editoriaal

18/05/2017
🖋: 

De maand mei luidt het begin in van de laatste zang in het epos van het academiejaar. Het einde is in zicht, maar de helden moeten nog een laatste obstakel overwinnen. Dat obstakel is meestal het grootste en het lastigste van het hele heldendicht, in dit geval de eindexamens. Die barrière staat in de weg van de goede afloop: welverdiende vakantie en eindelijk stressvrije ontspanning. Bij laatstejaarsstudenten lijkt die ontknoping nu nog verder weg, want zij hebben ook nog af te rekenen met de gevaarlijke draak die ‘masterproef’ heet.

 

Geen fijne vooruitzichten dus! Daarom nemen sommige personages misschien liever een gemakkelijkere uitweg, maar de wijze strijder weet dat bedrog geen optie is en dat het monster daardoor nog harder terug bijt (p. 20)! Let wel, ongehavend komt de held niet uit de strijd. Listen bedenken om de sluwe monsters te verslaan kost immers tijd, en bovendien moeten die nog ingestudeerd worden. Dat verstoort de nachtrust en slaaptekort kan grote gevolgen hebben voor de gezondheid en vooral voor het humeur van de held in kwestie (p. 16).

 

Maar de held is natuurlijk meer gewoon en met een flinke dosis humor weet hij de situatie te relativeren (p. 27). Bovendien hangen de afgehakte hoofden van alle monsters die hem ooit durfden uit te dagen als trofeeën aan zijn muur en trots draagt onze held alle littekens van vroegere gevechten op zijn huid. Vol strijdlust vecht de protagonist dus door, klaar voor wat hem te wachten staat: hij heeft met zijn strijdmakkers immers samengezeten om een uitgekiende strategie uit te denken (p. 24). Kan hij misschien hier en daar ook een beroep doen op de hulp van de oudergoden, als die hem goed gezind zijn?

 

Onze held zal er samen met zijn strijdmakkers zeker in slagen de scriptiedraak te temmen en de andere examenmonsters te overwinnen. In een modern heldendicht sterft de protagonist immers niet, hij raakt hoogstens gehavend. Want geef toe, wie houdt niet van een goede sequel?



blikopener

18/05/2017
🖋: 

In blikopener zet dwars elke maand onderzoek van de Universiteit Antwerpen in de kijker. Deze maand praten we met Prof. dr. Johan Verbraecken: longarts, expert in de slaapgeneeskunde en medisch coördinator van het Multidisciplinair Slaapcentrum van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA). Het slaapcentrum van het UZA is met zestien bedden (en vijf bedden voor kinderen) het grootste aparte slaaponderzoekscentrum van België. Jaarlijks worden hier zo’n 5.500 slaaponderzoeken uitgevoerd bij volwassenen. Het slaapcentrum diagnosticeert en behandelt niet alleen patiënten, het voert ook heel wat onderzoek naar slaapproblematiek.

Wanneer iemand al meer dan drie maanden last heeft van ernstige slaapproblemen, kan in het slaapcentrum van het UZA een slaaponderzoek worden verricht. Dit onderzoek vindt in principe ’s nachts plaats. Bij pathologische slaperigheid overdag kan ook een dagtest worden uitgevoerd. Hierbij wordt gekeken naar hoe snel een patiënt in slaap valt in gestandaardiseerde omstandigheden (dus zonder voorafgaand koffiegebruik, zware fysieke activiteiten, alcohol, enz.). Patiënten worden dan gevraagd vier keer een half uur te proberen slapen. Als de gemiddelde inslaaptijd minder dan acht minuten bedraagt, wordt dit als problematisch beschouwd. Wanneer de patiënt tijdens deze dutjes twee keer of meer in de droomslaap terechtkomt, is er een zeer grote kans op narcolepsie. Dit is een slaapstoornis met overdreven slaperigheid overdag.

 

Problemen die het vaakst voorkomen bij patiënten zijn slaapapneu, snurkklachten, narcolepsie, ongewenste slaapaanvallen, in- of doorslaapklachten, rusteloze benen, herhaaldelijke beentrekkingen tijdens de slaap en tenslotte slaapwandelen en praten tijdens de slaap. Wanneer een duidelijk beeld is gevormd van het eigenlijke probleem, krijgt de patiënt een gepaste behandeling. Deze behandelingen zijn heel uiteenlopend. Bij slaapapneupatiënten kan het dragen van een CPAP-masker helpen, of in mildere gevallen een mondprothese of bepaalde vormen van chirurgie. Bij personen met slaapproblemen ten gevolge van stress, angsten of hyperventilatie wordt groepstherapie voorgesteld onder leiding van een psycholoog. Het is heel belangrijk dat de patiënten zelf ook open staan voor een behandeling. Dit houdt meestal in dat ze moeten stoppen of minderen met het drinken van koffie en alcohol.

 

slaapweetjes

Wat zijn de lichamelijk effecten van een slaaptekort? Na één nacht niet slapen, treden er al cognitieve effecten op die invloed hebben op het geheugen, de creativiteit, de emoties en het probleemoplossend denken. Na een paar nachten niet slapen, kunnen er ook waanbeelden opduiken samen met desoriëntatie in tijd en ruimte, een koortsig gevoel, hartkloppingen en soms zelfs paranoïa. Deze negatieve effecten gaan gelukkig altijd weg wanneer de slaap wordt ingehaald. Het is pas na een opgebouwd slaaptekort van meer dan 3.000 uren (dat dus meestal pas na tien jaar optreedt) dat de lange termijneffecten zich voordoen. Deze patiënten hebben problemen met alertheid en concentratie, en vertonen gedragsmatige problemen. Dit gaat gepaard met een verhoogde kans op obesitas, een hoge bloeddruk, aderverkalking en diabetes.

