium afbakent met de Trypanosoma-parasiet. Deze venijnige parasiet veroorzaakt de Nagana pest bij paarden en andere hoefachtigen, waardoor deze dieren plots de diagnose van hersenvliesontsteking meegedeeld krijgen.

 

Nochtans blijken andere hoefdieren uit dezelfde streek veel vaker het slachtoffer van de tseetseevlieg te zijn. Hebben de zebra’s dan toch een streepje voor? Het strepenpatroon blijkt inderdaad een evolutionair voordeel. En zoals we eerder al vermoedden, doet het verdraaide pakje zowaar de contouren van de zebra’s vervagen. Niet in de kudde, wél in het duister. De complexe ogen van de tseetseevlieg blijken immers in het donker een zwakke zebraplek te hebben en laat deze vlieg nu net ’s nachts actief zijn. Die pyjama van onze hoefdieren is dus noodzakelijk om de kans op een hersenvliesontsteking te verkleinen.

 

Dat dit niet zomaar een zoveelste nattevingertheorie is, bewijst de bergzebra. Vanwege zijn bergachtige woonplaats, waar de valse vlieg niet voorkomt, hoeft de zebra deze steken niet te vrezen. Daardoor kan hij witte kniekousen dragen. Van een buitenstrepenbeentje gesproken.



blijft onderwijsongelijkheid een universeel probleem?

01/12/2016
🖋: 

Wist je dat België een van de slechtste leerlingen van de klas is? Dat we op onderwijsgelijkheid zelfs slechter scoren dan pakweg Mexico? Op vijftienjarige leeftijd kun je in ons Belgenlandje immers al een leerachterstand van drie jaar hebben opgebouwd. En dat enkel op basis van je socio-economische achtergrond. Verontrustend? Zeker en vast.

Onderwijsongelijkheid, een ver-van-je-bed-show? Wij, lezers, studenten en dwarsredacteurs, hebben natuurlijk niets te klagen. Misschien hebben we wat achterstand opgelopen tijdens onze hogere studie. Niet meteen de juiste keuze gemaakt. Een jaar wat minder gestudeerd. Who cares, we zijn tenslotte allemaal op de unief geraakt en dat afstuderen komt er nog wel van.

 

De kans is dan ook groot dat wij, universiteitsstudenten, met succes onze middelbare school hebben afgerond. Dat wij uit een degelijk, welgesteld, blank nest gevlogen zijn. Wij hebben de kansen gekregen die we verdienen. Het geluk staat aan onze zijde. Of toch onze socio-economische achtergrond. Want helaas bepaalt deze nog steeds onze kansen op slagen binnen ons huidige onderwijssysteem. De socio-economische index waartoe wij behoren, hebben we te danken aan onze ouders. En dan met name aan hun diploma, hun beroep, taal en woonplaats.

 

vraagstuk

Niet iedereen heeft ons geluk. Dat weten we vast wel, en voorbeelden van deze problematiek moeten we zelfs niet ver gaan zoeken. Onderwijsongelijkheid komt ook in hoge aantallen bij ons voor. België doet het slechter dan Mexico, weet je nog? De cijfers van OESO en UNICEF liegen er niet om: ons onderwijs kan de kloof van sociale ongelijkheid niet dichten.

 

Als ons onderwijs daar niet in slaagt, hoe kunnen we er dan toch voor zorgen dat iedereen zich kan ontwikkelen met dezelfde kansen? Hoe zorgen we ervoor dat de socio-economische achtergrond van deze kinderen niet meer hun succes bepaalt? We moeten natuurlijk niet iedereen op de universiteit proberen krijgen, maar verdienen niet alle leerlingen het om met kennis van zaken hun eigen toekomst te kiezen? Een pad uit te stippelen waarbij ze niet blindelings de weg van hun (groot)ouders moeten volgen, maar waarbij ze zelf mogen kiezen om al dan niet dezelfde weg in te slaan?

 

 

oplossing

Gek genoeg ligt de oplossing voor deze problematiek toch weer in het onderwijs: leerkrachten. Eén goede leerkracht maakt al het verschil. Want we kunnen als land dan wel veel investeren in gebouwen, IT-ondersteuning en faciliteiten, onze cijfers zijn nogmaals niet bijster goed. Investeren in leerkrachten doet investeren in leerlingen. En investeren in de toekomst. De toekomst van je leerlingen, van je gemeenschap, van je maatschappij.

Met deze bedenking ging één organisatie aan de slag. Of een veertigtal, want Teach For All heeft er intussen wereldwijd heel wat zusterbewegingen bij, waaronder Teach For Belgium. Klassen, scholen, community's en landen zijn maar zo sterk als hun leiders, luidt het. En dus zoeken ze gebeten academici die hun schouders mee onder het project willen zetten. Zij geven twee jaar fulltime les in een school waar ze de grootste impact kunnen maken. Niet in de chique school in die villawijk, maar daar waar de leerlingen het gemiddeld veel minder goed doen en kansen mislopen, door die socio-economische achtergrond.

 

Het Provinciaal Instituut Sint-Godelieve, vlakbij de Rooseveltplaats, bijvoorbeeld, is één van deze scholen. “De leerlingen in deze school lijken zichzelf enorm te onderschatten. Ze zijn ervan overtuigd dat ze geen Frans kunnen leren of begrijpen”, vertelt Camille. Zij is deelneemster aan Teach For Belgium en geeft sinds september Franse les op deze middelbare school. Zelf studeerde ze Communicatiewetenschappen aan de ULB. Een studie die haar afleidde van haar interesse in het onderwijs, maar dankzij een jobbeurs en Teach For Belgium staat ze nu toch voor de klas.

 

vraagstelling

Teach For Belgium zet dus academici in het onderwijs. Hebben we daar al geen lerarenopleiding voor? “Onze beweging is geen alternatief voor de lerarenopleiding”, benadrukt Joylene Dumarey, projectmedewerker Communicatie van Teach For Belgium. “Onze deelnemers mogen dankzij hun masterdiploma al lesgeven in het secundair onderwijs, maar wij leiden ze verder op met specifieke aandacht voor de uitdagingen die de socio-economische ongelijkheid in het onderwijs met zich meebrengen.”

 

We kunnen niet alles in één keer veranderen met de zwaai van een toverstok.

 

Lesgeven is dan ook niet het hoofddoel van deze organisatie. Ze willen een alumnibeweging creëren van gedreven mensen die een eigen visie en besef hebben opgebouwd rond de problematieken in het onderwijs. “Wij zijn ervan overtuigd dat deze twee jaar in het onderwijs nodig zijn om de participanten de ins and outs van het Belgische onderwijssysteem te laten ervaren. Met deze kennis kunnen ze aan de slag om op lange termijn changes te creëren die ervoor zullen zorgen dat er meer gelijkheid in het onderwijs verwezenlijkt wordt”, verklaart Joylene.

 

Wat de deelnemers ook ondernemen na hun twee jaar durende onderwijservaring, maakt niet uit. Teach For Belgium is ervan overtuigd dat ze sowieso iets zullen betekenen voor de onderwijsgelijkheid.

 

voorbeelden

De hoop op changes is alvast niet tevergeefs. Er zijn al een aantal mooie voorbeelden van changemakers in het buitenland voor het jonge Teach For Belgium. Zo is de kabinetschef van de minister van Onderwijs in Chili een alumnus van Teach For Chili. Hij is de enige in het departement die les heeft gegeven in de sloppenwijken waardoor hij concreet weet hoe je de problemen daar kan aanpakken.

