de dwarsdoorsnede

28/02/2019
[waar kunnen we landen?] (© [Rin Verstraeten] | dwars)
🖋: 
Auteur

dwars slijpt het virtuele fileermes en gaat langs de graat van boeken, films, series, games, muziek, theater, haarproducten en rubberen eendjes. Deze keer las onze redacteur het boekje Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het Nieuwe Klimaatregime van Bruno Latour.

Als er één zaak is waar iedereen een mening over heeft, is het de klimaatverandering. Van Donald Trump en klimaatnegationisten tot Anuna De Wever die oproept tot spijbelen om de politici in beweging te zetten; het (politieke) spectrum aan meningen is zeer divers. Bruno Latour betoogt in zijn boek dat we niets van de politiek van de laatste decennia kunnen begrijpen zonder het vraagstuk van het klimaat en de verschillende visies daarin centraal te stellen. 

Dat de kwestie bovendien rechtstreeks verbonden is met ongelijkheid en onrechtvaardigheid, blijkt uit enkele parallellen die Latour trekt tussen vier historische gebeurtenissen. Hij kiest hier expliciet voor de verkiezing van Donald Trump, de terugtrekking van de Verenigde Staten uit het klimaatakkoord van Parijs, de toename van migratie ten gevolgen van oorlog en klimaatverandering, en de Brexit. Het ideaal van een gedeelde, geglobaliseerde en gemoderniseerde wereld wordt door verschillende elites overboord gegooid en vervangen door ontkenning van de klimaatmutaties en of een hang naar een terugkeer naar de eigen bodem.

Hoewel dat idee van ontkenning veel weg lijkt te hebben van een complottheorie à la Joke Schauwvliege, weet Latour het zeer overtuigend neer te zetten. Ontkenning is slechts een van de mogelijke reacties op de veranderingen die we doormaken. Volgens Latour is het dan ook noodzakelijk om een kaart te tekenen met de posities die ingenomen worden in het politieke landschap en hoe die posities door klimaatmutaties onder druk komen te staan en hoe een nieuwe gedeelde oriëntatie naar voren komt. Maar wat is die nieuwe oriëntatie dan en hoe springen we er het best mee om?

Het omgaan met de aarde, ons begrip van modernisering en het geloof in technologische vooruitgang staan hier duidelijk ter discussie. Dit is ook het doel van de reeks Kantelingen van Octavo, waar dit boek deel van uitmaakt. Hierin worden wetenschappelijke inzichten omtrent deze problematiek voor een ruim publiek toegankelijk gemaakt en in een historisch perspectief geplaatst. In een essay van 125 pagina’s zo’n complexe materie uit de doeken doen, is geen makkelijke opgave, maar Latour is er relatief goed in geslaagd.

Het idee dat het ideaal van globalisering en modernisering niet houdbaar is, is niet nieuw. De manier waarop Latour dit doet, is daarentegen wel vernieuwend. Hij koppelt dit idee aan de klimaatmutaties en de idee dat niet enkel mensen als actoren gezien moeten worden. De aarde zelf wordt in de uiteenzetting van Latour omgetoverd van omgeving naar actor, wanneer zij reageert op acties van de mens. Bovendien worden mensen 'gereduceerd' tot aardbewoners die samenleven met andere aardbewoners. Dit zorgt voor veel stof tot nadenken, want als wij niet de enige actoren zijn, is het antropocentrisch wereldbeeld dan nog wel houdbaar? Wat met dieren, planten... de aarde?

Tijdens het lezen zweefde ik tussen hoop en wanhoop. Hoop vanwege het vooruitzicht op een nieuwe politieke omgang met de aarde waarin iedereen zich zou kunnen vinden. Wanhoop omdat het lijkt alsof de tekst geschreven is als een race tegen de klok waarbij het eigenlijk niet vijf voor twaalf is, maar eerder half één. Niet enkel de klimaatproblematiek geeft je het idee dat het een race is. Latour geeft namelijk vanaf de eerste bladzijde al genoeg denkstof; soms te veel om op korte tijd te verwerken. In zijn betoog hanteert hij een heel aantal concepten die soms op zo’n snelheid de revue passeren dat je onmiddellijk vergeten bent welke betekenis eraan toegekend wordt. Nogal lastig wanneer dat concept na veertig pagina’s opnieuw opduikt en de betekenis je totaal ontschoten is.

Waar kunnen we landen? is een boek dat je ondanks moeilijke concepten doet nadenken over je eigen positie op de politieke kaart, de klimaatverandering en de toekomst. Het biedt bovendien niet enkel een schets van de politieke situatie, maar ook een mogelijke oplossing. Deze oplossing is concreet, maar tegelijkertijd vaag genoeg om interpretatie mogelijk te maken en je als lezer toch te doen hongeren naar meer. 
 

Technische informatie:
ISBN 9789490334253 - € 19,50 - 132 pag. - distributie Epo - uitgeverij Octavo 



de dwarsdoorsnede

28/02/2019
Wannes Van de Velde (© onbekend | dwars)
🖋: 

dwars slijpt het virtuele fileermes en gaat langs de graat van boeken, films, series, games, muziek, theater, haarproducten en rubberen eendjes. Ditmaal waagt onze redacteur zich aan een biografie, en wel over een voor Antwerpen heel bijzonder persoon: de stadsdichter avant la lettre Wannes Van de Velde. Het boek Wannes - Hier is hem terug, door Dree Peremans sr., verwijst met zijn titel naar het lied Hier is em terug dat Wannes schreef na zijn herstel van leukemie, de ziekte die hem helaas twee jaar later, in 2008, toch nog fataal werd.

Wannes Van de Velde was een muzikant die vooral bekend is van zijn liedjes in het Antwerps, geïnspireerd op oude volksmuziek. Wannes groeide op tijdens de Tweede Wereldoorlog en begon zijn carriere als beeldend kunstenaar. In zijn biografie lees je hoe hij dan via de gitaar en zijn levenslange passie voor de flamenco uiteindelijk vooral bekend werd als de eigenzinnige, bebaarde zanger met een groot hart.

