01/12/2003
🖋: 

Het leven is de vulling van een potlood, waarvan de atomen ietwat steviger aan elkaar hangen. Het leven is de volle 10 waard op de hardheidsschaal van Mohs. Daar moeten die afstammelingen van de arme Zuid-Afrikaanse boeren, De Beers genaamd, ongetwijfeld van overtuigd zijn. De naam van het wereldwijd grootste diamantconcern is immers het enige wat de nakomelingen rest sinds ene Cecil Roots ging lopen met de eigenlijke business.

Men kan toch spreken van een zakelijk gebeuren als blijkt dat het als business as usual wordt beschouwd Bill Clinton uit te nodigen om een woordje te doen voor de 18 karaats ogen van de dia-monde. Mister former president komt dan ook niet voor een smaragd en een saffier zijn kop laten zien op het feestdisje van de Antwerpse Hoge Raad voor de Diamant. Reken maar dat hij niet kwam vertellen over de pitjes van de peulvrucht van de Johannesbroodboom. Dat hun gewicht van ongeveer 0,2 gram in Byzantium reeds werd gebruikt als gewichtseenheid voor edelstenen en 1 karaat vertegenwoordigt, zal bij hem evenmin zijn opgekomen.

 

Gewroet in de waspan

Om je ruwe kennis van diamant bij te slijpen, kan je je beter naar het Diamantmuseum naast de Zoo begeven. Op interactieve wijze kom je er te weten dat ‘berooide gelukzoekers’ – oftewel beschonken studenten – op handen en voeten op strand gingen zoeken naar de edelste der stenen, en dit tot 20 meter onder de zeespiegel, tot 200 meter in zee, achter dijken van 20 meter dik. De lange levensloop van de begeerde briljant die te koop wordt aangeboden in de stationsbuurt, wordt uit de doeken gedaan. Van het gewroet in de waspan tot het live slijpen. Zelfs het mysterie ‘Diamonds are a girls best friend’ wordt verklaard. Zijn meisjes niet het hardste materiaal, de beste thermische geleider en zijn ze niet lipofiel? Dit mysterie biedt bijgevolg ook de mogelijkheid de dames onder de loupe te nemen en de pareltjes te sorteren op basis van de 4 C’s: carat, cut, clarity en colour. Indien nodig kan tevens worden gequoteerd op nutswaarde, voor de industriële diamant althans. Voor alle duidelijkheid: onder nutswaarde verstaat men in deze een goede vorm met scherpe kantjes. Trouwens, ‘Antwerp cut’ is sowieso een summum standaard.

 

Emeraude, ovaal of markies

Die overtuiging was Ivan Lendl ook toegedaan toen hij in 1985 voor de derde keer in 5 jaar het ECC-toernooi won. Sindsdien heeft hij nooit meer mineraalsupplementen moeten slikken. Dat racket bezet met $1000.000 van het zwaarste mineraal heeft wel volstaan als ultiem supplement rechtstreeks uit de afgekoelde kernen van de oude continenten. Laat dit een bewijs zijn dat het afremmen van de lichtsnelheid en het verstrooien, weerkaatsen en breken van het licht niet alleen ebbehouten berinnen het hoofd op hol brengt. Weet ook goed dat de hoeken waarin de facetten tegenover elkaar staan er weinig toe doen. Emeraude, ovaal of markies, het is het gebaar dat doortelt wanneer de juffertjes het presentje rond hun ranke hals hangen of over hun porseleinen vinger schuiven. Die hersenspinsels spelen je door het hoofd als je voor de pronkramen van de voorstelling van de Art Décosierraden blijft kleven. Deze pareltjes van edelstenen hebben hoegenaamd geen roze lichtje nodig om hun verleidelijkheid te accentueren.

 

Wetende dat zo een schaars materiaal in Antwerpen waarlijk een economie, beurs incluis, doet draaien, is het geoorloofd te stellen dat de titel van de expositie “diamant, realiteit en passie” perfect gezaagd, gekliefd, gesneden en geslepen is.



het andere kaffee
01/12/2003
🖋: 
Auteur extern
Thomas Liekens

Een stad zonder cafés is geen stad. Het is een lege huls van beton en staal zonder ziel, een plek waar mensen gaan om droomloos te slapen. Een Café geeft een verzameling huizen en flats een epicentrum. Het zijn ontmoetingsplaatsen; vriendschappen ontstaan er, gedijen er en vergaan er soms zelfs. Cafés zijn net zo noodzakelijk als dure culturele instellingen. Waar zou je anders na de film of de tentoonstelling naartoe moeten om nog eens goed na te kaarten?

