column
01/02/2004
🖋: 
Auteur extern
md

Ik had me kandidaat gesteld om de rector te verkiezen. Vijftig studenten – ongehoord weinig overigens – die mochten stemmen, daar moest ik bij zijn. Ik, geëngageerd rechtenstudent, hoofdredacteur van dwars en een overweldigende sympathie voor studentenclubs en universiteiten hebbend. Ik stelde me dus kandidaat en mocht nog stemmen ook. Niet zozeer omdat men in mij de meest geschikte studentenstem terugvond, of de meest representatieve, maar gewoon omdat er te weinig interesse bleek te zijn. Mij niet gelaten, voor mij ok en ik richting stembus.

Niet zonder officiële stembrief echter. Die vond medio december haar route van de postzak naar mijn bus en nodigde me uit te gaan stemmen op de Middelheimcampus. Nu weet ik maar al te goed dat we aan een nieuwe, eengemaakte universiteit onze dagen slijten, maar dit ging me wat ver. Naar het RUCA-op-rust? Ik, tot over mijn oren verliefd op de groene Wilrijkse campus, desnoods bereid in de geklasseerde binnentuin van het gebouw aan de Prinsstraat mijn bolleke te nuttigen, naar het ex-RUCA? Ok, die campus ligt het dichtst bij mijn woonplaats (Berchem) en ok, ik moest die dag toch studeren dus minder verplaatsing is minder tijdverlies (geen rijbewijs), maar de Middelheimcampus? Zelfs een toegewijd student die de vooruitgang en toekomst zijner geliefde universiteit met open armen toelacht heeft zijn grenzen en principes. En die liggen bij mij in een nette cirkel rond de campussen aan het Middelheimziekenhuis. Niet dat ik het grote koloniale gebouw zo verafschuw of dat ik kippenvel krijg van de nieuwe G-blok met bijbehorende campuskunst. Zelfs de onontkoombare nabijheid van het pastoraal centrum dat mijn nogal katholifoob hart af en toe een slag doet overslaan of de schreeuwerige reclameborden die uitnodigen er wiskunde (!) te studeren, halen het niet van mijn UA-liefde. Maar er is iets aan die campussen wat het oeverloos en nodeloos draaien en keren onder de drie eiken, of het genadeloos bekeurd worden in de binnenstad tot plezierige taferelen maakt.

 

En wat dat iets is, is nauwelijks onder woorden te brengen. Ja, eenvoudig te benoemen, dat wel: valven. Een universiteit zweert zoals dat hoort bij enkele oude tradities, zo ook de onze. In Engeland gaan ze daar nogal ver in: in het Latijn opgestelde en nog steeds van kracht zijnde reglementen en een bootrace tegen de eeuwige vijand uit Cambridge bijvoorbeeld. Bij ons blijft het doorgaans bij de door onwetenden zwaar en ten onrechte bekritiseerde studentendopen, een gezellig zangfeest met wat bier op zijn tijd, en – iets academischer – een plechtige openingsrede aan de start van het academiejaar met Breugheliaanse receptie achteraf.

 

En dus ook de berichten ad valvas. Prikborden waarop professoren laten weten dat ze die of een ander dag geen zin hebben om daar of ginder les te geven, waar slechts door een enkeling gelezen verslagen van faculteitsraden hopeloos op de versnipperaar wachten en slechts zelden een ongebruikte punaise of een niet-gedateerd bericht te vinden is. Valven zijn een fantastisch stukje traditie dat intussen jammer genoeg door informatiesnelweg en Blackboard in een vergeethoek dreigt te verzeilen. Voorlopig blijft het gelukkig bij dat ‘dreigt’, en blijven deze pareltjes van primitieve communicatie de obligaat lichtgrijze (dat is rustgevend) muren van onze universiteitsgebouwen sieren.