 

Uiteraard is dat een uitzonderlijk voorbeeld uit een van de vele Teach For-organisaties, maar nu er steeds meer zusterverenigingen bijkomen, neemt ook het aantal voorbeelden toe. Teach For All heeft intussen meer dan twintig jaar expertise en knowhow opgebouwd, en hoewel elk land uniek is, kunnen er vele ervaringen en ideeën uitgewisseld worden. Voorbeelden hoeven ook niet steeds heel groot te zijn, veranderingen op kleine schaal brengen ook al veel moois teweeg.

 

“Ik wil mijn leerlingen tonen dat ze zich niet mogen onderschatten. Door hen mee te slepen en hen te doen proberen, merken ze dat ze het beter kunnen dan ze denken. Het is mijn doel om hun zelfvertrouwen mee te geven in de hoop dat ze zich bewust worden van hun eigen potentieel. Als nog maar één van mijn leerlingen zo zijn eigen toekomst kan bepalen, dan heb ik de weddenschap gewonnen”, bewijst Camille.

 

uitvoering

Zin om zoals Camille een changemaker te worden? Het houdt meer in dan je denkt. Om te beginnen moet je een academische master op zak hebben. Welke master? Dat maakt niets uit. De diploma’s van de huidige deelnemers variëren van Wiskunde tot Taal- en Letterkunde en van Bio-ingenieur tot TEW. “De verbindende factor hoort de juiste mindset en drive te zijn om de problematiek bij de roots aan te pakken, niet je soort opleiding”, vertelt Tineke Thielman, projectmedewerker werving en selectie van Teach For Belgium. Joylene vult aan: “Wij geloven dat onze missie enkel kan slagen met een zo divers mogelijke community, zodat het probleem langs alle kanten, op alle manieren aangepakt kan worden. Je moet als deelnemer ook niet in eerste instantie aan het onderwijs denken, maar wel het probleem erkennen en je ervoor willen inzetten.”

 

 

Deelnemers volgen na een selectieronde een korte opleiding van vijf weken, waarin ze klaargestoomd worden om knelpuntvakken in grootstedelijke context te geven. Tijdens deze opleiding wordt er veel belang gehecht aan leadership en soft skills om zo goed mogelijk leerlingen te motiveren. Ook na de plaatsing in de scholen wordt er nog voldoende opleiding en begeleiding voorzien: drie opleidingsweekends per jaar en een persoonlijke coach met ervaring in het veld, zorgen ervoor dat je als deelnemer volwaardig mee aan de start staat bij de aanvang van een nieuw schooljaar.

 

Een echte academische opleiding om les te geven, volgde Camille dus niet. Wordt ze hierdoor op school anders bekeken? "De directie weet uiteraard dat ik deel uitmaak van het programma van Teach For Belgium, maar ze hebben mij niet zo voorgesteld aan de collega’s. Ik ben gewoon de nieuwe leerkracht Frans voor de collega’s en de leerlingen. Voor deze laatsten is het belangrijkste dat je de leerstof met plezier geeft en hen bekrachtigt.” Mocht ze na deze twee jaar toch graag in het onderwijs blijven, moedigt Teach For Belgium haar wel aan om alsnog de lerarenopleiding te volgen.

 

bewijs

“Teach For Belgium is meer dan een job, het is een engagement”, besluit Tineke. Dat beaamt ook Camille: “We kunnen niet alles in één keer veranderen met de zwaai van een toverstok, maar het geloven in deze jongeren kan een positieve impact hebben."

 

 

Wereldwijd wordt er intussen in meer dan 40 landen met toverstokjes gezwaaid. Wie weet is onderwijsgelijkheid geen al te verre toekomstmuziek meer. Zin om zelf ook te toveren met leerlingen? Surf eens naar de site van Teach For Belgium, de tweede call eindigt op 5 maart.



01/12/2016
🖋: 

Studentenvertegenwoordiging. Het is niet bepaald een thema dat studenten vlot aansnijden tijdens een doordeweeks cafébezoek. De meesten onder ons weten gelukkig wel dat de Universiteit Antwerpen beschikt over een sterke studentenraad, waarvan de leden elk jaar verkozen worden in het voorjaar. Met haar vijftigtal verkozenen verzekert ze de prominente positie van de student in het beleid van UAntwerpen. Maar wacht – vooraleer je dit schrijven afdoet als een slecht gecamoufleerd pr-artikel – heb je je ooit al afgevraagd wie onze belangen behartigt in aangelegenheden die onze universiteit, onze stad, overstijgen? Zie hier, wij presenteren jou de Vlaamse Vereniging van Studenten, beter bekend als VVS.

Dat de student niet meteen zijn vinger kan leggen op wat VVS is en doet, laat staan wakker ligt van haar beleid, vinden ze bij VVS niet bepaald opmerkelijk. “De vereniging is dan ook een vertegenwoordigingsorgaan”, legt voorzitter Jonathan Hooft uit. “We hebben weinig eigen initiatieven die rechtstreeks zichtbaar zijn voor de student, omdat onze taak er voornamelijk uit bestaat op Vlaams beleidsniveau in debat te gaan. Al wordt de naam VVS misschien iets te weinig gehoord.”

 

Ons gewest telt 21 instellingen die hoger onderwijs aanbieden. Zij worden door VVS vertegenwoordigd in adviesorganen en (ministeriële) werkgroepen. Verder engageert VVS zich om de werking van de studentenraden die verkozen worden binnen deze instellingen, bij te staan met raad en daad. “Studentenraden kloppen bij ons aan als ze kennis willen nemen van een dossier uit het verleden of als ze geen idee hebben hoe ze een bepaald dossier moeten behandelen. Daarnaast bieden we vormingen aan: we leggen een studentenraad bijvoorbeeld uit hoe ze efficiënt vergadert of hoe ze agendapunten moet aanhalen.”

 

Driewekelijks mogen de deelnemende studentenraden een vertegenwoordiger sturen naar Het Bureau, waar inhoudelijke beslissingen worden genomen en de verschillende studentenraden hun bekommernissen kunnen voorleggen. “Zo was bijvoorbeeld het stemrecht voor studenten bij de gemeenteraadsverkiezingen van hun studentenstad een bekommernis van een lokale studentenraad”, verduidelijkt Jonathan. “VVS neemt zo’n vraag op en onderzoekt wat mogelijk is. We horen hoe andere studentenraden hier tegenover staan en bevragen de bredere studentenpopulatie als dat nodig is. Uiteindelijk hebben we genoeg informatie verzameld om een standpunt in te nemen, waarmee we vervolgens de bevoegde instanties kunnen confronteren.” Indien er over een bekommernis geen consensus bereikt wordt, komt het voor de Algemene Vergadering, het hoogste beslissingsorgaan binnen VVS.

 

problemen

Zoals elke organisatie kent ook VVS zijn ups en downs. Het is echter frappant dat het recentste dal reeds jaren aansleept. Na een voor VVS erg constructieve periode in de jaren 90, stapte de KU Leuven – soms gevolgd door de Leuvense hogescholen – in 2004 uit de organisatie, omdat ze zich niet langer kon vinden in het beleid. Na geplande hervormingen en nieuwe toetredingen deed ze dit opnieuw in 2006, 2009 en nogmaals in mei 2016. In sommige gevallen volgden ook de Leuvense hogescholen. Dat onlangs de Universiteit Antwerpen eveneens opstapte, doet vermoeden dat er meer aan de hand is dan louter een intern conflict tussen de KU Leuven en VVS. De redenen voor al deze uitstappen zijn niet altijd precies dezelfde. In 2009 werden de gebrekkige achterbanwerking, een aftakelende representativiteit en de te grote macht van de stafmedewerkers van VVS als belangrijkste oorzaken aangehaald. Aan de basis van de jongste uitstap lagen dan weer frustraties over het feit dat hogescholen een te grote stem hebben in materie die enkel universiteitsgebonden is.