 

Je kan dit boek gerust een klassieke biografie noemen. Het begint bij de geboorte van Willy - Wim - Wannes Van de Velde en eindigt met zijn dood. Intussen leer je de personen en plaatsen kennen die een rol speelden in het leven van de Antwerpse zanger, en wordt er ook regelmatig historische context gegeven. Met een goede vijfhonderd bladzijden neemt het boek rustig de tijd om zijn onderwerp uit te diepen. Het meandert langs personages en gebeurtenissen uit Wannes’ leven, waarbij je zeker geen coherent verhaal moet verwachten, eerder een verzameling van kleine schetsen, gerelateerde feitjes en anekdotes.

 

Cover (© rr)
© rr

Het hart van het boek ligt in mijn ogen bij de woorden van Wannes Van de Velde zelf, die overvloedig aan bod komen in uittreksels uit interviews, geschriften en liedjesteksten. Wannes was een meeslepend verteller en als hij de geuren van zijn straat beschrijft, word je verplaatst naar een andere wereld. Tegelijk zijn die verhalen ook zo intens van kleur dat ze soms lijken te zweven op de rand van de legende, als volkse verhalen uit een oude overlevering waarin de grens tussen feit en fictie vervaagt. Toch weet Dree Peremans dan wel te nuanceren en worden verhalen waar mogelijk afgetoetst aan andere bronnen en worden contradicties aangewezen. Maar zoals het gaat met levensverhalen, zijn ook bij Wannes de nevelen van de tijd soms in staat de ware toedracht te versluieren.

 

Als je op zoek bent naar een pageturner of een boek dat leest als een roman, dan laat je deze biografie best links liggen. Wat je wel kan verwachten, is een goed beeld van een artiest, de artistieke milieus waarin hij vertoefde en de wereld waarin hij leefde. De auteur steekt ook niet onder stoelen of banken dat hij zelf een groot bewonderaar is van Wannes Van de Velde. Toch voelt het boek best evenwichtig aan: occasionele kleine kantjes worden niet uit de weg gegaan en er wordt gestreefd naar objectiviteit. Al bij al leest Wannes - Hier is hem terug vooral als een ode aan een groot artiest.

 

 

Technische gegevens
isbn 9789462670648 - april 2016 - uitgeverij EPO - hardcover - 552p. - 39,90 €



poëzie

21/02/2019
[grensplaats] (© [Anne Leupen] | dwars)
🖋: 
Auteur extern

Nicolas-Alexander Goossens


 

Het dorpe wentelt zich tegen glas tot zand,
tot storm stopt, opdat land niet meer schreeuwt.
De vensters staan open, elf slagen kunnen nader
komen, en zelfs de doven stoppen als
het lood zinkt.

Daar gij springt en de vermolmde horizon
kust, drenk mij in de zuivel der aarde
want ik ben hier niet echt omdat
ik toch zal vertrekken, dus zetel mij
in uw heilig huis van vel en dodendraad.

Een gebied van bossen en oud verdriet,
al had het geen naam, gelijk een hand
treft het ons onwrikbaar, een kramp die
hunkert naar verse landduinen.

Het is volbracht, het schaap kent rust.



helpt PFK studenten groeien?

21/02/2019
10 jaar politieke underground in UAntwerpen (© Stine Moons | dwars)

In mei 2007 stapte een groep politiek actieve studenten naar de universiteit om als één stem enkele rechten af te dwingen voor politieke en filosofische studentenclubs. Tien jaar later is het Politiek-Filosofische Konvent een gevestigde waarde in het intellectuele avondleven. Toch is lang niet iedereen op de hoogte van wat er zich in deze kringen afspeelt, al vinden we onder de oud-leden van deze clubs invloedrijke politici terug. dwars gaat daarom in gesprek met oud-leden Lode De Waele (Liebran) en Werner Vandenbruwaene (LVSV), PVDA-fractiemedewerker Sim Dereymaeker (Comac), Antwerps gemeenteraadslid voor CD&V Sam Voeten (CDS) en Vlaams Belang-partijvoorzitter Tom Van Grieken.

in den beginne

Lode De Waele stond mee aan het begin van de oprichting van het PFK-Spectrum. In 2007 was hij voorzitter van de studentenkring Liebran, die een kritische geest en politiek bewustzijn wou ontwikkelen bij studenten. De Waele merkte dat het politieke debat afwezig was op de actief-pluralistische UAntwerpen. Frappant, want de noemer ‘actief-pluralisme’ houdt in dat de universiteit een vrijplaats moet zijn voor politieke, filosofische en religieuze meningen. Het PFK-Antwerpen wilde dit veranderen door een vertegenwoordiging van het hele politieke spectrum aan de student aan te bieden.

Grote en kleine clubs van alle windrichtingen kwamen in het PFK samen. Het nationalistische NSV! en het conservatieve KVHV tekenden present aan de rechterzijde, het centrum werd vertegenwoordigd door Liebran en CDS en uit linkse hoek stapten de studenten van GRAS, Animo Stuant en Comac mee in het project. Ook het liberale LVSV, dat zich niet in een hoek wilde laten duwen, was van de partij.

 

Veel partijen trekken studenten naar zich toe om die dan omhoog te duwen.