 

Zo ook aan de Groenenborgerlaan. Met dat verschil dat de valven op die te mijden campus van de universiteit een speeltuin maken. Ik ben verdraagzaam, dat vertelde ik al, maar een universiteit is geen kleuterklas. Boven het fris gewassen wiskundebord sieren de eerste pakweg vijfendertig cijfers van het getal pi in een fraaie parabool de verder kale nieuwbouwmuur. Niet eens een halve meter verder vergapen gewiekste informaticastudenten zich aan de treffende samenvatting van hun studie in een reeks ééntjes en nulletjes. Wie natuurkunde studeert wordt er steevast aan herinnerd dat Nobelprijswinnaar (1921) Einstein de relativiteitstheorie kernachtig in drie letters en een tweede macht wist te vatten. Het meest schrijnend is misschien nog de correctie op die formule, door een aantal ijverige studenten netjes onder de historische formule boven het informatiebord gekleefd. Nu heb ik niets tegen wetenschappers en nog minder tegen zij die er één willen worden, maar dit gaat mijn petje te boven. Een klas in een lagere school met een tijdlijn uit crêpepapier tegen de muur, ja. Een universiteit die wetenschappers opleidt in een kleutertuin, sorry, maar nee.

 

Wanneer ik moet gaan stemmen voor gemeenteraadsleden of parlementariërs, moet ik ook in een basisschooltje met mijn stembrief aanschuiven, omcirkeld door posters van werkwoorden die met être vervoegd worden, en een net takenbord dat duidelijk aangeeft wie deze week de planten water geeft en de klashamster naar huis mag nemen. In de natuurlijke biotoop van een elfjarige zijn die zaken echter niet zo vreemd. Dat ik me bij de verkiezing van een rector van een universiteit laat omsingelen door iconen van een onuitstaanbare debiliteit, is dat wel. Mijn stem is dan ook in een gepensioneerde UIA-bus gevallen. In zo’n saaie houten doos met een gleuf in het deksel en een afgebroken handvat. En tegen de muur hing een lelijk schilderij van een weinig-getalenteerd Antwerps schilder een klein beetje verloren.



de UA en haar studentenclubs
01/02/2004
🖋: 
Auteur extern
Kris Cox (VUAS)

Vele studenten van de UA zijn lid van één of meerdere studentenclubs. Deze studentenclubs vormen een belangrijke factor in het socio-culturele element dat de UA haar studenten wil bijbrengen. Met deze bijdrage willen wij wat meer inzicht verschaffen in de verhoudingen tussen de UA en haar studentenclubs.

Binnen de eengemaakte UA bestaan verschillende departementen. Het voor de studentenclubs belangrijkste departement is dat van de Studentgerichte Diensten met aan het hoofd Bruno De Loght. Dit departement houdt zich bezig met zowat alle sociale aspecten die de studenten aanbelangen. Zo zijn er de studentenhuisvesting, de studentenrestaurants, en dus ook de studentenclubs.

 

Autonomie

De UA heeft ervoor gekozen de studentenclubs in een zo groot mogelijke autonomie te laten werken. Daartoe wordt een kader aangeboden waarbinnen de studentenclubs zelf hun regels en financiering kunnen bepalen. Onder meer omdat dit, met de veelheid aan studentenclubs die de UA rijk is, niet zo eenvoudig is, werd VUAS opgericht.
Eén van de belangrijkere taken die VUAS toebedeeld heeft gekregen, is inderdaad zorgen voor een eenvormige regeling van de erkenning en financiering van de studentenclubs. VUAS doet dit uiteraard niet autonoom, maar in nauw overleg met het Departement Studentgerichte Diensten en met alle studentenclubs. Eén en ander ziet er, zonder al te veel in details te willen treden, als volgt uit. Waar er vroeger, verspreid over de drie Antwerpse universiteiten, verschillende regelingen waren betreffende de erkenning en financiering van de studentenclubs, zijn deze nu voor de gehele UA eenvormig gemaakt.