 

“We merken echter dat weinig punten op de VVS-agenda louter universiteits- of hogeschoolgerelateerd zijn. Vaak gaat het over onderwerpen die alle studenten aanbelangen, zoals financiering, sociale kwesties of studiepunten. We merken overigens duidelijk dat andere instellingen een heel andere visie hebben op de opmerkingen van de Stura’s van UAntwerpen en KU Leuven. Terwijl Antwerpen en Leuven van mening blijven dat een scheiding belangrijk is, zijn onze leden ervan overtuigd dat de sleutel in de samenwerking ligt. VVS voorziet de vertegenwoordiging van de Vlaamse student en handelt dus in functie van alle studenten in Vlaanderen, niet enkel die van bepaalde groeperingen.”

 

“Anderzijds zijn we er niet blind voor dat sommige dossiers meer voor de ene instelling gelden dan voor de andere. Daarom wil VVS ook een forum bieden wanneer instellingen als aparte groepen een dossier willen bespreken. De afgelopen drie jaar zijn er echter weinig tot geen dossiers geweest waarbij universiteiten en hogescholen lijnrecht tegenover elkaar stonden.”

 

Het is voorlopig onduidelijk welke richting de studentenraden van UAntwerpen en KU Leuven uit willen. Staan we aan de vooravond van een nieuwe overkoepelende organisatie? Vooral de studentenraad van de KU Leuven leek te zinspelen op een afzonderlijke organisatie voor de Vlaamse universiteiten. UGent, traditioneel een trouwe aanhanger van de VVS, lijkt weinig geneigd in dergelijk verhaal mee te gaan. Ook in Antwerpen, Hasselt en Brussel laat men nog niet in zijn kaarten kijken. Uiteraard valt niet uit te sluiten dat VVS Antwerpen en Leuven weer aan boord hijst.

 

 

Dit artikel is het eerste deel van een dossier, dat wordt vervolgd op dwars.be. We nodigen de studentenraden van UAntwerpen en KU Leuven graag uit voor een reactie.



taaltraject voor vluchtelingen aan UAntwerpen

01/12/2016

Een nieuw leven opbouwen nadat je gevlucht bent voor oorlog. Er komen een hoop moeilijkheden bij kijken. De nieuwe taal en de erkenning van je diploma's horen daar ook bij. Tien vluchtelingen krijgen daarom dit jaar de kans om op onze campus Nederlands te leren en zo volgend jaar te beginnen met een studie. dwars sprak twee van hen over hun ervaringen hier in Antwerpen. Wie zijn ze, hoe bevalt het hen hier en hoe zit dat taaljaar nu eigenlijk in elkaar?

Carol (24) en Nader (18), twee van de tien vluchtelingen die dit jaar het taaltraject volgen, stonden ons te woord. Zij studeerden al in Syrië, maar in België wordt een buitenlands diploma niet zomaar erkend. Nader was nog maar net begonnen aan zijn opleiding, Carol moet helaas haar studie (deels) over doen. Gemakkelijker gezegd dan gedaan, want om hier te studeren moet je eerst Nederlands leren en dat is niet vanzelfsprekend. Naast gemotiveerd zijn, moet je ook diep in je portefeuille kunnen tasten. De overheid subsidieert deze taalcursussen niet, waardoor zij niet hetzelfde bedrag betalen dat jij en ik voor onze studie neertellen, maar wel de volledige 3.975 euro.

 

Om vluchtelingen toch een kans te geven, ging Linguapolis op zoek naar sponsors om zoveel mogelijk taalopleidingen te kunnen financieren. Uiteindelijk lukte het hen om geld te voorzien voor tien studenten: ze betaalden zelf de beurs voor één student, de universiteit schonk er vijf en de overige vier kregen ze bij elkaar door giften. Christine Engelen, directeur van Linguapolis, is gepassioneerd door het taaljaar en legt uit waarom de beurzen zo belangrijk zijn: “Het gaat om enkele individuen die een heel groot verschil kunnen maken. Voor hen persoonlijk, hun ervaring en hun leven: dat ze gewaardeerd worden, dat ze zich kunnen ontplooien zoals ze gedaan zouden hebben als ze niet hadden hoeven vluchten. Maar ook voor de omgeving: we hebben hen nodig. Het zijn allemaal gemotiveerde, ambitieuze mensen; het zijn rolmodellen. We hoeven alleen een beetje geld te geven en de rest doen zij zelf!”

 

Christine Engelen Linguapolis (© Jeroen Janssens | dwars)

 

Die ambitie is wel nodig als je kijkt naar het tempo van het taaljaar. Carol en Nader begonnen in oktober en als alles goed gaat, ronden ze in juni niveau 5 af. Dat is het benodigde niveau Nederlands om te kunnen slagen voor de toelatingstest voor anderstaligen. Na acht maanden moeten ze dus in staat zijn om een Nederlandstalige studie te volgen, academische literatuur te lezen en ook zelf te schrijven. Daarnaast volgen de studenten vakken als ‘Academische vaardigheden’ en ‘Nederlandenkunde’ – waarin ze over geschiedenis, politiek en cultuur leren – en krijgen ze uitspraaktraining. Dit laatste werkt, want ze merken allebei zelf op dat onze redacteurs van dienst geen Vlaams, maar een Nederlands accent hebben.

 

ambitieus

Carol studeerde in Aleppo al vier jaar Engels, met als droom lerares te worden. Hoewel je aan haar enthousiaste manier van praten merkt dat ze een geweldige lerares zou zijn, moet ze haar master eerst opnieuw doen. Door haar studies is ze gelukkig al gewend aan het leren van een nieuwe taal en heeft ze een voorsprong. Ze heeft net haar eerste test Nederlands achter de rug, die heel goed ging. Daarmee heeft ze al het niveau A2 behaald en kunnen we haar de meeste vragen in het Nederlands stellen, ook al glipt er natuurlijk uit gewoonte soms wat Engels tussen.

 

Het zijn allemaal gemotiveerde, ambitieuze mensen; het zijn rolmodellen.

 

Nader moet zelfs niet meer terugvallen op het Engels. Indrukwekkend genoeg heeft hij na twee maanden het Nederlands al serieus onder de knie. Voordien volgde hij al wat lessen op een middelbare school, maar hij zegt zelf dat die “niet zo serieus en niet zo streng” waren. Wat is dan het geheim om zo snel een nieuwe taal te leren? Ambitie en motivatie zijn belangrijk, maar het allerbelangrijkste voor hem is: “Ik hou van Nederlands.” Hij vindt het een mooie taal en daardoor is het leuk om te leren. Ambitieus is hij ook zeker, Nader wil volgend jaar namelijk aan een studie Burgerlijk Ingenieur beginnen, waarvoor hij naar Leuven gaat.

 

enthousiast

Nader focust zich helemaal op zijn studie. Zelfs met andere Arabischsprekende studenten spreekt hij Nederlands buiten de studie om. Veel Nederlandstaligen kent hij echter niet. Hij gaat vooral om met de mensen van zijn opleiding. Dat is een groep van 51 studenten met 29 verschillende nationaliteiten. Zo is zijn beste vriendin bijvoorbeeld Amerikaans. Nader kent wel een meisje uit België, maar ze is eerder een 'halfvriendin', een kennis. Naast lessen over cultuur leer je het meeste natuurlijk gaandeweg. Zo kwam hij er laatst pas achter dat kleine winkels in België duurder zijn dan grote supermarkten. Dat is in Syrië precies andersom.