 

Het aantal uren slaap dat je nodig hebt, is leeftijdsafhankelijk. Naarmate je ouder wordt, heb je minder slaap nodig. Iemand van 18 jaar heeft gemiddeld nog acht à negen uur slaap nodig. Bij iemand van 25 jaar is dat eerder zeven à acht uur en bij 50-plussers is zeven uur slaap al voldoende. Veel mensen weten ook niet dat het volledig inhalen van het aantal uren gemiste slaap niet nodig is. Wanneer je bijvoorbeeld één nacht acht uur niet geslapen hebt, moet je de nacht daarna niet zestien uur slapen, maar slechts twaalf uur. Dat komt omdat de kernslaap langer duurt wanneer je slaaptekort hebt. Je slaap wordt dan kwalitatiever, waardoor je niet het volledig aantal uren moet inhalen.

 

research

In het slaapcentrum van het UZA wordt naast patiëntenzorg ook wetenschappelijk onderzoek verricht. Het centrum werkt al tien jaar mee aan de European Sleep Apnea Database (ESADA), waarin gegevens zitten van 17.000 Europeanen met slaapapneu. Zo werd aangetoond dat slaapapneu een onafhankelijke risicofactor is voor diabetes, zelfs na correctie voor gewicht, en dit zowel bij lichte, matig-ernstige, als ernstige vormen van slaapapneu. Anderzijds hebben diabetespatiënten een minder goede controle van de glucosewaarden wanneer ook slaapapneu aanwezig is. Daarnaast werd vastgesteld dat een hoge bloeddruk vaker voorkomt bij apneupatiënten, en geassocieerd wordt met de mate van zuurstoftekort tijdens de slaap, en niet zozeer door het aantal ademstops zelf.

 

Vele van deze zaken waren al geweten op basis van kleinschalig onderzoek, maar worden nu bevestigd bij grote aantallen patiënten. Het participeren in big data-onderzoek is een zeer doeltreffende manier om de krachten in Europa te bundelen en hoogstaand onderzoek te verrichten.

 

slaaptips voor studenten

Wat raadt professor Verbraecken studenten aan zodat ze tijdens de examens goed kunnen slapen? Overdag voldoende bewegen, niet te laat studeren en eerst ontspannen (met bijvoorbeeld een douche) voordat je gaat slapen. Dutjes overdag zijn ook een aanrader omdat dit goed is om stress kwijt te geraken. Let wel op dat je niet langer dan dertig minuten slaapt, want dan kom je in een diepe slaap terecht en dan heb je ’s nachts weer problemen om in slaap te vallen. Aan de nachtelijke blokkers raadt professor Verbraecken aan om toch een aantal uren te slapen ’s nachts. Tijdens de REM-slaap wordt namelijk kennis verwerkt in het geheugen. Bij studenten die de hele nacht doorblokken zonder te slapen, wordt de leerstof dus minder goed opgeslagen.

 

Wat moet je doen wanneer je niet in slaap geraakt? Na zo’n twintig minuten in bed liggen, kan je best terug opstaan en iets rustig doen zoals een boek lezen of de afwas doen. Wanneer je jezelf daarna moe genoeg voelt, kan je nog eens proberen, want het is beter om kort en kwalitatief te slapen dan lang en oppervlakkig. Het is ook belangrijk om niet te panikeren wanneer je de slaap niet kan vatten. Een paar nachten minder slapen is niet gevaarlijk voor je lichaam, het is pas na meerdere jaren dat relevante effecten zich gaan voordoen.



het laatste woord

18/05/2017
olifantenpaadje (© Anouk Buelens-Terryn | dwars)
🖋: 

Je zal het maar voorhebben: het ligt op het puntje van je tong en toch kan je er niet opkomen. Dat ene woord ontglipt je keer op keer. Dit jaar schiet dwars alle schlemielen in zulke navrante situaties onverdroten ter hulp. Maandelijks laten we ons licht schijnen op een woord waar de meest vreemde betekenis, de meest rocamboleske herkomst of de grappigste verhalen achter schuilgaan. Deze keer: olifantenpaadje.

We wijken allemaal wel eens van het rechte pad af, en voor een keer mag je dat best letterlijk nemen. We hebben het hier over ‘olifantenpaadjes', de onverharde weggetjes op grasvelden, gemaakt door fietsers en wandelaars. Als mensen verzetten we ons collectief tegen de geplaveide paden en zoeken we zelf de kortste weg om van A naar B te gaan. Want dat is wanneer olifantenpaden ontstaan: als de officiële weg voor een omweg zorgt. Praktisch ingesteld als we zijn, snijden we dwars over het grasveld de weg af om zo toch maar enkele meters minder te moeten fietsen of wandelen. Nadat enkele durvers zich tegen het systeem verzet hebben, ontstaat er door de afslijting van gras een nieuw pad. De rest volgt het nieuwe paadje daarna braafjes – de mens blijft tenslotte een kuddedier.

 

Op die manier spelen we als Jan Modaal zelf voor landschapsarchitect, soms tot groot ongenoegen van stads- en gemeentebesturen. Die proberen de binnenweggetjes in te dijken door bijvoorbeeld hekjes of grachten te voorzien. Fietsers of wandelaars zien daar geen graten in en overbruggen de hindernis gewoon, ook al doen ze er daardoor net wat langer over. Dat bewijst hoe groot het verlangen is om steeds de kortste weg te volgen – in het Engels dragen deze zelfgemaakte paadjes daarom de naam desire lines.