Hier in Antwerpen kunnen we niet klagen. Een rivier, een kathedraal en een verzameling cafés van de meest uiteenlopende soorten. Van hoogstaande bistro over tearoom naar studentenkroegen en terug. Als universitairen kennen wij natuurlijk vooral die laatste soort. Het is waar wij samenkomen en waar we in verschillende stadia van zattigheid meelallen met de cantor. Maar er is een bepaald type cafeetje dat een beetje in de verdrukking dreigt te komen door al die studentenlol. De Bruine Kroeg.

 

Het begrip broan café is moeilijk te definiëren, maar je weet meteen wanneer je er een binnenstapt. En net dat binnenstappen in onbekende rare kroegen lijken wij studenten verleerd te hebben. Dus gaan wij aan de alarmbel hangen. Wij zijn namelijk stuk voor stuk op een bijzondere manier begaan met de Antwerpse bruine kroegen. We komen er graag of we hebben vreemde affecties voor dronken mensen die beweren dat ze de Beatles nog mee hebben gesticht (‘Geft de Georg er nog ene Mark, sebiet begint em wer over de Stones’) Zo gingen we onbevreesd op reportage (alles voor de lezer) en doorstonden koffie met gruis en Tournées Generales om een nóg beter inzicht in de Bruine Kroeg te krijgen. En als u nu denkt dat wij onverbeterlijke tooghangers zijn die niet weten wat werken is hebt u het mis. Wij werken … in Bruine Cafés. Zo kunnen we het fenomeen zelfs van twee kanten belichten. Van ‘Voor’ en ‘Achter’ de Toog. Een belangrijk verschil, aangezien de barman nuchter is. Meestal toch.

 

We hopen dat het lezen van onze ervaringen u nieuwsgierig maakt zodat u zelf op een koude namiddag de Pelikaan binnenstapt in plaats van de Muze (de koffie is er trouwens beter). Zodat u de volgende keer dat u werk zoekt eens in Den Babylon gaat kijken of er geen tap-plaatsje vrij is. Zodat meer mensen van deze schitterende keten kunnen gaan genieten en kennis maken met een van de speciaalste en leukste kanten van onze écht mooie stad.



het andere kaffee
01/12/2003
🖋: 
Auteur extern
Geert Van der Hallen

We kennen allemaal de rumoerige studentencafés waar schuins kijkende harlekijnen in presidiumlinten baldadig pinten achterover kappen, en ieder van ons heeft op een verdrongen blauwe maandag al eens een gewaagde, avant-gardistische versie van Bohemian Rhapsody ten beste gebracht in een karaoketent aan de Grote Markt. We weten allemaal hoe we stijlvol mee moeten knikken met bebopsolo’s in rokerige jazzkroegen, en zijn op de hoogte van de meest blitse moves en pepdrankjes in de nouveau-chic-designer-lounge (nu en dan ook wel eens verkeerdelijk voor alternatief aangezien) dansgelegenheden op het Zuid.

Maar wat weten we eigenlijk van de bruine cafés van ’t stad, die donkere keten die zelden of nooit door een jong, enthousiast en trendy cliënteel worden aangedaan, maar bevolkt worden door stug voor zich uit starende eenzaten, eeuwige drinkers en dobbelaars, mislukte schrijvers en randfiguren van allerlei slag. De legendarische, ondertussen al jaren opgedoekte Double Trouble zal sommigen onder u ongetwijfeld in herkenning doen grijnzen – misschien hebt u er wel eens coke gesnoven op het toilet of uw roes op de grond uitgeslapen – maar dat was dan ook een van de beruchtste Antwerpse cafés, eentje dat tot ver buiten de bruine regionen van ‘t stad bekend was.