 

Nader (© Jeroen Janssens | dwars)Ook voor Carol is het leven hier heel anders dan het thuis was. Daar had haar man al een aantal jaren een eigen kapsalon, maar hier geraakt hij moeilijk aan het werk. Omdat hij niet studeert, gaat Nederlands leren veel stroever. Ze hebben samen een zoontje van twee jaar oud. Ondanks dat ze meestal Arabisch tegen hem praten, pikt hij heel veel dingen op. Zo zegt hij als mensen weggaan al “daaag”.

 

Carol focust vooral op het nu. “You don’t know the future. You don’t know what will happen in ten to twenty years.” Ze wil nu studeren en lerares Engels worden. Helemaal zeker of ze dat ooit wordt en of ze hier blijft wonen, kan ze niet zijn. Maar nu gaat ze ervoor. “My family and I can never forget that Belgium welcomed us, and let us rebuild ourselves in this way.” Hoewel het lastig is om in een ander land te wonen, waardeert ze de mensen om zich heen enorm. Ze is vooral goede vrienden met haar buren. “I can’t tell you how good they are.” Sommigen van hen ziet ze zelfs al als betere vrienden dan haar vrienden in Syrië. Ze vindt het een beetje ‘fout’ van zichzelf om te zeggen, maar ze denkt dat die acceptatie bij haar in de buurt mede komt doordat ze christen is. Als mensen weten dat je vluchteling bent, ben je al ‘vreemd’. Doordat ze christen is, valt er een verschil weg.

 

toekomstgericht

Linguapolis helpt dus vluchtelingen om in het hoger onderwijs terecht te komen waar zij hun ambities kunnen verwezenlijken. De leeftijdsgroep van de vluchtelingen, van achttien tot dertig jaar, is dan ook niet toevallig. Zij hebben nog de leeftijd om te gaan studeren, dat hele proces te doorlopen en er een toekomst mee te creëren. Voor de achttienjarigen zoals Nader, is het jammer dat ze net buiten het leerplichtsysteem vallen. Engelen: “Vluchtelingen onder de achttien worden in klassen geplaatst waar ze Nederlands leren en daarna het middelbare onderwijs afmaken. Zij die ouder zijn vallen buiten het systeem, terwijl ze even grote ambities hebben. Nader wil bijvoorbeeld Burgerlijk Ingenieur worden en was primus in zijn klas, natuurlijk moet hij dat dan doen!”

 

Hoe graag Engelen het ook had gewild, Linguapolis kon niet iedereen helpen. Er was ‘maar’ genoeg geld ingezameld voor tien trajecten en er waren uiteindelijk 32 kandidaten. De toewijzing van de beurzen was dus een harde keuze. Het moest gaan om studenten met veel potentieel, met ambitie, en mensen die al een West-Europese taal hadden gestudeerd. Het kennen van het westerse alfabet en weten hoe je een taal studeert, maakt snel Nederlands leren gemakkelijker. Engelen hoopt dat ze voor volgend jaar minstens evenveel beurzen kunnen financieren. De fondsenwerving voor 2017-2018 is dan ook al gestart: de opbrengst van de UAntwerpen-quiz op 16 november gaat naar het taaljaar en giften in het universiteitsfonds en andere initiatieven zijn ook meer dan welkom. De hoeveelheid geld die zo bij elkaar gebracht wordt, bepaalt hoeveel vluchtelingen Linguapolis kan helpen.

 

eerlijk

Ondanks de grote hulp van Linguapolis is het voor vluchtelingen als Carol en Nader niet altijd even gemakkelijk. Doordat hij al vaak verhuisd is, heeft Nader al veel van België gezien: Namen, Luik, Gent, Brugge, Mechelen … Nu woont hij alleen in een studio in Lier. En dat is wat hij het moeilijkste vindt aan zijn leven hier, “het alleen zijn”. Zijn familie is nog in Syrië, omdat de reis te moeilijk en te duur is. Natuurlijk mist hij ze, maar hij is ook heel blij met de kansen die hij hier krijgt. Wat hem daarnaast dwars zit, is het onbegrip dat hij soms ervaart. Zo was hij een tijd geleden op een middelbare school voor een kennismakingsgesprek. Ze dachten daar dat hij de buitenlandse student was die bij hen een onderzoek wilde doen. Pas halverwege het gesprek zei iemand: “Die vluchteling zou vandaag toch ook komen?” Toen hadden ze het pas door. Ze geloofden niet dat hij een vluchteling was en hadden zich hem anders voorgesteld. Zijn jeans, zijn jas, zijn telefoon en verzorgde uiterlijk pasten niet bij hun verwachtingen. Nader zegt dat ze dachten dat hij “een lang wit kleed” zou dragen. “Dat dragen wij nooit.”

 

We just came here, because it’s safe.

 

Carol durft, ondanks alle vriendelijkheid, niet altijd zichzelf te zijn. Als ze met haar man boodschappen doet en ze spreken Arabisch met elkaar, kijken mensen hen heel anders aan. Daardoor spreken ze liever niet in het openbaar met elkaar. Ze hoopt dat mensen begrijpen dat ze hier niet zijn omdat ze dat willen of om te ‘profiteren’. Vroeger kwamen veel Syriërs naar Europa als toeristen en andersom ook. Maar de meeste mensen die ze kent, hebben het hier helemaal niet beter dan thuis. Veel artsen en handelaars zijn hier “een zero”. Mensen met jarenlange ervaring moeten thuis zitten, omdat hun diploma’s niet worden erkend en ze maar moeilijk werk vinden in hun sector. “We just came here, because it’s safe.”



het laatste woord

01/12/2016
🖋: 

Je zal het maar voorhebben: het ligt op het puntje van je tong en toch kan je er maar niet opkomen. Dat ene woord ontglipt je keer op keer. Dit jaar schiet dwars alle schlemielen in zulke navrante situaties onverdroten te hulp. Maandelijks laten we ons licht schijnen op een woord waar de meest vreemde betekenis, de meest rocamboleske herkomst of de grappigste verhalen achter schuilgaan. Deze keer: ‘filibusteren'.

Een woord dat klinkt als het soort ludiek kattenkwaad dat een onverbeterlijke belhamel zou uitvreten in één of ander provinciaals boerendorp, zoals urineren in een brievenbus of een verpakte drol in brand steken op de drempel van iemands voordeur. Niets is minder waar zo blijkt, want filibusteren is een bedrijf waar voornamelijk staatsmannen op het hoogste politieke niveau zich mee bezig houden. Al moet gezegd worden dat er ook bij dat slag van mensen heel wat schobbejakken en pagadders zijn. Dat ook sommige politici niet om een poets verlegen zitten, blijkt immers uit de eigenlijke betekenis van 'filibusteren': een slinkse handelswijze waarbij senatoren of parlementariërs oeverloze redevoeringen houden om bepaalde wetsvoorstellen te vertragen of uit te stellen.

 

Het woord filibuster was een uit het Frans en het Spaans overgewaaide Engelse verbastering van het Nederlandse woord ‘vrijbuiter’, wat kaper of piraat betekent. In het begin van de negentiende eeuw, werd het dan weer gebruikt om specifiek mensen aan te duiden die probeerden staten te stichten of te veroveren in het destijds erg onstabiele Latijns-Amerika. Nog wat later kreeg filibusteren de figuurlijke betekenis die het nu nog steeds heeft: het 'kapen' van het parlement of de senaat.