Sim Dereymaeker

 

Elke club had een eigen motivatie om deel uit te maken van dit nieuwe initiatief. Zo vertelt Sam Voeten van het toen heropgerichte CDS, dat extra zichtbaarheid en gratis zaalverhuur interessant waren voor politieke verenigingen, die vaak minder middelen hadden dan studentikoze clubs. NSV! zocht dan weer een manier om lezingen te organiseren op de campus, want de universiteit stond daar afkerig tegenover. LVSV had door een goede relatie met de UAntwerpen niet echt behoefte aan een overkoepeling, maar werkte mee omdat ze principieel vond dat elke stem aan bod moest komen. Volgens de initiatiefnemers was aansluiten bij VUAS (vandaag: Unifac) geen optie, deze wilde absoluut politiek neutraal blijven. Ook voor LVSV was dit een no go, zij vreesden dat bij deze koepel hun intellectuele vrijheid aan banden zou worden gelegd. Bovenal was er bij de oprichters een gezamenlijke frustratie: de ‘zuipclub’ werd wel erkend, maar politieke clubs vielen uit de boot.

 

de politieke student: vroeger en nu

We vroegen ons af of het politiek engagement bij studenten stabiel is gebleven, of dat de huidige studenten vooral op een eigen carrière focussen. Sim Dereymaeker, die vroeger bij Comac zat en vandaag binnen PVDA geregeld met studenten in aanraking komt, is alvast niet akkoord met de tweede stelling. Hij vindt het een ziekte van oudere generaties om hun visie op de jeugd te plakken. Wel blijkt dat waar vroeger meerdere politieke clubs stampvolle openingsdebatten klaarspeelden, tegenwoordig alleen LVSV daar nog in slaagt. Volgens Tom Van Grieken is het maatschappelijk engagement wel minder, wat volgens hem een gevolg is van de individualisering van de maatschappij en het studentenleven.

 

over botsende ideologieën

In de statuten van het PFK staat te lezen dat clubs geen directe subsidies mogen ontvangen van een politieke partij. Toch zien we dat in de realiteit de lijn tussen partij en ‘onafhankelijke’ club vervaagd is. Zo waren zowel de voorzitter als de ondervoorzitter van CDS en de eventcoördinator van LVSV vorig jaar kandidaat bij de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen (bij respectievelijk CD&V en Open Vld) en staat de huidige voorzitter van NSV! op de lijst van Vlaams Belang voor het Vlaams Parlement. Tom Van Grieken benadrukt dat er in zijn tijd geen directe link met Vlaams Belang was, sterker nog: NSV! was vaak kritisch over de partij.

Aan de linkerzijde was er volgens hem wel meer afhankelijkheid. Sim Dereymaeker verklaart dat Comac, de officiële studentenbeweging van PVDA, inderdaad een goede band heeft met de partij. “Veel partijen trekken studenten naar zich toe om die dan omhoog te duwen. Toch is het belangrijk afstand te houden van de jongeren, zodat deze in alle vrijheid kunnen denken en experimenteren.” Ook LVSV’er Werner Vandenbruwaene is kritisch: “Wij waren in tegenstelling tot anderen volstrekt onafhankelijk ten aanzien van Open Vld. Toen had je de na-ijver met LDD en de opkomst van N-VA. Velen voelden zich niet thuis bij deze partijen. Als ik kijk naar mijn generatiegenoten, zijn er niet veel die professioneel in de partijpolitiek zijn gestapt.”

 

door dezelfde deur

De Waele vertelt over de moeilijke beslissing bij de opstart, om politieke extremen al dan niet toe te laten in de koepel. Zo werd in het parallelle PFK Gent oorspronkelijk beslist dit niet te doen. PFK Antwerpen zou uiteindelijk wel iedereen toelaten die voldeed aan de statuten, om willekeur te vermijden. Volgens De Waele kon het PFK zo ook een rol spelen in het voorkomen van fysieke agressie tussen links en rechts. Het model had succes: enkele jaren later kon de NSV! in Gent en Leuven ook toetreden tot de studentenkoepels.

 

Wij hadden buiten ideologische verschillen geen probleem met de linksen.

Tom Van Grieken

 

Daarmee was de animositeit echter nog niet uit de wereld. Wie weleens gaat betogen weet dat voor elke rechtse betoging een linkse tegenbetoging bestaat en omgekeerd. Dat dit anders zou zijn onder studenten leek ons sterk. Vandenbruwaene van LVSV legt uit: “Wij bekeken het PFK pragmatisch, als een platform om omgang met de universiteit te organiseren betreffende apolitieke zaken zoals de huur van zaaltjes. Hoewel we weinig affiniteit hadden met de extreme zijden van het politieke spectrum, wilden we Comac en NSV! er wel bij. Hen niet toelaten, zou haaks staan op de doelstelling waarmee we het PFK begonnen.”

De liberalen hielden zich dus ver weg van opstootjes tussen links en rechts. De Actief Linkse Studenten dachten er anders over. Zij betoogden en hielden een petitie, die ondertekend werd door 1000 mensen, om NSV! eruit te gooien wegens gewelddadigheid. Volgens Sim Dereymaeker was dit gepast, want toen dwars een artikel over dertig jaar NSV! publiceerde, vielen deze laatste binnen in het dwarslokaal om de boekjes te vernietigen. Van Grieken beweert daar niets van te weten: “Het is een jammere zaak, want wij hadden buiten een ideologische tegenstelling geen probleem met de linksen. Ze hebben deze beschuldigingen ook nooit kunnen bewijzen. Onze acties waren radicaal, maar de grens van het geweld overschreden we niet.”

 

de toekomst van het land

Er zijn te veel invloedrijke politici en opiniemakers voortgekomen uit de politieke clubs van het PFK om op te sommen. Is lid worden the way to go voor studenten die later premier willen worden? De Waele legt uit: “Op de universiteit moet je een kritische geest ontwikkelen, ook politiek bewustzijn hoort daarbij. Ik merk dat van mijn generatie PFK’ers toch wel enkele mensen hun weg vonden naar een partij. Wie later aan politiek wil doen, zit zeker goed met de ideologische scholing bij een van de PFK clubs.” Ook Van Grieken benadrukt de rol die NSV! speelde in zijn ontwikkeling. “Ik heb er deelgenomen aan debatten, persberichten opgesteld, geleerd om te gaan met een tegenslag ... Bij een partij wordt elke fout je zwaar aangerekend, in een studentenclub kan je al eens een slechte activiteit organiseren zonder al te veel gevolgen.”