 

Er zijn echter ook etablissementen als den Babylon, De Kat, De Pelikaan, Café Jozef (waar gangsters en opoes nog samen walsen) en In de stad Aalst, beter gekend als ‘den Olst’. Deze kroegen zijn weliswaar erg divers van klandizie en atmosfeer, maar delen allemaal hetzelfde kenmerk: ze gaan niet mee met de bruisende flow van jonge feestgangers. Bijna dagelijks lopen we er voorbij, maar we voelen ons nooit geroepen om een stapje binnen te wagen en voor de verandering eens een pint mét kraag te bestellen. Niet dat de bruine cafés en hun dito klanten reikhalzend uitkijken naar het evangelische lawaai van een stel TD-gangers, maar ze vormen wel het ideale groezelige decor voor een gezellig nachtje roezen met uw meest uitgelezen drinkebroers. U kunt er de gezelligste Fransen tegen het lijf lopen en, indien u zelf voldoende beneveld bent, naar de meest fascinerende redevoeringen en vertelsels luisteren. Soms moet u weliswaar tegen uw zin platitudes uitwisselen met al te melancholieke zatladders en uit volle borst “I was born under a wand’ring star…” meezingen, maar u gaat in ieder geval een eigenaardige nacht tegemoet. Romantici kunnen er altijd terecht om een traantje weg te pinken in de bijna verloren volkse sfeer, of om getormenteerde gedichten neer te pennen over verloederde flipperkasten en gebarsten glazen.

 

Drinkt u graag eenzaam en alleen, dan bent u in de bruine kroeg meer dan welkom. Men zal u begrijpen en, eerlijk, geen studentenliederen in uw oor komen brullen. Voor astmatici zijn de bruine cafés spijtig genoeg af te raden. De gemiddelde bruine klant is geen gezondheidsfreak die, wanneer hij ’s ochtends de deur van zijn kroeg achter zich dichtslaat, beslist om maar meteen aan zijn dagelijks rondje joggen te beginnen. Hij drinkt en rookt en doet dat deksels goed. Wat kan hem de wereldtitel honderd meter sprint schelen, of een zitje in de directiezaal van ING? De extra propere vitamine C formules van Colgate en L’Oréal kunnen hem gestolen worden, hij geeft er niet om of liefde nu al dan niet een zuiver chemisch proces is, en hij hoopt dat er na dit leven geen ander meer komt, begot. Geen wonder, hoor ik al, dat men ons daar met geen stokken binnen krijgt.

 

Ik ben me er dan ook terdege van bewust dat dit stukje geen uitgelezen publiciteit is voor de bruine staminees. De student zal er geen TD’s, cantussen of topless diensters aantreffen, geen gratis vaten en uitbundig vertier, geen lekkere wijven op de toog. Hoogstens een stel zatte zotten met waterige oogjes, kwijlend op hun baarden, die hevig gesticulerend pleidooien voor de mensheid houden, de fascisten vervloeken en de communisten bespotten, of die, met de armen op tafel gekruist, diep in hun glas staren en helemaal, helemaal niks zeggen.



het andere kaffee
01/12/2003
🖋: 
Auteur extern
Bart Van Put

Op een ietwat gure dinsdagnamiddag trek ik met pen, papier en een stevige fond (frieten met andalouse) in de maag op onderzoek naar een interessant volkscafé in het centrum van Antwerpen. Een typisch voorbeeld van zo’n bruin café is Den Billenkletser in de Hoogstraat.