 

De conservatieve Amerikaanse senator John Randolph produceerde in 1825 de eerste filibuster uit de geschiedenis door dagenlang te betogen tegen een aantal voorgestelde wetten die de industrialisering van Amerika moesten bevorderen. Een onvervalste heldendaad, want in Amerika moet men recht blijven staan opdat het woord niet teruggaat naar de senaat. En dat sluit ook het nemen van plaspauzes uit. Toen senator Strom Thurmond in 1957 een filibustermarathon van 24 uur hield om de Civil Rights Act te voorkomen, had hij op voorhand een stoombad genomen om zijn lichaam volledig te dehydrateren. Uit voorzorg had deze illustere kwapoets wel nog een stagiair klaarstaan met een emmer. Denk daar maar eens over na voor je die stage bij het Europees Parlement najaagt.

 

Nog in Amerika las snoodaard Alfonse D'Amato voor uit een telefoonboek en reciteerde Huey Long het oeuvre van Shakespeare en recepten voor gefrituurde oesters. Filibusteren is dus in de eerste plaats een Amerikaanse traditie, maar ook in Zuid-Korea lusten ze er wel pap van. In maart van dit jaar heeft de Zuid-Koreaanse oppositiepartij Minjoo het wereldrecord filibusteren verbroken door 192 uur lang te palaveren over de nefaste gevolgen van een nakende antiterreurwet. Er werd integraal voorgelezen uit George Orwell, Twittercommentaren en (God verhoede!) academische artikels. Enkele sportieve dwarsliggers van de oppositie kwamen zelfs in trainingspak om hun herculische heldendaad zo veel mogelijk te faciliteren. Maar het mocht niet baten. Luttele uren na hun historische filibuster werd de wet alsnog gestemd, al hun onverdroten schranderheid ten spijt.



de dwarsligger

01/12/2016
🖋: 

The homo sapiens studentus is a special species. Next to the typical activity of studying, the members of this species are known as real lovers of (night)life. But do they have other secrets to unfold? dwars finds out in their natural habitat, the student dorm.

When asked how old he is, he says: “You have to guess.” Alex is a Spanish 27-year-old and is in his fifth year of Medicine. Before getting into Medicine, he studied Biology. In Spain it’s really hard to get accepted into Medicine, so he started his Biology bachelor and kept applying for Medicine every year. He’s 'supposed to' be studying, but doesn’t always go to his classes, because most of them are in Dutch: “We still have to get the English materials from the prof.”

 

blogger extraordinaire

Next to studying, traveling is one of the most important things in his life. “I think Antwerp is definitely in my top ten.” He found out about our city through a blog called Erasmus en Flandes. The blog is focused on Spanish students who are in, or are looking to go to Belgium. That’s why he already knew a lot about Antwerp when he got here. Still, the city defied his expectations. In his first week, he visited the Grote Markt, the Rubenshuis and the cathedral. For now, his favorite place is the MAS, because there’s always something to do, like the MASked party. He plans on discovering a lot more of the city than the main tourist attractions, though. He’s staying for two semesters, so he’s got some time. What makes it even easier, is that you can get everywhere by foot, even though it's a big city and there's lots to see. According to Alex, Antwerp is a city where you can discover something new every day: “I don’t think I’ll be able to see it all.” Discovering the city is part of his hobby now, because funnily enough, he started writing for the blog that started everything.

 

la gente está muy loca

A few days ago, Alex celebrated his two-month anniversary of being in Antwerp. Except for his friends and the food (“at home we eat so many dried sunflower seeds!”), he doesn’t really miss anything from Spain. He even thinks it’s less cold in Belgium during the winter. “Maybe it’s because of the rain?” He lives in a building with a lot of Spanish students. Apparently, they are the third largest nationality among Erasmus students in Antwerp. The one thing they all struggle with is the schedule. "Belgians eat ridiculously early!" Alex usualy has dinner around 8 p.m., but if he’d do that here, he’d miss everything. And that is the one thing you don’t want to do. You have to make the most of your stay in Antwerp. How? It’s really simple: “Don’t say no to any plan!”



2016 volgens hofnar Michael Van Peel

01/12/2016

“Ik voel me een beetje als een kaasjesverkoper in de GB!” Aan het woord is Michael Van Peel. Nochtans draagt hij geen hyperhygiënische witte schort, maar een avontuurlijk kaki hemd met epauletten, en in zijn hand geen Camembert of La vache qui rit, maar 285 pagina’s Van Peel tot Evenaar. Zijn eerste boek verhaalt over de Vespatocht die hij in 2011 ondernam van Antwerpen naar Dakar. “Er zijn echt beschamend weinig mensen langsgekomen”, lacht hij. “Ik heb nauwelijks kunnen signeren.”

 

dwars strikte de comedian voor zijn terugblik op het afgelopen jaar, maar als we gaan zitten, dringt een andere vraag zich op: “Wie is die sympathieke snuiter eigenlijk die ons eerder nog charmerend de ‘John Hancocks van de journalistiek’ had genoemd?” Een dapper avonturier? Scherpzinnig politicus? Wikinger eerste klas met een Antwerpse tongval? Of allemaal? We hebben anderhalf uur om het te achterhalen.

Vespa’s Van Peel

“Mijn liefde voor Vespa’s? Die begon met een zatte weddenschap in de Salamander. Toen ik op Erasmus was in Siena kocht ik mijn allereerste Vespa waarmee ik via de kleine baantjes heel Toscane heb verkend. Met Nieuwjaar was ik eventjes terug in België en toen een maat mij vroeg wat ik ermee zou doen na Erasmus, zei ik: ‘Ik rijd ermee naar huis.’ ‘Da daarfde ni’, was het antwoord en hij had gelijk, maar in de mannenwereld staat een zatte weddenschap boven de Conventie van Genève. Ik ben toen 6.800 kilometer door heel West-Europa gereden, van Erasmusvriend naar Erasmusvriend, en het is de mooiste reis van mijn leven geworden, per ongeluk.”

 

In tegenstelling tot menig Erasmuslief bleek Michaels tweewielige deerne geen interimmer. In 2011 besteeg hij haar immers opnieuw met evenveel liefde. Met zijn moleskineke, een notitieboekje, reed hij toen naar Dakar en jaren later resulteerde die reis in een boek gelardeerd met toogfilosofie en tegelwijsheden.

 

“Door de tijd die erover is gegaan, is het niet louter een reisverslag geworden, maar eerder een soort metafoor, een vehikel liever, iets om over na te denken, zoals de absurditeit van grenzen bijvoorbeeld. Zo ligt er tussen Mauritanië en Marokko een stukje niemandsland waar ik zag hoe twee bewakers een imaginaire rode lijn stonden te bewaken. Zo’n ervaringen doen mij bezinnen en die gedachten staan beschreven in mijn boek.”

 

rolling with the punches

In gedachten zien we hem al als een ware ontdekkingsreiziger de natuurelementen bedwingen, maar Michael nuanceert: “Er waren maar een paar stukken waar geen asfalt lag, al leidden die wel tot de grootste avonturen. Ik was eigenlijk heel slecht voorbereid en toen mijn Vespa tot aan de treeplank vast zat in een traject van 80 kilometer modder, dacht ik echt dat ik in een aflevering van Final 24 op National Geographic terecht zou komen: de laatste 24 uur in het leven van een of andere debiel met mij in de hoofdrol. Een avontuur is eigenlijk een slechte beslissing die uiteindelijk goed afloopt, anders is het gewoon een stommiteit.”