 

De Nederlandstalige term voor dit fenomeen, ‘olifantenpaadje', kent zijn oorsprong dan weer in de dierenwereld. Wetenschappers stelden vast dat olifanten steeds de kortste weg willen volgen, zonder rekening te houden met de aangelegde paden. Daardoor slijten er zich nieuwe wegen af in het gras, en dat gebeurt ook in de mensenwereld. Het woord werd pas echt populair in de Lage Landen toen fotograaf Jan-Dirk van der Burg in 2011 een poëtisch fotoboek uitgaf over deze onofficiële binnenweggetjes. Sinds dat jaar heeft het fenomeen dan ook een plekje in de ‘Dikke Van Dale’ veroverd.

 

Om een olifantenpad te spotten, moet je overigens helemaal niet naar de boekhandel of naar de savanne. Maak eens een wandeling in een stadspark of trek je eigen dorp in, en plots lijken er overal zo'n rebelse paadjes te liggen. Of misschien ga je zelf al jarenlang ergens van het padje af?



meer studenten die meer willen én meer krijgen

18/05/2017
studeren in de bibliotheek (© Natasja Van Looveren en Stine Moons | dwars))
🖋: 
Auteur

De examens staan weer voor de deur. Dit halfjaarlijks terugkerende fenomeen kenmerkt zich niet alleen door een toenemend stressniveau bij studenten, maar ook door de overvolle universiteitsbibliotheken. In Gent en Leuven kan men erover meepraten. Hoe zit het eigenlijk met hun bibliothecaire dienstverlening in vergelijking met UAntwerpen? Is onze universiteitsbibliotheek een voorbeeld voor de andere twee, of kan onze universiteitsbibliotheek nog veel leren van de boekerijen van de naburige universiteiten? dwars zou dwars niet zijn als we deze kwestie op het stapeltje 'onbeantwoorde vragen' zouden laten liggen.

‘De klant is koning’ en zo werkt het ook bij de universiteitsbibliotheken. Meer en meer spitsen ze hun dienstverlening toe op de studenten. De tijden dat de professoren nog in de boekerijen kwamen, zijn allang vervlogen. “Die zien we amper nog in de bibliotheek. Professoren kwamen vroeger (tot aan de jaren 90) iedere week langs om de tijdschriften te bekijken voor hun vakgebied”, weet Trudi Noordermeer, hoofdbibliothecaris van UAntwerpen, ons te vertellen. Proffen laten hun gezicht steeds minder zien in de bib, omdat ze zich liever/noodgedwongen op het wereldwijde web begeven. Tegelijkertijd zijn er steeds meer studenten die als mieren naar de universitaire bibliotheek trekken. “In 2007 hadden we 470.000 bezoeken per jaar en in 2013 waren dat er meer dan een miljoen.” Meer dan een verdubbeling in zes jaar tijd dus.

 

studeren in de bib (© Natasja Van Looveren en Stine Moons | dwars)Je zou je kunnen afvragen wat de oorzaak is van een dergelijke toename. Dr. Hendrik Defoort, collectiebeheerder van UGent, geeft het antwoord. “Studenten blokken alsmaar meer in groep, dat is in alle steden zo.” In Gent werkt men intensief samen met de stad om voor zoveel mogelijk studenten een studieplek te garanderen tijdens de blokperiode. “Samen met de stad wordt er een lijst opgesteld met openbare studieplekken. Zo gaat het al drie jaar, en eigenlijk loopt dat heel goed.”

 

Gelukkig kennen we met STUDY360 van GATE15 eenzelfde initiatief in Antwerpen. Gelukkig, want het beeld dat mevrouw Noordermeer ons schetst, doet spontaan onze pupillen vergroten. “Ik heb meegemaakt dat hier 500 studenten voor de deur stonden, om kwart voor acht ’s morgens. Dan gingen die deuren open en kwamen ze van twee kanten. Ze moesten allemaal door die poortjes. Ik dacht echt: ‘Er gaan gewonden vallen, mensen worden vertrappeld!’ Ik heb toen maatregelen moeten treffen.” Studenten van andere instituten zijn sindsdien niet meer welkom tijdens de blokperiodes. Impopulair, maar het was nodig.

 

Overigens hebben zowel UAntwerpen als KU Leuven een online bezettingsgraadmeter beschikbaar gesteld. Zo kunnen studenten, mochten ze van plan zijn zich richting de bib te begeven, op voorhand kijken of ze een tafeltje kunnen bemachtigen.

 

ruime openingstijden

Bij enkele studielocaties die UGent in samenwerking met het stadsbestuur openstelt tijdens de examen- en blokperiode, kunnen studenten 24 uur per dag terecht. Van sommige faculteitsbibliotheken worden de openingstijden tijdens de blokperiodes verruimd tot tien uur ’s avonds. KU Leuven doet daar nog een schepje bovenop. Zo is Leercentrum AGORA tijdens de doorsnee studieweek tot middernacht geopend, en op beide weekenddagen van negen uur 's morgens tot zeven uur 's avonds.

 

“We zien de ruime openingstijden als een dienstverlening die we ondertussen vier jaar met succes aanhouden en waardoor we alle vormen van sociaal leren faciliteren”, aldus Peter Verbist, bibliothecaris van KU Leuven. Tijdens de blok- en examenperiodes komen daar nog eens twee locaties bij die van maandag tot en met vrijdag tot twaalf uur ’s avonds geopend zijn. “We leveren dus een aanbod op maat van de noden doorheen het academiejaar. Uit de bezoekersstatistieken en de gebruikerstevredenheidsonderzoeken blijkt dat deze dienstverlening in onder andere de AGORA ten zeerste wordt gewaardeerd.”