Een typisch voorbeeld van zo’n bruin café is Den Billenkletser in de Hoogstraat. Den Billenkletser is waarschijnlijk een illustere onbekende onder de beruchte Antwerpse cafés (zoals er zijn Den Engel, Café Jezus of zelfs Het Hemeltje), maar het is klein, gezellig en goedkoop. Zodra je binnenkomt weet je dat je in een echte bruine kroeg bent beland: rood-wit betegelde vloeren (niet zo heel proper meer), ietwat vermolmde houten tafels en stoelen, de iets goedkopere schilderwerken tegen de muur en een geur van bier, koffie en sigaretten die halsstarrig weigert op te trekken. Maar het is vooral de toog die direct mijn aandacht trekt. De bovenkant is versierd met verschillende soorten maskers, allemaal bruin geverfd, zodat ze in het geheel opgaan.
Temidden daarvan hangt een soort voorhistorische tuba. Niet direct iets wat een ereplaats in het S.M.A.K. zou krijgen – hoewel, met Jan Hoet weet je nooit – maar het getuigt toch van een kroegbaas met smaak (op de schilderijen aan de muur na dan). Bijzonder komisch is de collage van krantenkoppen die net onder de maskers is opgehangen. Een kleine bloemlezing: “Hoera, we kunnen betalen!”, “Vera doet het op het stort”, “De kroegbaas is negentig”, en daaronder “maar nog lang niet versleten”.
Ook de drankenkaart is het bestuderen waard: aspergejenver? Ik kom even in de verleiding, maar laat dan toch de kelk aan mij voorbij gaan (het is tenslotte nog maar middag) en bestel gewoon een pint. Maar dé bevestiging dat ik hier wel degelijk in een echte bruine kroeg zit, komt wanneer ik mijn glas bier voorgezet krijg. GOLDING CAMPINA! De meest zeldzame en ondergewaardeerde pils van de lage landen. Alleen daarvoor al zou je met plezier naar Den Billenkletser gaan.

 

Nadat ik mij mijn eerste slokken gerstenat voortreffelijk heb laten smaken, wordt mijn aandacht getrokken naar het gesprek dat zich tussen een klant en de cafébazin afspeelt. De man, verlepte vijftiger, vertelt zijn niet zo rooskleurige levensverhaal aan de dame achter de tapkast. Hij heeft heel zijn leven zwarte sneeuw gezien, een ongelukkig huwelijk gehad, en op de koop toe is zijn dochter er nu met ne Marokkaan vandoor. “Ik zèn al iel men lèven ongelukkig gewest”.
De bazin draait ostentatief de muziek luider, zodat niet gans het café in de diepste krochten van ‘s mans ziel wordt meegesleurd. Gelukkig zit ik strategisch genoeg om te kunnen horen hoe zijn retorische uitspattingen hem meer en meer van zijn onderwerp doen afdwalen. Wanneer hij dat uiteindelijk doorheeft, is het spijtig genoeg al te laat: “Tiens, woar wazzek nà wer gebleve?”. Beseffend dat hij het laatste kwartier heeft liggen zwammen als een dronkaard (wat hij absoluut nog niet was, hooguit wat... aangeschoten), biedt hij zijn excuses aan aan de man naast hem, waarop die laatste kurkdroog repliceert: “O, ge moet aa da ni aantrekke, ze. Bij mij is da ‘t iejn oor in en ‘t ander oor oat!”.
Ik moet heel hard mijn best doen om een lachkramp te onderdrukken. Plots doet onze babbelzieke tooghanger iets wat ik totaal niet van hem verwachtte: hij richt zich op en trekt aan de bel die boven de toog hangt: Tournée Générale! De overige zeven klanten in het café feliciteren hem met zijn ondernemingsdrift, en bestellen prompt hun consumptie. Ik help mezelf aan nog een pintje (al het tweede dat ik zomaar van hem krijg). Ondertussen ben ik namelijk zelf met hem in gesprek verwikkeld geraakt. Hij blijkt een zeer aangename en vlotte kerel te zijn; een echte stadspoeper. Alleen jammer dat zijn stream of conciousness wel heel rare kronkels vertoont: “Opgepast! Rijmen en dichten, zonder de mensen op te lichten; koffiebonen van Tsjernobyl, men smaakt toch niet het verschil!”

 

Na enige tijd besluit ik om mijn schup af te kuisen, en reken af. Ik neem afscheid van mijn gesprekgenoot, en “in de hoop binnenkort mijn intrest te mogen berekenen” wenst hij mij een behouden thuiskomt toe. Een ogenblik later waggel ik weer door de stad, die opvallend wazig geworden is. Die fond mag volgende keer gerust wat dikker zijn!



het andere kaffee
01/12/2003
🖋: 
Auteur extern
Dennis Van Tilborg

Bruine kroegen allemaal goed en wel maar een ding is zeker: een kroeg kan niet zonder bier. En wie tapt dat bier? Juist: ik. Of daar is dan toch veel kans toe als je toevallig de Plansjee komt binnengestrompeld.