 

“Er zijn wel meerdere momenten geweest waarop ik bang was,” bekent de Vespaheld, “zeker toen ik op de vlucht was voor een waanzinnig onweer in het midden van de woestijn terwijl de zon aan het ondergaan was. ‘s Nachts rijden is echt geen cadeau. Ik scheet in mijn broek en vloekend besefte ik dat ik beter tachtig kilometer eerder in een dorpje gestopt was.” Even kijkt hij naar de Vespa naast hem die in stilte het verhaal bevestigt.

“Maar toen sprong Bad Moon Rising van Creedence Clearwater Revival op mijn iPod op. Plots was ik niet meer bang, maar voelde ik me ruig want ik was aan het cruisen onder de volle maan met de hete woestijnwind in mijn gezicht. Ik besefte dat er op dat moment ergere plaatsen zijn op de planeet en dat verblindende angst een keuze is. Ga mee met de storm, roll with the punches. Wat gevaarlijk is, is ook heel relatief, want een paar dagen na de storm zag ik de Pukkelpopramp die had plaatsgevonden in België. Op dat moment moest ik mij dus zorgen maken over mijn vrienden in België, en niet andersom.”

 

Een avontuur is eigenlijk een slechte beslissing die uiteindelijk goed afloopt, anders is het gewoon een stommiteit.

 

“Angst om bijvoorbeeld overvallen te worden heb ik niet gehad, wel de vrees voor flikken, corrupte grenswachters of militairen, mensen die macht over je hebben tout court. Maar verder zijn de mensen die ik tegenkwam absoluut niet om bang voor te zijn. Ze hebben daar geen staat die voor hen zorgt, dus moet iedereen een beetje voor elkaar zorgen. Er loopt bijvoorbeeld één baan door de Westelijke Sahara, 1.600 kilometer rechtdoor. Als je daar in panne valt, stopt de eerstvolgende om te helpen, want die kan zelf de volgende zijn met pech. En dat geeft je wel het gevoel dat je niet alleen bent. Iedereen kijkt daar nog om naar mekaar, veel meer dan hier in een welvaartsstaat.”

 

Wikings-praeses

Een jaar in Leuven, een jaartje Chemie, zeven jaar Handelsingenieur, een MaNaMa Filmstudies, twee keer op Erasmus ... Van Peel heeft het merg uit het studentenleven gezogen, maar daar heeft hij geen spijt van. “Ik heb elk jaar keiveel bijgeleerd, soms meer buiten de lokalen dan erbinnen.” Over het meest memorabele moment uit zijn studententijd hoeft hij dan ook niet lang na te denken: “de kiesweek bij de Wikings!”

 

Toen de studentenclub De Prof inruilde voor het toenmalige ‘t Uniefke als stamcafé, ging het gerucht dat uitbater Wim wilde verkopen, maar mét de Wikings-klanten erbij voor een hogere verkoopprijs. “Hij had een kiesploeg opgericht met een budget van 200.000 frank om zo de Wikings terug te winnen. Wij als Wikings-leden hadden ook een klein ploegske opgericht met wat sponsorgeld van de Jean-Pierre en het Agora Caffee. Met uiteindelijk slechts 18.500 frank, nog geen 500 euro dus, maar wel veel vrienden en de drive om te winnen zijn we er toen aan begonnen. De Prof huurde Eddy Wally in, wij hadden enkel ne maat met boenkmuziek en hebben toen massa’s hamburgers gebakken, gratis bier weggegeven …”, herinnert Michael zich met pretlichtjes in de ogen. “Het werd de meest fantastische kiesweek en ook die met de hoogste opkomst ooit! Het was een strijd tussen de studenten en de commerce en dat zorgde ervoor dat heel de faculteit ermee begaan was.”

 

Hoe hij erin slaagde om ook op studievlak succes te boeken? “Dat is dankzij de hulp van de GNM’ekes geweest, de Goed Noterende Meisjes, zonder wie ik mijn universitaire carrière nooit zo succesvol had kunnen afronden.”

 

 

 

comedian op de muur

Ook dit jaar toert Van Peel weer rond met een eindejaarsconference. Wanneer we hem spreken zijn de try-outs nog niet van start gegaan, maar een thema heeft hij al: de muur. “Het tijdsgeestidee van 2016 is volgens mij de idee dat als we een muur optrekken die hoog genoeg is, de miserie wel buiten blijft en alles goed komt. We sluiten ons meer en meer op in ons eigen kotje, doen de deur op slot en hopen dat de boze man buiten uit zichzelf zal weggaan. Zelfs letterlijk. Kijk naar Donald Trump die muren wil optrekken in Mexico, en Hongarije of Calais waar een hek tegen vluchtelingen staat.”

 

“Boem! Oeps!”, zal het laatste zijn wat je van de mensheid hoort in het heelal.

 

“Tegelijkertijd stoppen we die muren ook in ons hoofd: we willen er niet meer over nadenken. Het cynisme is zo ver doorgedrongen dat mensen gewoon stemmen voor een brexit of voor Trump, ook al weten ze dat het hen geld zal kosten en Trump liegt. ‘Fuck it! Ik stem er toch voor!’ Fact free politics heet dat. Je stopt een muur in je hoofd en als je dan zinkt, is het tenminste omdat je zelf op de knop hebt gedrukt en niet omdat andere mensen je naar beneden trekken. Dat is dus mijn thema: een blinde muur. Sorry, dat is niet heel vrolijk”, lacht hij om de bedrukte sfeer wat te breken.

 

Wanneer we hem vragen naar het meest memorabele moment van 2016, reageert Van Peel met een kwinkslag: “Misschien wordt het wel de verkiezing van Trump als president van de VS!” Wat als een grap bedoeld was, zou later werkelijkheid blijken te worden. “Wat ik ook heel tekenend vind voor dit jaar”, vervolgt hij, “is de brexit. Er zijn altijd heel veel debielen in de wereld geweest, maar sinds dit jaar zijn ze met 1 procent meer dan 50 en dat heeft een invloed op de 49 anderen. Het is natuurlijk ingewikkelder dan dat, maar het is wel kenmerkend voor het feit dat we definitief binnengetreden zijn in het tijdperk van de fact free politics.”

 

Wat hij daarmee bedoelt? “Dat feiten nooit echt belangrijk zijn geweest in de politiek, maar er sinds dit jaar echt geen zak meer toedoen. De Britten wisten dat het hen geld zou kosten en toch stemden ze ervoor. Er is twee biljoen in rook opgegaan de dag na de brexit. Dat is tweeduizend miljard hè! Per ongeluk ook, want de dag nadien zeiden ze allemaal: ‘Oeps, we dachten niet dat het ‘voor echt’ was.’ Dat is hoe de wereld aan haar einde zal komen. Boem! Oeps!’, zal het laatste zijn wat je van de mensheid hoort in het heelal.”

 

Ik denk dat ik eens wat moppen over wereldvrede ga maken …

 

Toch ziet Michael de toekomst niet pessimistisch in. Hij wijst het systeem met de vinger, niet de mensen, want “dat zijn geen eikels hè, maar ze worden het wel als je er camera’s op plaatst en er een partij op kleeft. Een fluohesje of uniform hebben trouwens hetzelfde effect, dat is experimenteel bewezen.”