 

De Universiteit Antwerpen lijkt op dit gebied achterop te hinken, gezien ongeveer dezelfde openingsuren tijdens de blok- en examenperiodes als gedurende het semester worden aangehouden, hoewel hierover nagedacht werd. “Ik zou dat best willen, maar het stuit op praktische bezwaren”, beweert mevrouw Noordermeer. Ze noemt als voorbeeld de bibliotheek op Campus Groenenborger. “Daar moet je door het gebouw heen voor je in de bibliotheek bent. We kijken zeker of we aan de buitenkant toch een aparte ingang kunnen maken, want dan kunnen ze veel langer open houden. Overigens is het dan wel zonder personeel, met cameratoezicht en bewaking.”

 

In Antwerpen baseert men de openingstijden op de bezoekersstatistieken. Als voorbeeld wordt de Stadscampus aangedragen. “Als we kijken tussen half acht en negen uur 's avonds, dan gaan die heel erg naar beneden. Als het om negen uur nog stampvol zou zitten, zouden we uiteraard naar de mogelijkheden kijken om de bib langer open te houden”, aldus de hoofdbibliothecaris van UAntwerpen. De openingstijden die men in Leuven en Gent aan haar studenten voorschotelt, zijn in ’t Stad dus niet haalbaar, of op z’n minst niet nodig. Toch wordt er ook geluisterd naar ‘de stem van de student’. “We kijken ook wel naar de behoeften. Op Campus Groenenborger waren we op zaterdag open en waren er drie mensen op een dag, toen zijn we daarmee gestopt. Maar op Campus Drie Eiken was er de vraag om ’s avonds later open te zijn. We zijn normaal tot zeven uur open, dus in de blokperiodes maken we daar nu acht uur van.”

 

studeren in de bib (© Stine Moons en Natasja Van Looveren | dwars)
© Stine Moons en Natasja van Looveren

 

centralisatie

De automatisering en het digitale tijdperk waarin we momenteel leven, hebben ook hun weerslag op de universitaire boekerijen. Naast het feit dat er meer werk moet worden verricht met minder mensen, wordt de hele bibliothecaire huishouding steeds verder gecentraliseerd. Dit is ook wel te begrijpen als je bedenkt dat er vroeger alleen al op de Stadscampus dertig bibliotheken waren. Daar moet je je als lezer overigens niet te veel bij voorstellen. “Een soort bezemkast, maar er stond dan wel een collectie die uitleenbaar was. Als iemand die boeken wilde zien, moest er toch personeel zijn die ze dan uitleende”, aldus mevrouw Noordermeer. Het dertigtal op de Stadscampus is er inmiddels gereduceerd tot één, en in totaal zijn er vier universiteitsbibliotheken in Antwerpen met de Stadscampus als centrale bib.

 

In Gent heersen andere aantallen. Rond de eeuwwisseling waren er meerdere tientallen bibliotheken in de Fiere Stede. “In Gent zijn we er een kleine tien jaar mee bezig om te groeien naar één universiteitsbibliotheek waaronder een aantal faculteitsbibliotheken en één centrale bibliotheek; De Boekentoren”, vertelt Dr. Defoort. Men is druk aan het verbouwen om dit plan te verwezenlijken. “De Boekentoren wordt de bewaarbibliotheek voor de hele universiteitsbibliotheek en in de faculteiten is het telkens een faculteitsbibliotheek waar collecties en open rekken staan.”

 

de student als drijvende kracht

De Universiteit Antwerpen heeft dergelijke verbouwingen, om naar één centrale bib toe te werken, inmiddels achter de rug. Maar het houdt niet op. Campus Groenenborger wordt compleet gerenoveerd, en waar de bib nu slechts de helft van de tweede verdieping in gebouw S in beslag neemt, zal dit de gehele tweede verdieping worden. Hier komen ook een FabLab en een makerspace met A0-plotters, 3D-printers en zware computers erbij. Het definitieve resultaat moet dan zijn: een bibliotheek op de Stadscampus, een op Campus Drie Eiken, het Leercentrum Parabool op Campus Middelheim (deze is er inmiddels) en een bibliotheek op Campus Groenenborger met de hierboven genoemde vernieuwingen. Alles om de student zo goed mogelijk van dienst te kunnen zijn.

 

Ook in Gent zit men niet stil op het gebied van vernieuwingen. Dr. Defoort: “Er zijn nogal wat evoluties. Farmacie en Geneeskunde hebben samen het Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg Gent gecreëerd, waar ook een volledig nieuwe faculteitsbibliotheek bij is geopend.”