Van Grieken roept alle studenten op om mee te doen aan debatten, lezingen en workshops. “Die zijn veel zinvoller dan servetten draaien voor een lokaal partijevenement!” Sam Voeten valt hem bij: “Het valt op dat het aantal dubbele lidmaatschappen sterk gestegen is. Er is niets mis met partijpolitiek, maar die werkt helemaal anders dan een studentenclub. Ik merk dat mensen die aan de universiteit een sterke ideologische vorming kregen, een voordeel hebben wanneer ze bij CD&V aankomen. Daarnaast zorgt (politiek) engagement ook voor belangrijke organisatorische vaardigheden.” Sim Dereymaeker sluit de discussie af: “Comac wilde de studenten lostrekken van de ivoren toren van de universiteit. Voeling met wat buiten de theorie gebeurt, is belangrijk voor alle mensen die een politiek engagement willen aangaan. We moeten de mensen dienen, niet ons ego of grote idealen.”

 

Dit jaar organiseert PFK-Spectrum drie gezamenlijke activiteiten: een politieke markt op de stadscampus, een speeddebat en een debat tussen de voorzitters. Wie meer informatie wenst over het PFK of de individuele clubs kan contact opnemen via de Facebookpagina of op het debat (24/04).



betweter

21/02/2019
betweter (© Camille Van Landegem | dwars)
🖋: 

Het is niet omdat je veel onnozele weetjes kent, dat je een betweter bent. Dat bewijst een van onze redacteurs elke maand door een waanzinnig interessant, ongelofelijk boeiend of verbluffend spannend feit te delen.

Deze keer hebben we het over de dagen van de week. Waarom noemen we ‘maandag’ niet ‘sterdag’ of ‘wolkdag’? Deze nieuwsgierigheid vormde de inspiratie voor dit artikel. Wat moet een student anders doen tijdens de blokperiode? Om maar direct tot een antwoord te komen: de maan in maandag komt van het Latijnse dies Lunae, oftewel ‘dag van de maan’. Het waren dus de Romeinen die met deze benaming kwamen. Verschillende Indo-Europese talen verwijzen naar de maan in de benoeming van de eerste dag van de week, zoals in het Franse lundi of het Italiaanse lunedi, maar lang niet allemaal. Als je het Hongaarse hétfö letterlijk vertaalt, dan krijg je ‘weekhoofd’, terwijl Portugal segunda-feira gebruikt, wat ‘tweede dag’ betekent. Waarom er een ‘o’ verdwenen is in het Engelse Monday, blijft een mysterie.

Veel talen behouden een Latijns tintje als het om dinsdag gaat. Het Franse mardi komt bijvoorbeeld van dies martis, naar de planeet Mars. Het Nederlands doet het anders. Dinsdag zou vernoemd zijn naar een (redelijk onbekende) Germaanse god, genaamd Thingsus, de god van volksvergaderingen. Misschien was dinsdag vroeger vergaderdag? Ook woensdag dankt zijn naam aan een opperwezen, namelijk Wodan, oppergod van de Noorse mythologie. Talen waarbij de Latijnse benoeming bewaard bleef, zoals in het Spaans miércoles, verwijzen dan weer naar de god Mercurius, die zich bemoeide met handel, reizen en winst.

Donderdag komt opnieuw van een Germaanse god, namelijk Donar, de god van de donder. In het Scandinavisch is dit Thor, terug te vinden in het Engelse Thursday. De Romeinen konden niet achterblijven, maar hebben hun eigen god om deze dag naar te vernoemen - same job different man -, namelijk Jupiter. Het Franse jeudi vindt hier zijn wortels. Maar niet alle dagen van de week zijn naar mannelijke goden vernoemd, er is ook vrouwelijk schoon. Vrijdag is namelijk vernoemd naar de Germaanse Frigg, godin van de liefde, vruchtbaarheid en seksualiteit.

Voor wie niet kan omgaan met halve verhalen zullen we nog afsluiten met zaterdag en zondag. Voor beide moeten we ons weer richten tot de Romeinen. Deze dagen komen respectievelijk van de goden Saturnus en Sol. Zo zitten onze dagen van de week boordevol mythologie, en zit jouw hoofd boordevol nutteloze weetjes waarmee je op café al eens een gesprek kan starten. Blame it on the exams.



over Samson en Gert, gebakken flensjes en de beroepsmisvorming van een literatuuronderzoeker

21/02/2019
[proffenprofiel Valerie Rousseau] (© [Alex Noels] | dwars)
🖋: 

Het proffenprofiel toont professoren zoals je ze nog nooit zag: als mensen. dwars stelt de vragen die bij menig student al jaren door het hoofd spoken, maar die ze zelf niet durven stellen. Valerie Rousseaus officiële titel is  'Onderwijsbegeleider' bij de vakgroep Nederlands van het departement Letterkunde. Dit wil zeggen dat ze proffen ondersteunt bij hun onderwijstaken, door lessen voor te bereiden of didactisch materiaal te ontwikkelen, en dat ze zelf ook colleges geeft. Daarnaast is Valerie ook stagecoördinator voor zowel de bachelor- als masterstages van Nederlands, is ze de ombudspersoon van heel Taal- en Letterkunde, en werkt ze mee aan het Verzameld Werk van Louis Paul Boon. Een groot takenpakket, dat spontaan vragen doet opborrelen.

Op het bureau van het departement Nederlands hangt het vol met foto’s van Hugo Claus en Louis Paul Boon. Bent u hen ondertussen al beu, of geniet u nog steeds van deze pareltjes?