De hele kwestie heeft bovendien ook iets ironisch, zoals de Britse premier Theresa May die zei “I will not allow divisive nationalists to split us up” of Nigel Farage die het tot ‘Independence Day’ omdoopte, volgens Van Peel. “De hele Commonwealth gebruikt die term om hun onafhankelijkheid van het Verenigd Koninkrijk aan te duiden! Dat is een beetje alsof je in Duitsland een Holocaustdag zou afroepen om voortijdig gestorven kinderen te gedenken. Dat is een gebrek aan tact, waar ik jaloers op ben. Dat is met de balzak uit de broek een receptie binnenwandelen en je geen hol aantrekken van wat de rest denkt!”

 

Terreur en vluchtelingen, het lijkt wel alsof 2016 een kopie was van 2015. Lukt het dan nog om nieuwe grappen te bedenken? “Elk jaar komen inderdaad dezelfde onderwerpen in de actualiteit en dat maakt het voor mij moeilijk omdat ik elk jaar andere grappen moet verzinnen over dezelfde shit. Mijn grappen van enkele jaren geleden zijn jammer genoeg vaak nog altijd relevant. Of nog erger, er zijn zoveel dingen die grappen waren en nu realiteit zijn geworden, zoals de negatieve rente. In 2012 lachte het publiek nog om die grap: stel je voor, moeten betalen om geld op je rekening te zetten. Ik denk dat ik eens wat moppen over wereldvrede ga maken …”

 

 

 

de hofnar van de 21ste eeuw

“Of ik een grap ga maken over de aanslagen? In principe is er niks waar je niet mee kan of mag lachen, zolang de grap goed genoeg is. Maar er zijn dingen die gewoon niet grappig zijn, zoals het leed van andere mensen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat je niet kan spotten met de terroristen zelf, de ideologie, de maatregelen die tegen terrorisme genomen worden … En dat wordt vaak verward.”

 

“De beste moppen die ik ooit gehoord heb, waren kankermoppen op een kankerbenefiet. Die maak je niet om mensen met kanker te kwetsen, maar om de pijn en de spanningen een beetje weg te nemen. Dat zijn de mooiste grappen: moppen over heel kwetsbare, pijnlijke dingen. Maar het moet dan wel een erg goede mop zijn. De gouden regel is, zoals Nigel Williams ook altijd zegt, dat je nooit naar beneden sjot, maar altijd naar boven. Je lacht niet met de mensen die het slecht hebben, maar diegenen die vanboven staan: de machthebbers. De echte mooie humor brengt ons allemaal op hetzelfde niveau.”

 

De echte mooie humor brengt ons allemaal op hetzelfde niveau.

 

Plannen om zelf in de politiek te stappen heeft Van Peel niet meteen, maar zijn scherpzinnige blik op de actualiteit dient wel een doel. “Ik vind politiek geëngageerd zijn geen opdracht van een comedian, integendeel zelfs, maar iemand moet het wel fucking doen. Er gebeuren zoveel verkeerde dingen voor onze ogen en niemand wordt nog kwaad. Iedereen haalt zijn schouders op. Als ik na mijn shows in de foyer geroezemoes hoor van mensen die met elkaar aan het discussiëren zijn, dan word ik heel blij. Dat wil zeggen dat er ideeën zijn, dat er echte gesprekken ontstaan.”

 

“Comedians moeten narren zijn. De hofnar was vroeger degene die als enige openlijk tegen de koning kon spreken door met een kwinkslag, los van politiek, een boodschap te brengen, want al lachend zegt de zot de waarheid. Dààr is stand-upcomedy ontstaan. Ik voel me soms een beetje als een nar, het kleine jongetje dat wijst en zegt: ‘De keizer staat volgens mij in zijnen bloote, die heeft geen kleren aan!’”



met welk geld koopt de kunstenaar zijn brood en penselen?

01/12/2016
🖋: 
Auteur

Vorig academiejaar startten 6.695 studenten in het hoger kunstonderwijs. Het aantal generatiestudenten dat voor dit studiegebied koos, steeg met 4 procent. Vaak wordt deze student gevraagd: “Wat ga je met dat diploma doen?” En vooral: “Kan je leven van de kunst?” Want hoewel de kunstenaar degene is die kunst en schoonheid schept, gaat het scheppen van poen niet zo vlotjes. We horen en lezen hoe moeilijk musea het hebben om rond te komen, maar hoe zit dat met de individuele kunstenaar?

Het tumult tijdens het voorjaar van 2016 liet nogmaals de onzekerheid van de kunstsector blijken. Na het indienen van hun subsidieaanvraag hadden 231 van de 303 kunsthuizen om een weerwoord gevraagd, omdat ze niet tevreden waren met de preadviezen die ze kregen. 90 van de 138 die niet in aanmerking kwamen voor een subsidie, vroegen om een herziening. Deze storm van ontevredenheid stak op nog voordat minister van Cultuur Sven Gatz in juni het budget van 141 miljoen euro voor de kunsten officieel verdeelde. Niemand kreeg uiteindelijk het budget dat geadviseerd was en sommige organisaties moesten fuseren of plannen opbergen.

 

De berichtgevingen in de media over de kunstsubsidies maakten vooral melding van het ongenoegen van de instellingen en organisaties. Dit terwijl er in het kunstendecreet een onderscheid wordt gemaakt tussen subsidiëring van de volledige werking die voorbehouden is aan organisaties, en projectfinanciering voor zowel individuele kunstenaars als organisaties. De stemmen van die individuele kunstenaars lijken echter nergens te bespeuren in de kranten. Waarvan leven de bronnen van deze creatieve wereld?

 

een land met traditie

Adriaan Raemdonck houdt al sinds 1968 de galerij De Zwarte Panter in de Hoogstraat. Ook hij ziet jaarlijks veel jonge mensen afstuderen, maar vindt dat dit pleit voor de gemeenschap. “We hebben mensen, we hebben een volk dat van kunst houdt. In ons land leeft een grote traditie op vlak van kunsten. Aan de ene kant is onze beeldende kunst heel hoogstaand, aan de andere kant gaat kunst kopen en verzamelen vaak over van ouder op kind.”

 

Hoewel onze musea fantastische collecties aan de muren hebben hangen, ontbreekt het hen aan munten in de bank. “Ik heb nooit geweten dat er geld genoeg was voor kunst. Maar wat is de rijkdom van een land? Dat is cultuur”, gaat Adriaan Raemdonck verder. Volgens hem zijn het vooral de verzamelaars die in de eerste plaats de kunst in leven houden. Een initiatief zoals de kunstkoopregeling, dat al sinds 1997 in Nederland bestaat, is voor de galeriehouder daarom heel belangrijk. De regeling zorgt ervoor dat je als kunstliefhebber zonder rente een kunstwerk tot 7.000 euro kan afbetalen, verspreid over een periode van twee jaar. “Zo kunnen ook jonge mensen kunst kopen. We zoeken voor Vlaanderen ook een sociale oplossing waarbij we de kunstenaar steunen en verzamelaars aantrekken. Dit systeem zorgt voor continuïteit.”

 

Kunst is een biotoop waar alle denkrichtingen en discussies bij elkaar komen.

 

Op woensdag 8 november kondigde minister Sven Gatz aan dat er ook een kunstkoopregeling in Vlaanderen zou komen. Tegen eind 2017 zou ze van kracht gaan. Naast deze mededeling liet de Vlaamse overheid weten dat ze voor het eerst sinds tien jaar weer beeldende kunst van Vlaamse kunstenaars gaat aankopen. Deze aankoopregeling betekent dat er dit jaar nog 100.000 euro beschikbaar wordt gesteld voor hedendaagse kunst. De aangekochte stukken gaan naar Vlaamse musea, kabinetten en depots. Goed nieuws, want naast de financiële steun voor de kunstenaar, heeft dit ook een symbolische waarde van erkenning voor het individu en de sector.