Waar dan vroeger die bekende zoete geur je tegemoet kwam en je hier en daar nog wat verdacht poeder kon wegvegen of -snuiven al naargelang je stemming, moet je het dezer dagen doen met een iets minder exotische tabaksgeur en als er al iets wit op de toog ligt zal het wel eerder Cif zijn dan wat anders. De Plansjee mag dan inderdaad wat aan pit verloren hebben met de jaren, het blijft nog altijd een gezellige keet met lekker bier, propere glazen, een toog die niet plakt en enkele van de meest hardcore bruinekroeggangers van Antwerpen. We wijken echter af. Het ging hier dus over mij, de barman. De verschaffer van bier. De god van de drankzuchtige. Maar misschien vooral de biechtvader bij uitstek van de vele verscheidene klanten. Want in tegenstelling tot wat de meesten onder jullie waarschijnlijk denken, is dat de belangrijkste taak van de barman. Drank schenken kan iedereen, waar het op aankomt is dat je een entertainer bent. Mensen zijn sociale wezens met de nood tot interactie en waar beter die te vinden dan bij de barman. Hopeloos gevangen achter zijn toog is ie zo goed als verplicht al jullie zieleroerselen te aanhoren. En jullie roeren wat af, hoor. Sterke vehalen a volonté en trains of thought die soms duidelijk een paar sporen verkeerd zitten. Maar via al die verhalen leer je je klanten ook beter kennen en banden ontstaan. Je wordt uitgenodigd op de meest bizarre feestjes en je ontmoet de vreemdste mensen. Saaie momenten worden een ding van het verleden als barman van een bruine kroeg. Tenzij je café leeg is natuurlijk.

 

Maar dat was gisteren zeker niet het geval. Helemaal versuft van een dagje op ons aller favoriete universiteit zet ik volledig uitgeregend mijn fiets tegen de gevel van de Plansjee. Ik heb al betere beginnen van een werknacht gekend. Eenmaal binnen echter begin ik geleidelijk aan in de stemming te komen. Bijna alle klanten zijn stamgasten en ik voel me onmiddellijk weer thuis. Dit is de plek “where everybody knows your name”. Een klant komt binnen en begint bij een bolleke te vertellen over zijn levensfilosofie: hij is vegetariër, mediteert, doet aan yoga, allemaal om zo zuiver mogelijk te leven, fysiek zowel als mentaal. Hij is zen. Verre zij het van mij om dit tegen te spreken natuurlijk, maar als diezelfde klant dan even later halsstarrig blijft beweren dat hij al betaald heeft, moet ik toch wel zijn niveau van zen-zijn vriendelijk in vraag stellen. Miraculeus genoeg komt de man dan plots tot inzicht waarop hij betaalt. Hopelijk wordt zijn vergissing niet meegerekend op Boeddha's karmalijstje. De avond verloopt verder vrij rustig. Er komen nog enkele Amerikanen binnen die me vertellen dat zij nooit met muntstukken betalen maar altijd met briefjes. Muntstukken gooien ze thuis in een potje om te sparen. Aangezien ze hier geen eigen potje hebben, gooien ze hun kleingeld dan maar in dat van mij. K’ching! Best wel toffe mannen die Amerikanen.

 

Rond half drie zitten er enkel nog vaste klanten en kan de deur op de grendel. We pakken er allemaal nog eentje, hier en daar wordt de tabak ingewisseld voor wat steviger spul en ik kan ondertussen rustig beginnen met afsluiten. Wat later staan we allemaal buiten en trek ik de sleutel uit het slot. De nacht is nog jong, dit is het moment waarop het pas interessant wordt in Antwerpen. Op naar de volgende bruine kroeg dus, nu is het mijn beurt.



Al lezend door de buik van de stad met prof. em. Jacques Claes
01/12/2003
🖋: 
Auteur extern
Gert Van Langendonck

Stel je eens voor, … je bent een oude man geworden; Oud van jaren welteverstaan. Je hele leven was je academicus, hoewel eigenlijk maar gewoon hoogleraar in pakweg de psychologie aan de universiteit van Antwerpen, maar dat mag nu niet meer, want het pensioen is aangebroken. Antwerpen blijft liggen waar het ligt, de Schelde stroomt verder naar de zee, maar de deuren van de universiteit worden onherroepelijk gesloten. Wat doe je dan? Het overkwam Jacques Claes en hij schreef een boek … van mensen en steden.