 

Kringraad

Vooreerst bestaan er twee zogenaamde kringraden. Eén waarin de op de Stadscampus actieve en erkende clubs vertegenwoordigd zijn en één waarin de op de twee buitencampussen actieve en erkende clubs zetelen. Deze kringraden worden geleid door de koepelverenigingen (Unifac voor de Stadscampus, ASK-Stuwer voor de Middelheim Campus en Stuwer-ASK voor de Campus Drie Eiken).
In de kringraden worden allerlei praktische zaken aangekaart die alle studentenclubs aanbelangen en wordt een ideaal platform gecreëerd voor vruchtbaar overleg tussen de clubs onderling. De kringraden staan ook in voor de erkenning en goedkeuring van de financiering van de erkende studentenclubs. Nu, vooraleer iedereen zijn eigen clubje opricht om plaats te nemen in zo’n kringraad en aldus denkt recht te hebben op financiering door de UA, zo eenvoudig is het niet. Eerst en vooral moet een club toegelaten worden tot de betreffende kringraad en dit door de kringraad zelf. Hiertoe dient een club gedurende een bepaalde periode duidelijk gemaakt te hebben dat het haar menens is en dat ze ook werkelijk actief is ten voordele van de studenten. Eens toegelaten tot de kringraad kan de club na een tijdje aanspraak maken op een deel van het voorziene financieringsbudget.

 

Geld?

Dat budget wordt door de UA toevertrouwd aan VUAS, dat op haar beurt een regeling opstelt om het ter beschikking gestelde geld zo rechtvaardig mogelijk te verdelen over de erkende clubs. Zo wordt er een onderscheid gemaakt tussen faculteitsclubs (Wikings, Sofia, Aesculapia,…), regionale clubs (Andoverpia, Klauwaerts,…) en andere verenigingen (ESN, Abundantia, Campinaria,…). Waar de regionale en andere clubs elk recht hebben op eenzelfde vast bedrag, kunnen de faculteitsclubs aanspraak maken op een vast bedrag vermeerderd met een bedrag per student binnen haar faculteit. Ook de drie koepelverenigingen worden op deze laatste manier gesubsidieerd. Tot slot wordt een bedrag voorzien voor de eigen werking van VUAS. Het Departement Studentgerichte Diensten volgt al deze regelingen op en legt ze vast in overleg met de clubs binnen de kringraden.
Nu moet je uiteraard niet denken dat de UA astronomische bedragen voorziet om de TD’s, cantussen,… van haar studentenclubs te financieren. Ten eerste gaat het weliswaar om een aanzienlijk totaalbedrag, maar eens verdeeld over alle clubs blijkt het bedrag dat elke club krijgt best wel beperkt. Ten tweede moeten de clubs verantwoording afleggen voor hetgeen ze doen met het hen ter beschikking gestelde bedrag. Zo mag het bijvoorbeeld niet gebruikt worden voor de betaling van de vaten voor een cantus of de lichtinstallatie voor een galabal, wel bijvoorbeeld voor drukwerk (de studentenbladen). Bovendien moet elke club facturen binnenleveren ter verantwoording van de bestede bedragen.
Zoals je kan zien, is de UA een studentenclubvriendelijke universiteit. Zo hoort het ook. De clubs en hun leden vormen in al hun verscheidenheid immers mee het kloppend hart van deze jonge universiteit.

 

 

Kris Cox,
Secretaris VUAS 2003-2004

 

Namens het VUAS-praesidium: Carla Clé, Michael Verdonck, Jurgen Schelfaut, Giovianni Gijsels, Maaike van Overloop en Kris Cox.



01/02/2004
🖋: 
Auteur

Het interview met Rob Verreyken in dwars 15 bracht de redactie van dwars in een toestand van verdeeldheid. Enerzijds werpen bepaalde elementen een schaduw over het artikel. Anderzijds vult het interview een leemte waar de Vlaamse pers niet of nauwelijks aandacht aan besteedt. Zo voeren de meeste media een uitzonderingsbeleid t.o.v. het Vlaams Blok. We hebben er bewust voor gekozen dit niet te doen en elke politieke formatie op dezelfde wijze te benaderen.

De schaduwzijde van het interview heeft ons inziens niets te maken met het omstreden verleden van Verreyken (negationist of niet?, aandeel in vechtpartijen?, ...) of het Blok in het algemeen, kritiek die overigens wel geuit werd in kringen van zogenaamd linkse studenten. Het is onze overtuiging dat ideeën met ideeën bestreden dienen: wie zich inlaat met louter persoonsgebonden kritiek stelt zich niet boven diegene met wie hij van mening verschilt, integendeel.