 

Via de universiteitsbibliotheek waartoe een kenniscentrum behoort, wordt er dus ook nog eens geïnnoveerd, en innovatie drijft kwaliteit. De bibliotheek moet meer en meer aan de vraag van de student als bibliotheekbezoeker voldoen en eveneens aan de vraag naar het gebruik van de nieuwste technologieën binnen het academiegebouw. De student is een van de drijvende krachten achter dergelijke innovaties, en dus achter de kwaliteit van de universitaire dienstverlening. Zo zie je maar: de klant is altijd koning.



poëzie

18/05/2017
🖋: 
Auteur extern

Gert Vanlerberghe (beeld: Stine Moons)


dw110 - terug naar de bron.jpg



gender en seksualiteit anno 2017

18/05/2017
Kath, Sophie en Valérie (© Lize D'haese | dwars)

Het is de laatste tijd voortdurend in het nieuws, het is het onderwerp van de kinder- en jeugdboekenmaand en je kan er niet meer naast kijken. Gender en seksualiteit is hot and happening, maar hoe progressief zijn we nu eigenlijk écht? We hebben afgesproken met Valerie, Sophie en Kat. Hoe verschillend ze op het eerste gezicht ook lijken, één ding hebben deze vrouwen alvast met elkaar gemeen. Ze doen alle drie lekker wat ze willen en het kan hen niet schelen wat andere mensen daarvan denken. Een tafel vol womanpower dus, daar vuren wij maar al te graag onze vragen op af.

whatever floats your boat

Valérie is postoperatief transgender, wat inhoudt dat ze geboren is als man maar nu als vrouw door het leven gaat, met alles erop en eraan. “Ik voel me honderd procent vrouw, en wat andere mensen daarvan denken kan me niet schelen”, vertelt ze ons overtuigd. Al is dat natuurlijk wel gemakkelijker gezegd dan gedaan.

 

Ze merkt dat mensen nog steeds raar opkijken als ze praat, omdat haar stem soms redelijk laag is. De transgenderkring van het Roze Huis in Antwerpen was een grote hulp en later kon ze ook bij de vzw Atthis terecht. De steun van die laatste verenging kwam er wel pas redelijk recent bij. Vroeger mochten er namelijk geen transgenders binnen in vrouwenverenigingen zoals Atthis, enkel vrouwen en mannen die al een operatie hadden ondergaan. En zo merken we meteen dat het hokjesdenken nog lang niet tot het verleden behoort, zelfs niet binnen de LGBTQ-community zelf.

 

Verenigingen zorgen dus voor een vangnet, maar tegelijkertijd ook voor verdeling. Voor Kat, die als bestuurslid van de vrouwen-/lesbische beweging WIJ heel actief is in de holebiwereld, de Antwerp Pride en Active Company, waren de vrouwenverenigingen een plaats om thuis te komen. En voor dat thuiskomen is Antwerpen blijkbaar de place to be. “Er zijn in ons land heel weinig vrouwenverenigingen in het algemeen, maar Antwerpen bezit de meeste infrastructuur en is het meest gay friendly”, getuigt Kat. Voor studenten en jongeren tot ongeveer dertig jaar zijn er de Flamingo’s en Enig Verschil, en ook voor de oudere dames zijn er twee organisaties.

 

Tussen 30 en 45 is er echter een gat. Daarom richtte Kat samen met twee vriendinnen WIJ op, een vereniging die activiteiten organiseert voor jong en oud. Als we hen vragen of deze verenigingen nog wel nuttig en nodig zijn – we zijn tenslotte 2017 en iedereen is nu toch wel tolerant – worden we onthaald op heel wat ja-geknik. “Er is steeds meer geweld”, zegt Sophie. Sinds de aanslagen is ze op straat meer op haar hoede. Die waren geen directe aanval op de community, maar door het algemeen toenemende geweld is ze voorzichtiger. De verenigingen zijn dus nog altijd van groot belang om jezelf te durven zijn, ook in het openbaar. Toch is Sophie er intussen zelf geen actief lid meer van. Ze is studietrajectbegeleider aan UAntwerpen en is trots op wie ze is: “Ik ben wie ik ben en ik hoef mezelf niet meer te profileren. Vroeger had ik dat wél nodig, omdat ik op zoek was naar wie ik was. Maar na al die jaren is mijn geaardheid nog slechts één aspect van wie ik ben en zeker geen hoofdzaak meer.”

 

Ze vindt de verenigingen echter wel erg belangrijk en kijkt dan ook met trots naar mensen als Kat die zich ook nu nog ten volle inzetten. “De gemeenschap heeft mensen als Kat nodig omdat we nog steeds met een generatie zitten waarbij het echt taboe was om op hetzelfde geslacht te vallen.” Valérie ziet vandaag gelukkig toch al wel wat meer openheid. “Ik woon in een boerendorp en heb eigenlijk nog maar van twee mensen negatieve commentaar gekregen. Zelfs de oudere mensen in mijn straat vinden het helemaal oké en ik ben deel van de vriendengroep.” Haar beste vriend is bovendien een Tunesiër en moslim. “Je merkt dat de mensen er meer en meer voor open staan. Het is vooral in steden, op straat dat mensen nog raar kunnen opkijken en dingen zeggen achter je rug.”

 

pashokjesdenken

Wat mensen vooral moeilijk lijken te begrijpen, is dat Valérie nog altijd gewoon op vrouwen valt. Er bestaat dus nog steeds een groot misverstand in onze samenleving. Sekse, gender en seksualiteit zijn niet hetzelfde en dat  beseffen veel mensen niet, vertelt ook Sophie. Iemand die fysiek man is, voelt zich niet noodzakelijk man. Een man die vrouw wil worden is niet altijd homo en een homo voelt zich ook niet per se vrouw. Ongeveer vijf procent van de transmannen voelt zich nog steeds aangetrokken tot mannen en meer dan vijfentwintig procent van de transvrouwen is nog altijd voor de vrouwen.

 

Maar ook dat is nog te zwart-wit. Homo, lesbisch, bi, trans, het zijn allemaal categorieën waarin mensen geduwd worden. “Ik ben voor de persoon die ik tegenkom”, zegt Valérie eenvoudigweg. “Meestal zijn dat vrouwen en daarom identificeer ik me als lesbisch. Maar misschien kom ik morgen wel een leuke man tegen.” Niet alle mensen passen in een hokje en de grens is soms moeilijk te trekken. Wanneer stop je met crossdressing en vanaf wanneer ben je echt een vrouw? Misschien moeten we dus stoppen met alles en iedereen in hokjes te duwen en mensen gewoon laten zijn wie ze zijn. “We moeten zijn wie we zijn, dan zijn we op ons best”, vat Sophie mooi samen.