Met enige schroom ga ik op zoek ga naar de juiste woorden om dit pittoreske boekje te omschrijven. Het is namelijk een heel intiem werkje geworden, vol knipogen en verwijzingen, ontboezemingen, humor en fijne taalspelletjes. Je leert er de mens Claes (ik zou al bijna Jacques zeggen) mee kennen als liefhebber van steden, van de stad, van ‘het stad’.

 

Die verfijnde speelsheid die zo eigen is aan dit boek begint al nog voor je de kaft opendoet. Als illustratie werd namelijk een kleurige antieke stadskaart van Antwerpen gekozen waarop, net na de laatste letter van de boektitel, jawel, het oude Hof van Liere, inmiddels het kloppende hart van de UA staat. Een knipoog naar een vorig leven?
En ook de tekst zelf is een strak gestructureerd maar speels uitgewerkt geheel. Een deeltje over de stad die ruimte toont (richting, boven en onder, open en gesloten) krijgt als tegenhanger de stad die tijd meldt (ritme, tijdperken en toekomst). Telkens komen in korte gestileerde tekstjes, het lijken wel cursiefjes, typische aspecten van het stadsleven aan bod. Op onverwachte plaatsen duiken filosofische beschouwingen op over mens en samenleving die stralen van eenvoud en verfijnde ironie. En tenslotte is het boek doorspekt met zoveel verwijzingen naar concrete Antwerpse gebouwen, wijken of gebeurtenissen dat het boek even goed te gebruiken en veel beter te smaken valt dan de steriele gekloonde gidsen uit toeristenkiosken. Herhaaldelijk duiken overbekende Antwerpse straten en monumenten op, worden even vanuit een onverwachte hoek belicht om afgelost te worden door alweer een groter en nieuwer beeld, straat, plein of gebouw. De onuitputtelijke rijkdom van Antwerpen wordt hier gebracht met de afstand van een echte filosoof maar ook met de warme betrokkenheid van een echte stadsmens.

 

‘Van mensen en steden’ is een spitsvondig boek geworden, ook letterlijk, een ode aan de spits van de kathedraal. Je voelt dat je een boek leest van een mens die over de stad nadenkt, maar ook méévoelt. Een man die hier eindeloze wandelingen heeft gedaan, alleen met zijn gedachten. Van kind tot emeritus was hij thuis in zijn stad, die hij door en door kent. En wanneer de auteur soms wat te scherp wordt, wanneer je een mening niet kan delen of een wat al te vrije associatie niet meer volgen kan, toch blijf in je in iedere zin, in ieder woord de stad ruiken en proeven. Antwerpen wordt zo anders, hoger en lager, opener en geslotener, meer binnen en buiten de tijd.

 

Na het lezen van de laatste zin van dit kabbelend stukje fijne proza, waar staat: “de stad is het geprivilegieerde oord, waar te zien is hoe de hoogzwangere werkelijkheid zich in telkens nieuwe barensweeën probeert te verlossen…”, ja …, dan heb je als lezer alleen maar amen te zeggen. En met een warm gevoel stort je jezelf weer in de drukte van alledag.

 

Iedere student die in deze stad graag wil thuiskomen moet dit boek maar eens lezen.

 

 

Gert Van Langendonck
De auteur is verbonden aan de Pastorale Dienst van de UA



cultuurstrookje
01/12/2003
🖋: 
Auteur extern
af

Stel je voor: je bent student en je gaat graag naar musicals kijken. Omdat musicals veel geld kosten, en je net tot die bevolkingsgroep behoort die verondersteld wordt geen geld te hebben, zet je die hobby op een laag pitje. Maar dan krijg je in heel Antwerpen te lezen dat Chicago in volle West End-stijl naar België komt. Dit kan je natuurlijk niet aan je voorbij laten gaan. Je schraapt dan ook al je geld bij elkaar om aan de 56 euro te geraken die nodig is voor een plaatsje op één van de eerste rijen en spurt naar de Stadsschouwburg. Daar aangekomen gooi je je fiets tegen de muur en ga je naar de kassa, helemaal verregend, je haren volledig in de war door de wind, een losse broek, slobbertrui en basketters aan. “Een ticket voor Chicago alstublieft, ergens vooraan.” Repliceert de kassierster: “U bent student zeker?” “Euh, ja.” ‘Dat dacht ik al. Als u een studentenkaart hebt, krijgt u 50 % korting als u uw ticket komt halen op de dag dat u de musical gaat bekijken.’ Je hebt er geen idee van hoe euforisch deze woorden iemand kunnen maken...