 

De oorsprong van het onbehaaglijke gevoel dat de redactie bekroop na publicatie van het interview ligt elders, op het kruispunt van objectieve en geïnformeerde verslaggeving. Wat heet immers objectief: de geïnterviewde ongeremd stellingen laten poneren, zonder aandacht voor coherentie of correctheid? Dat Verreyken ongelijk heeft wanneer hij stelt dat het Blok een traditioneel-conservatieve rechtse volkspartij is, behoeft voor de meeste lezers allicht geen betoog. Subtieler wordt het echter wanneer hij een aantal argumentaties opbouwt gebaseerd op foutief cijfermateriaal. Zo redeneert Verreyken bijvoorbeeld dat de kosten van de taalcursussen die in het inburgeringsdecreet van de Vlaamse regering voorzien zijn in de ‘miljarden’ lopen, op basis waarvan hij besluit dat die cursussen maar beter meteen afgeschaft worden. Klein detail: het volledige budget voor de uitvoering van het inburgeringsdecreet (waarvan de taalcursussen slechts een onderdeel uitmaken) bedraagt iets minder dan tien miljoen euro.

 

Door niet op dergelijke onwaarheden in te spelen, heeft de redactie de geïnterviewde een al te vrijblijvend forum geboden. We hadden ons vel ongetwijfeld duurder kunnen verkopen. We blijven er echter van overtuigd dat dwars als onafhankelijk studentenblad de hand in het vuur moet durven steken en de lezer de kans laten het Blok in alle vrijheid kritisch te benaderen. Dat is de instelling die u ook in de toekomst van dwars mag verwachten.



rectorverkiezing
01/02/2004
🖋: 
Auteur extern
Tom Smits

Vrijdag 16 januari 2004 vonden op de drie campussen van onze universiteit deelverkiezingen plaats met als doel het aanduiden van een nieuwe rector voor onze bijna evenzo nieuwe Alma Mater. Verkozen werd de vierenvijftigjarige voormalige rectorvoorzitter en huidige FWO-voorman prof. dr. Francis Van Loon en dit na een spannende, maar vriendschappelijke verkiezingsslag waarbij uiteindelijk twee stemronden nodig waren.

De gewone student of studente op de campus heeft er misschien niet veel van gemerkt, maar de voorbije twee maanden stonden in het teken van de rectorverkiezingen – met zelfs een heus publiek verkiezingsdebat toe. Afgevaardigden van zowel studenten, assistenten, professoren als technisch en administratief personeel mochten hun stem uitbrengen over wie zij als meest geschikte rector inschatten.

 

De keuze was tussen prof. dr. Karel Soudan (ondervoorzitter Commissie Internationale Relaties van de faculteit TEW), prof. dr. Dirk Van Dyck (departementsvoorzitter Natuurkunde – fac. WET), prof. dr. Francis Van Loon (fac. PSW) en prof. dr. Alain Verschoren (voormalig RUCA-rector en voorzitter van de Onderwijsraad – fac. WET).

 

Een eerste stembusgang vond plaats op vrijdag 9 januari en had tot gevolg dat twee kandidaten (Dirk Van Dyck en Karel Soudan, nvdr.) afvielen voor de volgende ronde. Deze was noodzakelijk omdat geen van de kandidaten meer dan de helft van de stemmen behaalde.

 

Dat was een week later wel het geval: Francis Van Loon kreeg toen 52,15 procent van de stemmen achter zijn naam, Alain Verschoren haalde 47,37 procent van de uitgebrachte stemmen binnen. Zo werd Van Loon – weliswaar met een kleine voorsprong – de eerste verkozen rector van de eengemaakte Universiteit Antwerpen, een taak die hij plichtbewust op zich neemt: “Ik ben ervan overtuigd dat de toekomst van de Universiteit Antwerpen in hoge mate in onze eigen handen ligt en op onze campussen wordt geschreven. Samen kunnen wij er op een dynamische manier aan voortbouwen.”