Op het gevaar af een heel voorspelbaar antwoord te geven: natuurlijk geniet ik nog steeds van het werk van deze twee grootmeesters in onze Nederlandstalige literatuur. Zelf studeerde ik niet in Antwerpen, maar in Leuven (noem het een jeugdzonde), waar in de opleiding Germaanse Talen toen weinig aandacht was voor Boon en Claus. Toen ik hier kwam werken, werd ik in een heerlijk 'Boonbad' ondergedompeld. Ik heb het voorrecht om nauw te mogen samenwerken met Kris Humbeeck, dé grote Boonexpert die ook mij nog onophoudelijk nieuwe en boeiende aspecten van Boons oeuvre, leven en schrijverschap laat ontdekken.

 

Voor studenten was de afgelopen maand een ware hel. Was dit ook zo voor u, of heeft u het tijdens examenperiodes net rustiger, bijvoorbeeld omdat u geen lessen moet voorbereiden?

Ik weet dat het voor studenten vast een schrale troost is, maar examenperiodes zijn ook voor docenten geen pretje. Rustiger is het zeker niet, eerder het tegenovergestelde. We hebben stapels verbeterwerk en velen onder ons zijn dan tegelijk al volop bezig met de voorbereidingen voor de vakken die in het tweede semester gedoceerd worden. Bovendien probeert iedereen net dan ook wat extra tijd te maken voor onderzoek.

 

Dit jaar kwam de allereerste en intussen beroemde “Compacte Cultuurquiz van de Lage Landen” tot stand. Wat vond u van deze eerste editie, en kan u al verklappen of er een volgende editie komt?

Wat een fijne avond! Zelf vond ik deze eerste editie zeer geslaagd en ik heb samen met mijn collega’s (die, trust me, soms ook wat koudwatervrees hadden) erg genoten. Wat ons betreft komt er zeker een tweede editie. Hoewel we dit jaar al op een mooie opkomst konden rekenen, hopen we de volgende keer nog meer studenten te bereiken. In de aanloop naar de quiz voelden we bij sommigen wat terughoudendheid. Ik hoop dat het enthousiasme van de studenten die dit jaar hebben deelgenomen aanstekelijk werkt en helpt om de laatste reserves en barrières weg te nemen.

 

Heeft u tijd voor hobby’s naast uw drukke dagen aan de UAntwerpen?

Mijn hobby’s staan momenteel op een laag pitje. Net als veel jonge mama’s doe ik mijn uiterste best om een drukke baan te combineren met een gezin. Doorgaans lukt dat vrij aardig, maar dat betekent wel dat me-time schaars is. Ik heb destijds een opleiding theater gevolgd en bij heel wat amateurverenigingen gespeeld. Podium en publiek mis ik vaak, al is college geven natuurlijk ook wel een stukje performen.

 

Een vraag die we wel moéten stellen aan een literatuurdocent: wat is uw favoriete boek?

Dit is eigenlijk de vraag die je niet wil krijgen omdat het zo ontzettend moeilijk is om die keuze te maken. Als ik mij beperk tot de Nederlandstalige literatuur en focus op wat ik de afgelopen jaren heb gelezen, dan kies ik Wil van Jeroen Olyslaegers en De consequenties van Nina Weijers. Het boek dat voor mij echter het meeste heeft betekend is De Monstertrilogie van Tom Lanoye. Toen ik in de zomer van 2003 Het goddelijke monster en vervolgens even gulzig Zwarte tranen en Boze tongen verslond, wist ik dat deze trilogie centraal moest staan in mijn scriptieonderzoek. Professor Hugo Brems steunde mijn plannen en die scriptie was eigenlijk het begin van een mooi traject dat mij uiteindelijk naar hier, naar Antwerpen, heeft geleid.

 

Kan u eigenlijk nog genieten van een goed boek voor het plezier? Of wordt elk boek een onderzoeksobject?

Toegegeven, het is moeilijk geworden om met een onbevangen blik een boek te lezen. Tijdens het lezen betrap ik mezelf erop dat ik aan het analyseren ben, dat ik spontaan linken leg met andere werken en dat ik – en dat overkomt mij het vaakst – al nadenk op welke manier ik er in colleges mee aan de slag kan. Als literatuurwetenschapper ben je getraind in het doorzien van bepaalde verteltechnieken, retorische trucjes en tekstuele strategieën en dat schakel je niet zomaar uit. Tegelijk betekent dat natuurlijk niet dat ik geen plezier meer kan beleven aan een goed boek (O horror: wat zou dat een tragisch lot zijn voor de literatuurwetenschapper!), maar de manier waarop je literatuur leest en waardeert verandert wel.

 

Heeft u als literatuurverslinder ook een guilty pleasure die u moet bekennen?

O ja, meerdere zelfs. De vraag is natuurlijk welke ik hier ga bekennen. Ik geef er eentje prijs: samen met mijn jongens Gust en Stan naar de Samson & Gert Kerstshow kijken en als kind van de jaren 80 niet eens stiekem zelf heel hard genieten van deze trip down memory lane.

 

Wat doet u het liefst op een zondagmorgen?

Een uitgebreid ontbijt nemen en tot de middag in pyjama rondlopen. In ons gezin zijn lazy sunday mornings heilig! Ik heb er doorgaans te weinig tijd voor, maar tijdens het weekend neem ik graag samen met mijn gezin een uitgebreid ontbijt. Op zondagmorgen staat de tafel vol lekkers: verse broodjes, yoghurt, homemade granola, vers sap, lekkere koffie, gerookte zalm met ricotta en afwisselend een zachtgekookt eitje of vers gebakken flensjes.



het laatste woord

21/02/2019
het laatste woord: porder (© Suzanne Roes | dwars)
🖋: 
Auteur

Je zal het maar voorhebben: het ligt op het puntje van je tong en toch kan je er niet opkomen. Dat ene woord ontglipt je keer op keer. Ook dit jaar schiet dwars alle schlemielen in zulke navrante situaties onverdroten ter hulp. Maandelijks laten we ons licht schijnen op een woord waar de meest vreemde betekenis, de meest rocamboleske herkomst of de grappigste verhalen achter schuilgaan. Deze editie het begrip en verdwenen beroep van ‘porder’.