 

 

Nog van 17 februari tot 7 maart in de Capitole te Gent.



cultuurstrookje
01/12/2003
🖋: 
Auteur extern
bb

Onze stad is met haar vele culturen een walhalla voor dichters. Toch heeft één man het monopolie van stadsdichter. Hij mag jaarlijks een stapeltje gedichten bijeenschrijven dat overal gepubliceerd wordt. Waarom krijgen anderen geen kans? Neem nu Bert Bevers, heeft u die naam ooit al gehoord? Is hij daarom slecht? Mag hij niet een keertje poëet van de stad spelen? Hij heeft toch ook recht op meningsuiting, op publicatie? Hij kan vermoedelijk zijn mannetje staan naast Claus, Elsschot en de Coninck, alleen is hij niet bekend. In de gedichtenbundel ‘Antwerpen - De stad in gedichten’ zijn een aantal van zijn werken verschenen, net als die van enkele andere onbeminden. Omdat ze de moeite waard zijn. Omdat Antwerpen bij elke mens poëzie oproept. Daarom moet natuurlijk niet iedereen zijn ding gaan doen in een gedichtenbundel over onze stad. Vereisten zijn enig schrijftalent, en verbondenheid met Antwerpen. Ja zelfs betrokkenheid is noodzakelijk. Er zijn voldoende dichters die hieraan voldoen. Geef ze dan ook hun plaats.



cultuurstrookje
01/12/2003
🖋: 
Auteur

Wij vroegen aan honderd Vlamingen: waaraan denkt u als ik zeg “Suske & Wiske”. En wat anders kon het antwoord zijn dan: aan alliteratie, Germaans rijm, stafrijm, beginrijm, of in de volksmond ook wel paranomeon. Want wat anders kan een beginnende lezer blijvend boeien, wat anders verricht slogan na slogan commerciële wonderen? En wat anders heeft de kracht om snorrende snorren, brullende bergen, adellijke arken en tedere Tronicas met elkaar te verbinden, dan het poëtische spel van klemtoon en rijm, dat reeds in ver vervlogen tijden de dichterlijke honger onzer voorvaderen stilde? (We kunnen onze francofone medemens dan ook enkel benijden om zijn helden Bob & Bobette.) Herhalingen zijn immers niet altijd symptomen van inspiratieloosheid. Aan titels van menig stripalbum geven ze een extra dimensie. En ‘ze bekken ook zo lekker’. Wat wil een auteur nog meer. Vraag het maar aan Willy Vandersteen.

 

Suske & Wiske, De Duistere Diamant, album 121.



cultuurstrookje
01/12/2003
🖋: 
Auteur extern
wdr

‘Gaat dat arrogant kereltje de hele avond niets anders doen dan zijn middelmatige teksten voorlezen?’

 

Niet echt, maar die teksten leveren wel spektakel op. Lanoye huppelt met woorden en voeten over het podium en geeft zijn werk een levendigheid die het op papier mist. Gesp je vast voor een hobbelige kermiskoers door het Vlaamse land! Boer Leo, de koning van de ‘Tapiplèn’ in West-Europa, op het golfveld tegenover een Waalse ‘franskiljon’. Een sm-homobar, ergens te lande. Liefde, dat is voor Getuigen van Jehova en heteroseksuelen! Een zelfmoordsuite van bladgoud in de hoofdstad van het rijk voor een verbitterde kolonel die alles had behálve een glorieus vaderland. Een lijkwagen defileert door de lintbebouwing, de geest van de overledene groet de koterijen. De rondvliegende aardkluiten uit WO I vermengen met rode zaadklodders. Shellshock, ergernis en amusement verzekerd!

 

Veldslag voor een man alleen, Tom Lanoye, tot en met december op tournee in Vlaanderen.