Erasmus uit
01/02/2004
🖋: 
Auteur extern
Annelies Marichal

En visitant Nice, il faut faire comme les niçois: flaneren langs de Boulevard des Anglais; koffie drinken in de winterzon, die net genoeg warmte geeft om een kat te doen spinnen; op een bank zitten aan het Negresco, dat zonder zomers geklede toeristen pas echt klasse uitstraalt; of een dagje gaan skiën (de pistes zijn immers slechts op een uurtje rijden hiervandaan) … Ik had slechtere bestemmingen voor mijn Erasmus kunnen uitkiezen.

Nice is het goede gemiddelde tussen het veel te drukke en volgebouwde Monaco en het te mondaine Cannes. Eén van de aangenaamste steden in Frankrijk en één van de enige plaatsen aan de Côte d’Azur waar iedereen nog gewoon blijft: zowel de inwoners als de ruim 25.000 studenten voelen zich steeds een beetje toerist.

 

Hoewel ik zeer goede banden heb met verschillende Franse studenten, blijf je als Erasmusser een vreemde eend in de bijt. Ik vraag me af of dat in Antwerpen ook niet het geval is? Niet dat er geen verschillen zijn. Wel integendeel. In de Koekestad zijn er studentenclubs die de massa naar TD’s en galabals lokken en zijn de cafés tot vroeg in de morgen open. Hier is alles om twee uur dicht gaat en er gewoon geen studentenclubs zijn. In Antwerpen zijn er frietkoten en op elke straathoek een pitabar, maar waar vind je daar de eetstalletjes die oesters op straat verkopen, waar kan je koeienstaart en koeienmaag als streekgerecht eten, en waar zijn de restaurants die élke dag eivol zitten, maar waar ze je weken later nog bij naam kennen?

 

Wat vooral charmeert aan het winterse Nice is dat je nergens het gevoel hebt in een grootstad (350.000 inwoners) op meer dan 1000 km van je thuis rond te lopen, maar eerder in dat gezellige provinciestadje waar je altijd gewoond hebt.

 

Ik zal het hier dus missen wanneer ik binnenkort samen met de zwaluwen Nice verlaat, maar zal ook, net als die vogeltjes, het gevoel hebben dat ik eindelijk terug thuis kom.

 

 

Annelies Marichal,
studente Rechten op Erasmus in Nice



Erasmus in
01/02/2004
🖋: 
Auteur extern
Patrick Brauweiler

Warum Antwerpen? Die sprechen da Französisch, oder?! Liegt das in den Niederlanden? Na ja, viel Spaß dann in Amsterdam ... oder wie hieß das noch mal ... ach ja, Antwerpen.

Das sind einige der Reaktionen, die ich bekam, als ich meinen Freunden erzählte, dass ich für ein Semester mit Erasmus nach Antwerpen gehen würde. Das beweist also, dass wir Deutschen im Allgemeinen nicht so rasend viel über unser Nachbarland wissen. Viele meiner Freunde denken, dass es hier nur Pommes und Waffeln zum Essen gibt und tausend Sorten Bier (darunter so unvorstellbare Dinge wie Kirschbier). Belgier sind Bauern, pädophil (Dutroux scheint laut einiger meiner Mitmenschen der einzige belgische Nachname zu sein, den sie kennen) und sprechen meistens Französisch, einige allerdings Niederländisch und damit dann ja auch Deutsch, da Niederländisch ein deutscher Dialekt ist. Gent, Brügge und Antwerpen haben viele Deutsche zwar schon einmal gehört, könnten sie aber schwerlich Belgien zuordnen, geschweige denn auf einer Landkarte einzeichnen.