Tegenwoordig gebruiken we onze smartphone om wakker te worden, terwijl deze taak niet al te lang geleden werd uitgevoerd door wekkers. Maar hoe werden mensen gewekt voordat de wekker werd uitgevonden? De vaste slapers die door het gekraai van de haan heen sliepen, en zij die het zonder moesten stellen, werden op een andere manier gewekt. 

Voor de industriële revolutie zijn intrede deed in Europa, leefde de mens volgens het ritme van de natuur. Het opkomen van de zon betekende dat men op moest staan en wanneer deze weer onderging, zat de werkdag erop. Later werd het uur van de dag weergegeven op kerkklokken in de stad en op uurwerken bij de mensen thuis. Met de uitvinding van de stoommachine werd het voor velen rendabeler om in fabrieken te werken en konden mensen niet meer volgens de natuur leven. Op tijd in de fabriekshal staan, betekende bovendien vroeg opstaan.

Families of fabriekseigenaren huurden hiervoor een porder in. Deze tikte, tegen een kleine vergoeding, met een stok tegen het slaapkamerraam om de fabrieksarbeiders te wekken. In uitzonderlijke gevallen had de porder zelfs een huissleutel, waardoor hij bij de mensen aan het bed kon staan om ze uit hun nest te porren. Nu rijst de vraag natuurlijk: wie porde de porder wakker? Het blijft gissen naar een antwoord op die vraag. Overigens was het beroep erg gewild onder vrouwen. Zo konden zij extra geld verdienen om hun gezin te onderhouden.

Toen het beroep zijn intrede deed, kostten porders zo'n zeven cent per week. Later was dit twintig cent voor elke zesdaagse werkweek. Waar een technologische ontwikkeling het beroep in het leven riep, deed eenzelfde ontwikkeling het beroep weer verdwijnen. De uitvinding van de wekker bleek de doodsteek voor het ambacht van porder. Destijds kostte een wekker eenmalig 75 cent.

Laten we van de gelegenheid gebruik maken om het beroep van porder nieuw leven in te blazen, en dan wel als studentenjob. Studenten die geen moeite hebben met opstaan porren de studenten wakker die dat wel hebben. De 'porstudent' wordt dan ingehuurd door bezorgde ouders of door medestudenten die willen dat hun groepsgenoot op tijd op de bespreking van het groepswerk verschijnt. 



de wereldverbeteraar

21/02/2019
de wereldverbeteraar 2.0 (© Alex Noels | dwars)
🖋: 

De mug die om je oor zoemt als je probeert te slapen toont geheel onbaatzuchtig aan dat je nooit te klein bent om een wereld van verschil te maken. In de aula komt de student in aanraking met kleine en grotere problemen uit het dagelijkse leven: gebrek aan koffie, verloren versnaperingen en professoren die zijn vergeten hoe het is om student te zijn. Van tijd tot tijd nemen de frustraties zo’n proportie aan dat de toogfilosoof uithangen in een troosteloos bruin café niet meer volstaat. In elke dwars kaart de wereldverbeteraar daarom een concreet probleem aan uit het studentenleven. Oplossingen groeien immers soms gewoon aan de bomen, als je maar naar boven durft te kijken om ze op te merken.

‘Nog eentje’ is de grootste leugen die iedere student zich elke avond weer wijsmaakt. Elke ochtend heb ik dan ook steevast spijt dat ik mijn teerbeminde nachtrust niet beter gekoesterd heb en beloof ik dat ik écht op tijd ga slapen. I’m only human after all, want of het nu gaat over het laatste pintje op café vooraleer huiswaarts te keren, een laatste aflevering die zich op Netflix helemaal vanzelf opstart, of een laatste hoofdstuk in mijn boek voor het licht uitgaat; het blijft nooit bij dat ‘eentje’. Ik heb lang gedacht dat dit gebrek aan karakter terug te voeren was tot mijn kindertijd. Mijn oma gaf nooit één Fruittella, maar zei consequent: “Eentje is geentje”, want anders was het andere handje jaloers. Deze levenshouding heb ik na jaren van vallen en opstaan nog steeds niet van me af kunnen schudden, met alle gevolgen van dien.

Hoe langer ik me echter in het studentenleven bevind, hoe meer het tot me doordringt: dit is een universeel probleem. Het is een oerinstinct van elke student en je kunt er alleen maar tegen vechten als tegen de bierkaai. De oermens wist ook van geen ophouden en hield het nooit bij het jagen op één mammoet. We weten allemaal hoe dat afgelopen is: geveld door oververmoeidheid. True story. De uitgeruste student is dan ook een contradictio in terminis. Dit is niet alleen te wijten aan het feit dat je de tijd van je leven beleeft, de vroege colleges en het veronderstelde dagelijks bijhouden van al je lessen, maar evengoed aan de vele deadlines die op 23.59 u worden vastgelegd. Wanneer die taak dan last minute ingediend is – want, geef toe, uitstellen zit in ons bloed – hebben we toch even me-time verdiend en omdat eentje geentje is, zien we onze acht uur slaap met een kleine steek in het hart als sneeuw voor de zon verdwijnen.

Hoewel slaap een basisrecht is voor iedere mens, is slaaptekort een endemisch gegeven in het studentenleven. De uren achterstallige slaap kunnen zo oplopen dat geen enkele hoeveelheid overheerlijke en oh zo nodige koffie je energie terug op peil kan brengen. In deze dramatische gevallen kunnen alleen de harde middelen soelaas brengen: dutjes. Hoe moeilijk ik ’s avonds in slaap val, hoe makkelijk het overdag gaat: dutten mag, maar hoeft niet (om van prestatiedruk te spreken!). Deze kleine slaapjes zijn een van mijn vaste ontsnappingsmiddelen geworden, "for in dreams we enter a world that is entirely our own. Let them swim in the deepest ocean or glide over the highest cloud."