 

Kath Sophie en Valérie (© Lize D'haese | dwars)
Kath, Sophie en Valérie (© Lize D'haese)

 

Maar wordt op evenementen als de Pride niet toch weer in hokjes gedacht, vragen we ons af. “Dat is misschien wel zo, maar het is ieders eigen vrije keuze”, klinkt het. “Sommigen willen wel in een hokje zitten en identificeren zich echt als homo.” Het probleem wordt echter een stuk lastiger wanneer het over gender gaat.

 

De hele problematiek is daar net verbonden aan de identificatie met een bepaald geslacht. Sommigen voelen zich noch vrouw, noch man, maar anderen identificeren zich net heel sterk als man of als vrouw. De hokjes afschaffen is dus geen goed idee. Hier laten we iedereen beter de vrije keuze: m, v of x.

 

knip

Wettelijk kan dat echter nog niet. Je bent m of v, niet x. Van geslacht veranderen kan, maar daarvoor moet je voor de wet als man nog altijd eerst alle medische procedures (inclusief sterilisatie) doorlopen hebben voor je officieel als vrouw door het leven kan gaan, en omgekeerd. Dat houdt in dat je je soms ongewild als transgender moet outen terwijl je eigenlijk gewoon als man of vrouw door het leven wil gaan. Ook aan de universiteit kan dit vervelende situaties veroorzaken. Stel je maar eens voor dat je als transgender je examen gaat afgeven en je studentenkaart moet tonen. De foto en naam daarop komen misschien helemaal niet meer overeen met je uiterlijk en je moet onvrijwillig je hele situatie nog eens uitleggen. De universiteiten zijn zich bewust van de situatie en er komt stilaan een duidelijker beleid. Ook op politiek vlak zit men niet stil. Het wetsontwerp van minister van Justitie Koen Geens (CD&V) en staatssecretaris voor Gelijke Kansen Zuhal Demir (N-VA) om de verplichte medische procedure af te schaffen, is ondertussen goedgekeurd, maar het is toch opmerkelijk dat zoiets anno 2017 nog altijd een issue moet zijn.

 

Concreet zal binnenkort een eenvoudige administratieve procedure bij de burgerlijke stand volstaan om wettelijk van geslacht te veranderen. Opvallend is dat het wetsvoorstel voorziet dat kinderen vanaf twaalf jaar al een nieuwe voornaam kunnen kiezen. Vanaf zestien kan ook het geslacht worden aangepast op de geboorteakte. Maar is dat wel een goed idee? Hoe goed kan een kind weten of hij/zij wel echt van het andere geslacht wil zijn, of dat het zich gewoon niet goed voelt binnen de gendernormen van onze samenleving? Je een meisje voelen en ook echt een meisje worden, zijn twee heel verschillende dingen. “Als je zestien jaar bent, denk je de hele wereld te kennen, maar er valt nog zoveel te ontdekken”, bedenkt Sophie luidop.

 

Aan de ene kant mogen we heel blij zijn dat de transgenderwetgeving al zo ver staat, maar aan de andere kant blijven we ons toch afvragen: is dit wel een goed idee? Die bezorgdheid hebben ook de vrouwen zelf. “Ik ken iemand die tien jaar jonger is, geboren als een jongen, maar ze wilt een meisje zijn”, vertelt Valérie. “Het lijkt haar allemaal veel te lang te duren, maar langs de andere kant is ze nog zo jong!” Ook Kat vreest dat het te jong is. Zelf voelde ze zich vroeger heel erg een jongen. “Als negenjarige schreef ik liefdesverhalen waarin ik een jongen was.” Maar als we vragen of ze nooit echt een jongen wilde worden, zegt ze nee. “Ik ben gelukkig als vrouw nu. Toen ik relaties begon te hebben, werd die behoefte om me als man te gedragen minder en ergens was er zelfs een soort angst. Zouden vrouwen mij wel nog willen als transman?” En daar wringt net het schoentje met dit wetsvoorstel. “Had ik die mogelijkheid gehad op mijn zestiende, dan had ik het misschien toen wel gedaan. Maar ik ben nu blij dat ik het niet gedaan heb. Toegegeven, ik wissel nog steeds in mijn gevoel tussen het man en vrouw zijn, en meestal voel ik me meer man dan vrouw. Maar dat gevoel is niet sterk genoeg om er verder iets mee te doen. Ik heb wel om medische redenen mijn borsten laten verwijderen en bewust niet gekozen voor een reconstructie.”

 

In hoeverre wordt een kind hier dus in beïnvloed? Misschien is de oplossing gewoon dat we kinderen niet in hokjes opvoeden. Action Man én Barbie voor iedereen! Dan hebben kinderen ook niet snel de neiging om zichzelf in een ander hokje te steken en kunnen ze op latere leeftijd nog beslissen of ze de hele procedure willen ondergaan.

 

Er is dus vanalles aan het gebeuren, maar ook nog vanalles te doen. Veel hangt samen met het informeren en sensibiliseren. Als mensen niet begrijpen wat het is, gaan ze het ook nooit écht accepteren. Aan deze vrouwen zal het niet liggen, zij hebben na ons gesprek waarschijnlijk met hun drieën nog heel de nacht doorgepraat.