 

kunst uit ivoor

De kunstenaar koopt het stilleven op zijn broodplank op twee verschillende manieren: met financiering via subsidies of mecenaatsgelden (dit tweede is het meest bekend als het eeuwenoude gebruik waarbij een rijke beschermheer of opdrachtgever de kunstenaar steunt), of door deeltijds of voltijds te werken. Het is zoeken naar die balans wanneer je ervoor kiest om met je levenswegwagentje de onstabiele kunstwereld te verkennen. Kunnen leven van het creëren is niet makkelijk. “Je moet jezelf vragen stellen”, vertelt Adriaan Raemdonck. “Wat is de drang naar het kunstenaarschap? Wat heb je daar voor over? Want wat voor kunstenaar je ook wordt, je moet heel je leven de mensen kunnen boeien. De meesten zijn mensen die hard werken.” Je komt er dus niet met een goede worp van de dobbelsteen. Je gaat vooruit door talent en doorzettingsvermogen.

 

Een van de jonge kunstenaars op het spelbord is Charlotte van Renterghem, 26 jaar. Na vier jaar op de LUCA School of Arts, heeft ze nog een jaar Cultuurmanagement gestudeerd en beëindigt ze binnenkort haar Bachelor Wijsbegeerte aan UAntwerpen. Naast haar studies werkt ze aan haar kunstwerken in een atelier dat ze met zes anderen deelt. “Als kunststudent werk je vier jaar intensief in de cocon van je school. Alles wat je kent, komt voort uit die plek. Wanneer je afstudeert, blijkt dat de kunstwereld niet stopt bij je school en dat er een markt is. Je moet je kunst verkopen, maar van die markt ken je heel weinig”, begint Charlotte.

 

Volgens haar besteden de kunstscholen te weinig aandacht aan wat je moet doen nadat je werk af is, waar je publiek gaat zoeken en hoe je contacten legt. “Bij sommigen groeit dit proces organisch. Je naam kan beginnen vallen of je wordt gevraagd voor tentoonstellingen, maar dat betekent niet dat mensen iets van je kopen. Ik ken momenteel niemand die enkel van de kunst leeft. Het is anders als je een studie hebt gekozen waarmee je meteen een concrete job kan vinden.” Met haar extra studie hoopt ze een evenwicht te vinden in het maken van kunst en het bijverdienen met ander werk. “Als je ouder wordt, kan je niet meer op de kosten van je ouders blijven leven”, vervolledigt ze. Drie vierde van haar klasgenoten is intussen gestopt met kunst maken.

 

symbolische euro's

Naast de aangekondigde extra overheidssteun is de erkenning en waardering van de kunstwereld belangrijk. Te vaak wordt nog beroep gedaan op vrijwilligers om de sector draaiende te houden. Organisaties en individuele kunstliefhebbers zetten zich in daar waar overheidssteun faalt. Dit geldt ook voor de individuele kunstenaar. Maar wat als je meer geld in een tentoonstelling steekt dan je krijgt? “Er wordt zo vaak verwacht dat je dingen gratis doet”, vertelt Charlotte. “Men gaat ervan uit dat je al blij mag zijn dat ze je vragen voor een expo, terwijl je zelf de kosten dekt. Dat toont dat de mentaliteit fout zit. Maar zolang kunst maken me plezier brengt, blijf ik het doen. Al moet je er op een moment wel iets voor terugkrijgen, denk ik, want anders houd je het niet vol.”

 

Kunst moet verruimend werken, het is een laboratorium van het menselijk onderzoek.

 

creatie als modewoord en vooruitgang

Charlotte merkt dat er de laatste jaren toch meer openheid is tegenover kunst. “Vijf jaar geleden vroeg iedereen aan mij waarom ik kunst ging studeren en wat ik ermee ging doen. Nu wordt er positiever naar gekeken. Antwerpen wil zich promoten als een stad vol jonge creatievelingen met bijvoorbeeld initiatieven als Born in Antwerp. Ik ga niet honderd procent akkoord met de manier waarop creativiteit wordt gebruikt als marketing, maar aan de andere kant denk ik dat mensen die er totaal niet mee bezig zijn, er hierdoor meer voor open staan.”

 

Wanneer kunst en marketing hand in hand gaan, kan het gebeuren dat trends en genres iets te veel beginnen opvallen. “Kopiëren gebeurde altijd,” vertelt Charlotte, “maar nu zie je steeds vaker hetzelfde in de straten en op het internet. We zijn ook met zoveel. Echte radicale veranderingen waar kunst voor zou moeten staan, zie je niet meer.” Aangezien het niet gemakkelijk is om een plaatsje te bemachtigen in de wereld, moet een kunstenaar soms wel rekening houden met wat ‘hip’ is of wat er op dit moment graag gezien wordt. “Ik denk dat de meesten zich aanpassen en toegevingen doen. Ik probeer daar nu een balans in de vinden”, besluit Charlotte. Die ivoren kunstschool leek dan nog niet zo slecht voor de ontwikkeling van eigen visies. Moeten we schrik krijgen dat de concurrentiestrijd een commerciëlere kunststroming in de hand werkt?

 

laboratorium

“Commercieel is een dubieus woord”, vertelt Adriaan Raemdonck. “Als je het negatief bekijkt, heeft de kunstenaar geen enkele kans. Je moet mensen in vervoering brengen. Een kunstenaar kan wel aanpassingen doen, dat is iets anders. Voordat je naam maakt moet je trofeeën behalen, en mensen hebben je snel door. De andere bedriegen betekent uiteindelijk jezelf bedriegen.”

 

Radicale veranderingen en de vernieuwende kracht van kunst zullen ook niet snel verloren gaan onder het juk van het euroteken. Die waarden zijn immers intrinsiek. “De betrachting van kunst is altijd geweest om de wereld te openen en niet te sluiten. Ik denk dat kunst verruimend moet werken. Het is een laboratorium van het menselijk onderzoek. Jan Cox, kunstschilder, vertelde eens: ‘Ik vind het fantastisch dat mensen naar de maan gaan, maar wat wij doen is het tegenovergestelde. Wij gaan naar de diepte en dat is ook gevaarlijk.’ Voor mij is het idee, wat het ook is, vrijheid. En dat heb ik ook teruggevonden in kunst. Een biotoop waar alle denkrichtingen en discussies bij elkaar komen. Boeiend en ook zijn geld waard.”

 

kansen

Vandaag staan we al stappen verder dan de wereld van 1968. Aan de ene kant zijn er meer jonge kunstenaars die afstuderen en onder wie geld verdeeld moet worden, aan de andere kant wordt kunst nu beter opgevolgd door de overheid, is er cultuurmanagement en bestaat er bijvoorbeeld een statuut voor de kunstenaar, wat vroeger niet het geval was. Dat kunstenaars op jonge leeftijd internationaal carrière maken, zoals de schilders Michaël Borremans en Rinus Van de Velde, is ook een nieuw fenomeen. Het belangrijkste volgens Adriaan Raemdonck, is dat we kansen moeten blijven creëren. “We hebben bepaalde dingen die goed zijn bij ons. Die moeten we koesteren. We moeten ze in stand kunnen houden en ervoor zorgen dat de volgende generatie zich verder kan ontwikkelen.”

 

De extra overheidssteun en aandacht voor kunst helpen de individuele kunstenaar alvast aan meer kansen. Bovendien moeten we niet vrezen dat kunst en de vrijheid die daarmee gepaard gaat ooit zal verdwijnen, zolang de kunstenaar en de kunstliefhebber elkaar weten te vinden.