Helaas is deze reddingsboei der slaap niet voor iedereen binnen handbereik op de Antwerpse campussen. Wie niet vlakbij woont of een kot tot zijn beschikking heeft, heeft geen toegang tot een levensnoodzakelijke powernap. Schrijnende toestanden levert dit op: studenten die noodgedwongen de rol van 'porder' op zich nemen om hun vrienden wakker te houden in de les, alsook ronddolende zombies in de Antwerpse straten, zichzelf voortslepend met hun laatste restjes energie, vechtend tegen de dichtvallende oogleden en zich tegen beter weten in wanhopig vastklampend aan een overdosis cafeïne. Het studentenleven zou nochtans zo veel bruisender en stralender zijn, mocht UAntwerpen een paar kleine binnenhuisarchitecturale ingrepen uitvoeren: het bouwen van slaapzalen.

Studieruimtes zijn dan wel belangrijk, ontspan- en slaapruimtes zijn dat evenzeer. Tussen twee lessen de batterijen opladen in een donkere ruimte met geluidsdichte muren die alle studentikoze geluiden voor even buiten weten te sluiten: het is toch een basisvereiste om het slopende studentenleven zonder al te veel kleerscheuren en blijvende psychische schade door te komen. Stel het je voor: een plaats die behangen is met hangmatten, hopen kussens, een smeulend brandhaartje in de winter en een fris briesje in de zomer. Je zou er bijna spontaan van in slaap vallen. Het zou bovendien een gezond, zeg gerust levensreddend, alternatief zijn voor het genadeloos onderwerp van je oververmoeide hersencellen aan eindeloze uren bibliotheek. Dit is niet alleen gezonder, maar zou zelfs het probleem van te weinig bibliotheekplaatsen voor eens en voor altijd kunnen oplossen. Studenten die hier wezenloos wat uren doden met Netflix kijken en op Facebook surfen, kunnen deze tijd besteden aan bijslapen.

Asociaal gedrag dat vaak in de bibliotheek te spotten valt, zoals een plekje claimen en voor uren verdwijnen, moet in de slaapzalen natuurlijk ontmoedigd worden. Ook potentiële ongegeneerde seksuele uitspattingen moeten aan banden gelegd worden. Hiervoor kan dan een kleine uitkijkpost bemand worden door de werkgroep Slaap, die toeziet dat iedere student gelijke kansen krijgt om toe te geven aan het hunkerend verlangen naar een nieuw slaapshot. Dutjes zijn immers voor de neerslachtige oververmoeidheid, wat een gelukkige herinnering is voor een dementor. Zo wordt de uitgeruste student de regel in plaats van de uitzondering, en wordt een slaapbeminende en -respecterende wereld geboren.



blikopener

21/02/2019
blikopener (Rin Verstraeten | dwars 118)
🖋: 

Met 30.000 belangengroepen in Brussel alleen, is lobbyen een gigantische industrie waar veel mensen dagelijks mee bezig zijn. Toch heeft lobbyen een negatieve connotatie en hebben mensen er dikwijls een obscuur beeld van. Films waarin belangengroepen snode plannen smeden met corrupte politici in donkere achterkamertjes doen het goed op het witte doek. De werkelijkheid is echter anders, zo blijkt uit een onderzoek van Iskander De Bruycker, politicoloog en docent aan de UAntwerpen. Gelukkig maar.

Het onderzoeken van de concrete invloed van lobbyen is niet eenvoudig. Om dit toch te doen heeft Iskander De Bruycker 125 wetgevingszaken van de Europese Unie geanalyseerd, waaronder gerelateerde interviews en meer dan 3557 uitspraken in de traditionele media. Hieruit blijkt dat lobbyisten wel baat hebben bij media-aandacht, maar enkel als de doelen van de belangengroep verbonden kunnen worden aan het algemeen belang. Wanneer een lobbygroep haar doel enkel profileert als goed voor zichzelf wint ze daar dus niet bij. Er blijkt zelfs geen verschil te zijn tussen media-aandacht zonder binding met het algemeen belang en helemaal géén media-aandacht.

Hoe meer contact lobbygroepen opnemen met journalisten om het belang van de burger in de berichtgeving rond hun zaak te benoemen, hoe meer kans ze hebben op hun felbegeerde succes. Maar slagen lobbygroepen hierin? In de praktijk lijkt dit aantal beperkt. Slechts 19% van de lobbygroepen uit het onderzoek kon de eigen doelstellingen in traditionele media zoals kranten verbinden met de belangen van de Europese burger. Een kleine 20% van de belangengroepen bereikt dus deels of volledig wat ze willen.

 

Er is een kloof tussen wat beweerd wordt dat de publieke opinie is en wat deze feitelijk is.

 

Waar de sociale media steeds belangrijker worden, gebruiken lobbyisten ze vooral om te communiceren met leden en hun achterban. Om thema’s te lanceren, het beleid te beïnvloeden en druk uit te oefenen op politici gebruiken lobbyisten nog steeds traditionele mediakanalen. Traditionele en sociale media vertonen wel gelijklopende patronen: onderwerpen die veel aandacht krijgen op sociale media, komen ook in de traditionele media terecht en vice versa.

 

democratische vraagtekens

Van een democratie mag je toch verwachten dat de uitkomsten van het beleid het resultaat zijn van de voorkeur van de kiezer. Echter, als zo veel mensen dagelijks bezig zijn met lobbyen, wat zegt dat dan over deze democratie? Door het grote aantal belangengroepen in Brussel rijst de vraag naar de feitelijke invloed van lobbyisten. Het antwoord hierop hangt af van hoe je het bekijkt. Aan de ene kant is lobbyen nuttig. Belangengroepen leveren belangrijke, technische informatie waarvan de doorsnee beleidsmaker vaak geen idee heeft en hebben zo een noodzakelijke rol in de democratie. In de praktijk kan iedereen lobbyen om op deze manier invloed uit te oefenen. Excessen zoals afpersing en omkoping bestaan, maar blijken uit De Bruyckers onderzoek grote uitzonderingen.