 

 

Heb je vragen over gender en seksualiteit? Neem dan via het STIP contact op met de Dienst voor Studieadvies en Studentenbegeleiding (03 265 48 72, stip@uantwerpen.be) of contacteer de holebifoon (0800 99 533, vragen@holebifoon.be).



waarom de ene hoogbegaafde succesvol is en de andere niet

18/05/2017
hoogbegaafdheid (© Natasja Van Looveren | dwars)
🖋: 

Het Einstein-vooroordeel of het idee dat alle hoogbegaafden per definitie succesvol zijn, is onjuist. Onderprestatie bij mensen met een zeer hoog IQ is een vaak voorkomend, maar niet zo bekend probleem.

Michiel en Lars zijn allebei 24 jaar. Michiels schoolcarrière verliep heel vlot. In de lagere school was hij de primus van de klas en ook van het middelbaar studeerde hij af met mooie resultaten. Hij behaalde zijn masterdiploma Burgerlijk Ingenieur met onderscheiding en onderhield tijdens deze studie ook allerlei hobby’s. Lars daarentegen, legde een minder rooskleurig schoolparcours af. In de lagere school was alles nog oké, maar in het middelbaar werd hij al snel geheroriënteerd. Ook in gemakkelijkere richtingen behaalde hij slechte resultaten. Lars heeft uiteindelijk nooit zijn diploma secundair onderwijs gehaald. Wat veel mensen zal verbazen, is dat Michiel en Lars allebei hoogbegaafd zijn. Iemand met een hoog IQ behaalt dus niet altijd goede studieresultaten.

 

Wanneer is iemand hoogbegaafd?

“Hoogbegaafdheid bestaat uit twee onderdelen”, legt Tessa Kieboom, expert in hoogbegaafdheid uit. “Het eerste is het cognitieve deel dat bestaat uit intelligentie, creativiteit (probleemoplossend denken) en motivatie. Het tweede deel bestaat uit de ‘zijnskenmerken’ van een persoon. Bij een hoogbegaafde zijn dat een sterk rechtvaardigheidsgevoel, een kritische ingesteldheid, een hoge gevoeligheid en een drang naar perfectionisme.” Van dat alles is enkel het intelligentieonderdeel objectief meetbaar met een IQ-test. Hierbij haalt de gemiddelde persoon een score van 100. Wie 130 of meer scoort is hoogbegaafd. Dat komt neer op iets meer dan 2 procent van de bevolking. Als je daar de tussengevallen bijrekent die net geen 130 scoren, maar wel over de vier typische zijnskenmerken beschikken, kom je uit op 3 procent van de bevolking.

“Je zou hoogbegaafdheid dus kunnen omschrijven als een cocktail van krachtige eigenschappen”, zegt Tessa Kieboom. “Naast de zijnskenmerken zijn er nog heel wat persoonsgebonden kenmerken typerend voor hoogbegaafden zoals een goed ontwikkeld geheugen, veel concentratievermogen, nieuwsgierigheid, gevoel voor humor en interesse in existentiële vragen.” Als deze cocktail van eigenschappen op de juiste manier wordt gebruikt, kan het tot goede studieresultaten en een succesvolle loopbaan leiden. Jammer genoeg zijn er ook hoogbegaafden bij wie deze krachtige eigenschappen op bepaalde momenten in hun leven meer in hun nadeel dan in hun voordeel spelen.

 

De donkere keerzijde van een hoog IQ

Wetenschappers hebben doorheen de jaren verschillende modellen ontwikkeld om te verklaren waarom de ene hoogbegaafde wel uitzonderlijke prestaties neerzet en de andere niet. Men is het erover eens dat omgevingsfactoren zoals de gezinssituatie, opvoeding, school en het CLB een sterke invloed hebben. Uit de laatste bevindingen blijkt dat naast de omgeving ook het ‘zijnsluik’ een effect uitoefent op de prestatie. Dat zijnsluik zijn de niet-cognitieve kenmerken van de persoon zoals stressgevoeligheid, motivatie, leerstrategie en zelfvertrouwen.

Een ondermatige prestatie van hoogbegaafde leerlingen is volgens Kieboom een vaak voorkomend probleem: “Ze krijgen niet genoeg uitdaging en vervelen zich, wat leidt tot demotivatie en slecht functioneren op school. Ook zijn zij het niet gewend om te moeten oefenen waardoor ze geen juiste studietechniek ontwikkelen. Als de leerstof dan toch complexer wordt, weten deze hoogbegaafden niet hoe ermee om te gaan.” Ook hun andere manier van denken leidt geregeld tot problemen. Vaak gaan hoogbegaafden bijvoorbeeld de oplossing van een simpel probleem te ver zoeken. Door al deze factoren halen deze leerlingen slechte schoolresultaten en na een tijdje worden ze geheroriënteerd naar een gemakkelijkere richting. Daar vinden ze nog minder uitdaging en zo komen ze terecht in een negatieve spiraal. Dit verklaart waarom hoogbegaafden vaak een diploma onder hun niveau, of zelfs geen diploma, behalen.

Een ander probleem waar hoogbegaafden vaak mee te maken krijgen, is een verkeerde diagnose. Op school wordt hun ‘anders zijn’ on terecht gelinkt aan stoornissen zoals een concentratiestoornis, ADHD of autisme. Het is voor een hoogbegaafd persoon dus heel belangrijk om een snelle en correcte vaststelling hiervan te krijgen. Omgekeerd beschouwen leraren normaal begaafde kinderen met zeer goede cijfers soms als hoogbegaafd. Dit komt door het verkeerde beeld dat er nog steeds over leeft.