 

Soweit die Stereotypen, die ich so kennne und die wohl nur teilweise zutreffen. Klar gibt es hier Bier und Pommes, allerdings sprechen nicht alle Französisch, sondern die wunderbare Kultursprache Niederländisch. Die Flamen könnten mal ein wenig stolzer darauf sein und akzeptieren, dass es durchaus Deutsche gibt, die diese Sprache lernen, lieben und wertschätzen (ich zum Beispiel). Einen Dutroux hab ich auch noch nicht kennengelernt und ich muss sagen, dass die Kinder hier einen ziemlich zufriedenen Eindruck machen. Die flämischen Städte sind tolle Kulturstädte. Schöner als Köln und Berlin sind sie mit ihren mittelalterlichen Zentren allemal, ein paar mehr Grünflächen vermisse ich hier allerdings. Hier ist alles halt ein bisschen kleiner, flacher, dreckiger und familiärer. Genau das ist es, was Flandern so nett macht.

 

Lasst euch sagen, ich mag Flandern, Antwerpen, Niederländisch und flämische Kultur. Ich bin hierhin gekommen um Neues darüber zu lernen und um einige der Missverständnisse aus dem Weg zu räumen, sowohl bei mir, als auch bei anderen. Das alles damit Nachbarn endlich Nachbarn werden, trotz der vielleicht schwierigen Vergangenheit und zahllosen Vorurteilen aus Unwissenheit. Darum Antwerpen!

 

 

Patrick Brauweiler,
Erasmusstudent aus Deutschland



cultuurstrookje
01/02/2004
🖋: 
Auteur extern
tov

Over klauwende leeuwen gesproken: voor onze lezers heeft het leven van de Antwerpse dichter Paul van Ostaijen (1896-1928) uiteraard geen geheimen meer (zie dwars 13). Wie zich echter verder wil informeren over de invloed dat het werk van deze activistische jonge leeuw op de Vlaamse poëzie uitoefende, leest er best eventjes het boek Van Ostaijen tot heden op na. Dit ‘toevallig’ 1302 bladzijden dikke werk van UA-professor Geert Buelens verscheen reeds in oktober 2001. Eind vorig jaar sleepte deze laatste De driejaarlijkse Vlaamse Cultuurprijs voor het Essay (de vroegere Staatsprijs) in de wacht met dit meesterlijke literair-historische naslagwerk. Dit zeer gedetailleerde relaas leert ons meer over hoe Van Ostaijen zijn tijdgenoten maar ook latere literaire reuzen zoals Boon en Claus wist te inspireren. Dit alles plaatst prof. Buelens in een ruimer historisch-maatschappelijk kader, zodat het voor iedereen een aanrader wordt. Zelfs voor geneeskundigen is dit werk leesbaar: wist u dat Guido Gezelle’s hersenen 1674 gr wogen? Lang leve het positivisme! Ook in de literatuurwetenschap.

 

 

Geert Buelens, Van Ostaijen tot heden: Zijn invloed op de Vlaamse poëzie. Vantilt/ Koninklijke Academie voor Nederlandse Taalen Letterkunde: Nijmegen/Gent, 2001.



cultuurstrookje
01/02/2004
🖋: 
Auteur extern
af

Zij: halflang rood haar dat met een speldje opzij gestoken is, jong, aantrekkelijk, vormt samen met een blond en een zwartharig wezen een zangtrio dat aanbeden wordt door massa’s kinderen en hun vaders. Hij: kort zwart haar, niet zo aantrekkelijk, ook niet meer zó jong, vader van een zoontje en een dochterje, eigenaar van een pretpark, televisie-papa van een pratende hond. Samen: Gert Verhulst en Karen Damen (K3). Beiden keken ze, samen met zijn kinderen, de eerste dag van de kortste maand van het jaar vanop de twaalfde rij naar de musical The Sound of Music. Ze waren onopvallend gekleed en namen maar net voor aanvang van de hun plaats tussen de massa toeschouwers in. Toch waren er – ondanks de hiervoor vernoemde ‘ik-ben-een-doorsneemens-dus-je-moet-me-niet-aanstaren’-technieken en de vele do-re-mi’s en edelweissen – nog nooit zoveel mensen in de Stadsschouwburg die gemiddeld 37 euro (exclusief 3,5 euro registratiekosten) betaalden om meer naar rij 12 te kijken dan naar het podium ... De kans is dus groot dat BV’s in de zaal niet tot die dingen behoren waar Liesl, Friedrich, Brigitta, Kurt, Louisa, Marta, Gretl, Betsy (zonder haar varken deze keer) en Dokter Jan zo van houden.