Toch bestaan er vraagtekens bij het idee dat belangengroepen zich inzetten voor het algemeen belang. Is dit eigenlijk wel waar? Ook hier is De Bruycker mee bezig. “Veel politici en lobbyisten zeggen dat ze de publieke belangen verdedigen en dat hun argumenten een breed draagvlak kennen, maar tot nu toe blijkt uit het onderzoek dat dit niet zo is. Op Europees niveau zien we dat politici die dit beweren, niet significant meer steun vinden in de publieke opinie. Er is een kloof tussen wat beweerd wordt dat de publieke opinie is en wat deze feitelijk is. De volgende stap is onderzoeken hoe dit komt.”

 

Veel lobbyisten zeggen dat hun argumenten een breed draagvlak kennen, maar uit het onderzoek blijkt dat dit niet zo is.

 

transparante achterpoortjes

In de meeste gevallen is lobbyen dus een rechtmatige bezigheid die de democratisch verkozen beleidsmakers een handje helpt om een goed beleid uit te stippelen dat ook in de praktijk werkt. Toch is het belangrijk om waakzaam te blijven: het blijft een achterpoortje in de beslissingsprocessen van de Europese Unie. Zoals eerder vermeld, is het immers niet altijd zo dat belangengroepen werkelijk het algemene belang van de Europese burgers voor ogen hebben. Daarom is het belangrijk dat het lobbyen op een transparante manier verloopt. “Burgers moeten bijvoorbeeld kunnen opzoeken welke lobbyist bij welke Europese commissaris is geweest, hoelang die daar is geweest en hoe vaak ze elkaar zien. Zo kunnen we gemakkelijker achterhalen of wetgeving mogelijk te veel in een bepaalde richting wordt geduwd. Op Europees niveau zijn er meer en meer initiatieven om het allemaal veel transparanter te maken, deze zijn ook steeds vaker verplicht, en dat is een goede zaak. In België is het al stukken minder.”

Zo nu en dan valt te lezen dat de democratie dood is. Moeten we geloof hechten aan dergelijke bittere uitspraken en het schimmige beeld dat Hollywoodfilms ons voorspiegelen? Het verdict volgens Iskander De Bruycker: “Ik ben niet bezorgd. Lobbyen heeft een belangrijke rol in de democratische samenleving en in het politieke bestel. Zolang mensen weten wat er gebeurt, is de democratie niet in gevaar.”



Humans of UAntwerpen

21/02/2019
[goed geconserveerd] (© [Alex Noels] | dwars)

Kunstenaar of topsporter, bejaarde of ondernemer, geen enkele soort ontspringt de dans. Je wordt op een dag wakker met de intense drang om je bij de Universiteit Antwerpen in te schrijven. Het gevolg: zoveel vreemde vogels dat het uitzonderlijk wordt om normaal te zijn. Elke maand zetten wij een bijzondere student in de kijker.

“Wat ben jij goed geconserveerd.” Dat was een van de reacties die studente Anne-Marie De Staelen kreeg toen er tijdens een college naar haar leeftijd werd gevraagd. Met 73 jaar op de teller bewijst ze dat je nooit te oud bent om iets bij te leren. Na vijfentwintig jaar bij een Duitse chemiereus te werken en acht jaar met haar man in het buitenland te wonen, vond Anne-Marie dat het eens tijd was om haar leven een nieuwe wending te geven en een van haar passies te volgen: geschiedenis.

“Geschiedenis was vanaf het lager onderwijs mijn lievelingsvak en hoe ouder de periode, hoe liever ik het had.” Anne-Marie wilde de draad weer opnemen en opnieuw gaan studeren, maar hoe? Haar oog viel toevallig op een mededeling van UAntwerpen voor de openlesdagen. “In mijn tijd kreeg ik om financiële redenen niet de kans om verder te studeren, dus toen ik de mogelijkheid had om een les te volgen aan de universiteit heb ik deze met beide handen aangegrepen.” Na een proefcollege Geschiedenis van de oudheid begon ze vol enthousiasme aan haar studie. Een diploma halen is geen vereiste, “de hersencellen wat bezighouden en me amuseren, daar draait het om!”

“Toen ik begon was ik natuurlijk bang dat het moeilijk zou zijn om op mijn leeftijd te gaan studeren, dat mijn huishouden eronder zou lijden en dat contact met andere studenten moeilijk zou verlopen. Die angsten bleken ongegrond.” Anne-Marie vond zonder problemen haar weg op de universiteit. Ze volgt elk jaar drie à vier vakken en heeft zo een goede balans tussen studie en privéleven gevonden. Bovendien gaat het opbouwen van vriendschappen met 'de jonge garde' vanzelf. “Je gaat naast iemand zitten in de les en voor je het weet, heb je een study buddy voor de rest van je studententijd.” Haar leeftijd vormt absoluut geen belemmering. “Ik raad ouderen zeker aan om hun passie te volgen. Of dat nu fotografie, bloemschikken, of studeren is, leeftijd mag zeker geen obstakel zijn!”

Studeren is echter niet enkel rozengeur en maneschijn. "Examens doen mijn hart altijd wat sneller slaan en afscheid nemen van studenten die een andere richting uitgaan is nooit fijn." Al lachend voegt ze daaraan toe dat opstaan om zes uur om tijdig aanwezig te zijn op de colleges ook wel eens een grote opgave is. Wanneer we haar vragen of ze hierna nog verder wil studeren is het antwoord kort maar krachtig: ja! “Ik heb nog veel geschiedenisvakken voor de boeg en ook filosofie zegt me wel wat. Je weet nooit wat de toekomst brengt, maar goed geconserveerd of niet, studeren ben ik nog lang niet beu!”