 

 

The Sound of Music: tot 22 februari in de Stadsschouwburg te Antwerpen.



cultuurstrookje
01/02/2004
🖋: 
Auteur extern
mh

Zondagavond, kwart over acht. Vijf weken lang trakteert Bart Peeters op lekkere hapjes. Vlaanderen zit aan de beeldbuis gekluisterd. Hersendood, en gelukkig maar. Want het hele gebeuren druipt van het plagiaat, het bedrog, de imitatie. Niets is authentiek, zelfs niet de kin van Gary Hagger. Het decor is afgekeken van de glamoureuze catwalks in Hollywood en Milaan, de kandidaten stuk voor stuk kopies van hun respectievelijke idolen, het vaak ontroerende medelijden van Bart Peeters is geveinsd, en zelfs jurylid Serge Simonart is gedraaid en gekeerd een imitatie van collega Marcel Vanthilt, die met zijn schaamteloze grote mond zijn reputatie probeert hoog te houden.
Niets is geschikter om eens lekker bij weg te zakken in de sofa dan het zien van zoveel herkenbaars. En dat zal televisiekijkend Europa dan ook doen van 12 tot 15 mei. Dat de besten mogen winnen in Istanbul, als ze maar niet te vernieuwend zijn.



op het einde is het woord
01/02/2004
🖋: 
Auteur

De koekestad wordt Wereldboekenstad. Wel wel, maak dat mee. In tegenstelling tot de voltooiing van de werken aan den Boulevard en de Val der Yzeren Noodbrug zullen we het waarschijnlijk – in Antwerpen weet je echter nooit – nog effectief mogen beleven ook. Gaat onze Scheldestad dan toch nog eens iets betekenen? Zal dit project ons meer opleveren dan een gebetonneerde ‘Groen’plaats en een verzameling steenkoppige bobkes ofte struikelblokskes? Meer dan een muffe titel, die hooguit nog meer Hollanders en wat gespuis van over ’t water aanzuigt? Sta mij toe dat ik een beetje skeptisch ben. Een wijs man leert uit het verleden. In Antwerpen niet. Hier lopen alle goede projecten verloren in de visieloze hersenpannen van onze burgervaders: Le Corbusier tekende Linkeroever uit, maar zijn plannen werden troosteloos uitgegomd. Het pre-metronet was zelfs zo goed als uitgegraven voor het werd ondergraven of, in de praktijk, dichtgesmeten. Nee, in Antwerpen leert men niet uit zijn fouten. Op het einde van de rit is er altijd weer geld tekort. De Sinjoor betaalt zich dan wel blauw – afgaande op het VLD-beleid van zogenaamde belastingsverlagingen kan de keuze van de kleur in deze zegswijze geen toeval zijn – aan gemeentebelastingen, maar zijn stad blijft een boerengat. Beste Patrick, probeer met al dat geld al eens eerst één project te verwezenlijken, alvorens u in de Laatste Show of de Frut van de toren komt blazen. Ik weet het, we hebben de hoogste en schoonste van ’t land (en een beetje chauvinisme is zonder meer op zijn plaats) maar 150 projecten zijn en blijven er voor Antwerpen minstens 149 te veel. Neem nu Antwerpen Wereldboekenstad. In godsnaam. Dat heeft niets meer met trots en uitstraling te maken, enkel met gebakken lucht en tragikomedie. Welke stad zonder boeken wordt nu Wereldboekenstad? Antwerpen heeft niet eens een serieuze bibliotheek. Vind maar eens een boek in de Openbare Stadsbibliotheek. Boeken moeten aangekocht worden, geen nieuwe bibliotheek gebouwd in een buurt waar 90% van de inwoners geen woord Nederlands verstaat, laat staan leest. Boekhandels? Die zijn in Antwerpen op één hand te tellen. Eén hand. En die zou ik dan ook nog liefst in ’t Scheld werpen. Een boekenwurm moet kunnen verdwalen tussen de straten van boekenkasten, de torenhoog opgetrokken bronnen van kennis en genot; hij moet de geletterde geur van wit of vergeeld papier kunnen opsnuiven en hem voor een prikje kunnen meevoeren naar zijn belezen thuis. Een Wereldboekenstad zonder boeken, het is gewoonweg belachelijk. Een stapelhuis vol boeken aan het Eilandje lijkt me wel wat, zonder twijfel. Maar gaat die buurt nog ooit echt omhoog komen nu de rode lichtjes er verdwenen zijn? Zoveel potentie zit er niet in, vrees ik. Binnen tien jaar is het niet meer trendy om in zo’n loft te resideren en als het Museum aan de Stroom er tegen die tijd nog niet staat – wat dus heel plausibel is – zal de toevallige passant als vanouds in een knus hoekje kruipen, met een condoom in plaats van met een boekje. Waarom kan zo’n boekenparadijs niet gewoon in het stadscentrum, of nog beter: in de buurt van de universiteit.

 

De Stad heeft genoeg complexen waar ze niets aan doet. En dan zou de student misschien ook eens het gevoel krijgen dat er bij studeren ook boeken horen.Want, zeg nu eerlijk, waar trekt dat op. Eén cursusdienst: tot daar aan toe. Maar die ene miezerige boekhandel, dat is van het slechte te veel. En nog geen beetje ook. Als student moet je al eens een boek lezen. Maar waar haal je dat boek? In voorraad hebben ze bij Acco bijna niks, dus bestel je maar. Heb je na een maand (of twee) echter nog altijd geen bericht ontvangen, ga je gewoon naar Fnac. Daar gaat het gelukkig net iets sneller. Beland je een paar maanden later per abuis nog eens in de vermaledijde handel, zie je het bewuste boek (net als de zeventien exemplaren van je studiegenoten) plots in één van de twee rekken staan. Na een jaar of vier krijg je zo wel een aardig stapeltje bijeen. Net genoeg voor Acco om zich universiteitsboekhandel te noemen. De pretentie! Vele studenten laten zich daarenboven ook nog eens snutten door die ‘fantastische’ ledenprijs, waar je zo’n reusachtige geplastificeerde kaart voor nodig hebt die in geen enkele portefeuille past. Een ledenprijs voor studenten zou moeten inhouden dat de boeken goedkoper zijn dan op een ander. Niet duurder dan bijvoorbeeld bij Fnac, en daar is dan nog geeneens sprake van een zogezegde reductie.

 

Over de openingsuren van de bibliotheken wil ik niet eens beginnen; die uren zelf beginnen meestal ook niet. De Stadsbibliotheek is vaker toe dan open. Geef het personeel eens wat meer respect en loon, dan verandert die verhouding misschien. Het zou tijd worden. U zou misschien eens met rector Van Loon kunnen nadenken over een gezamenlijk bibliotheekbeleid. De UA-bibliotheken scoren namelijk ook niet te best wat betreft opendeurdagen. Zo moet de student tijdens de Kerstvakantie meestal studeren en/of papers schrijven; studie of opzoekingswerk te velde – ik heb het hier niet alleen over de bibliotheken op Campus Drie Eiken – is dan onmogelijk aangezien de eruditie meestal verzegeld is. Kandidaat rector Alain Verschoren beloofde tijdens de verkiezingsdebatten letterlijk veel goeds: langere openingsuren van de bibliotheken, beter openbaar vervoer naar en tussen de campussen. De man heeft het net niet gehaald, ik hoop dat zijn ideeën die eer wel te beurt zullen vallen. Ik ben er zelfs van overtuigd. Toch, Francis? Boek uw agenda maar al vol en zorg er met de burgemeester voor dat Antwerpen niet langer een lege pagina blijft op vlak van boeklievendheid. Waarde bestuurders, maak ons niet bedrukt door Antwerpen Wereldboekenstad te schrijven rond een eeuwenoude drukkerij en een nog ouder brevarium, maar zorg ervoor dat ’t Stad in de hele wereld te boek zal staan als een geletterd paradijs waar, oprecht en eerbiedwaardig, een stroom van woorden doorheen bruist.