 

Help!

Gelukkig bestaan er hulporganisaties voor mensen met een heel hoog IQ. Een voorbeeld hiervan is Exentra, een expertisecentrum dat al vijftien jaar hoogbegaafden van alle leeftijden begeleidt. Sommigen komen er ook preventief naartoe om zichzelf beter te leren kennen. De problematiek wordt gelukkig bekender en lagere en middelbare scholen nemen steeds meer maatregelen om hoogbegaafden goed te begeleiden en hen extra uitdaging te bieden. Het systeem van middenjury, waarbij leerlingen zelfstandig en op eigen tempo kunnen studeren en examens afleggen, is eveneens geschikt voor hoogbegaafden. Ook universiteiten zouden studenten met een hoog IQ kunnen helpen door hen een aangepast leertraject aan te bieden. Zo zouden ze meerdere richtingen tegelijk kunnen volgen of hun studie op verkorte termijn kunnen afleggen. Helaas besteden de meeste universiteiten (nog) geen aandacht aan dit thema.

 

*Laatst gewijzigd op 19/03/2019



over muziek, koken en haar eigen studententijd

17/05/2017
Katrien Lievois
🖋: 

De rubriek ‘proffenprofiel’ toont professoren zoals je ze nog nooit zag: als mensen. dwars stelt de vragen die bij menig student al jaren door het hoofd spoken; wat zijn/haar docent zoal op zijn brood smeert bijvoorbeeld. Katrien Lievois, professor Franse taal en cultuur aan het Departement voor Vertalers en Tolken, wordt deze maand bestookt met vragen.

U heeft gestudeerd aan de Universiteit Gent. Wat voor student was u?

Ik denk in de eerste plaats dat ik een enthousiaste studente was. Ik heb mijn universitaire studies – Romaanse filologie, zoals dat toen heette – ontzettend graag gedaan. Dat lag wellicht ook aan het feit dat er in ons jaar heel wat interessante, gemotiveerde persoonlijkheden zaten. Wij vormden een hechte groep van relatief goede vrienden. Velen onder hen zie ik nu nog steeds. Toen ik, enige jaren na mijn studies, als assistente op een andere manier omging met mijn vroegere professoren, hebben enkelen onder hen mij gezegd dat ze zich ‘ons’ jaar inderdaad als één van de leukste groepen in hun carrière herinnerden.

 

Welke gebeurtenis van uw studententijd blijft u eeuwig bij?

In de eerste jaren van mijn opleiding had ik het vak Geschiedenis van de Romaanse Beschaving. Een heel interessant college, dat bovendien door een prof werd gedoceerd waarvan ongeveer iedereen in mijn jaar een absolute fan was. Hij gaf zijn college in een grote aula met klapstoeltjes. Op een dag zaten wij te wachten tot de prof binnenkwam, toen ik mijn pennenzak op de grond liet vallen. Ik kroop toen onder het klapstoeltje om al mijn pennen en potloden bijeen te rapen. Op dat moment hebben de twee vrienden die naast mij zaten het stoeltje naar beneden geklapt en zijn ze erop gaan zitten. Eerst ben ik luid beginnen te roepen, maar toen ik hoorde dat de prof binnenkwam, leek het mij toch beter stil te blijven. Ze hebben mij zo meer dan 10 minuten ‘gevangen’ gehouden. Toen ze het klapstoeltje loslieten, ben ik dus gewoon ‘boven water’ gekomen, alsof dat de normaalste zaak van de wereld was. De prof geschiedenis heeft mij even heel verbaasd aangekeken. Hij onderbrak zijn les enkele seconden, maar is uiteindelijk behoorlijk snel verder gaan lesgeven. Aan zijn uitdrukking kon je zien dat hij zich vooral afvroeg of hij echt wel gezien had wat hij meende gezien te hebben.

 

Nu doet u onderzoek en werkt u voor de Universiteit Antwerpen. Hoe bent u hier terecht gekomen?

Ik heb mijn doctoraat aan de UGent behaald. Enkele maanden na mijn verdediging is één van de professoren van het departement vertalers en tolken, dat toen nog niet tot de UAntwerpen behoorde, in een tragisch auto-ongeval overleden. Ik ben toen aangeworven als prof, maar ben nooit vergeten hoe mijn geluk toen in direct verband stond met het ongeluk van iemand anders.

 

Wat vindt u het leukste aan uw baan als prof?

Het feit dat je elke dag iets bijleert en met heel interessante mensen in contact komt. Dat is wellicht het geval bij veel jobs, maar als je lesgeeft aan een universiteit en onderzoek doet, is dat gewoon een absoluut feit.

 

Welke Franse literaire tekst of welke vertaling daarvan zou volgens u iedereen gelezen moeten hebben?

Niet al mijn lievelingsschrijvers schrijven in het Frans. Wat de Franstalige literatuur betreft, blijf ik een grote fan van Albert Camus en Romain Gary, of zijn pseudoniem Emile Ajar. Maar de Franse tekst die iedereen – al dan niet in vertaling – zou moeten lezen, is volgens mij de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen uit 1789.

 

Als u moest kiezen tussen de Franse en de Belgische keuken, welke heeft dan uw voorkeur?

Ik houd erg van een aantal typische Belgische gerechten en telkens wanneer ik buitenlandse vrienden op bezoek heb, probeer ik hen er één daarvan klaar te maken. Tomates crevettes, Vlaams stoofvlees, (Waalse) suikertaart, Gentse waterzooi, garnaalkroketten ... Maar ik kan evenveel genieten van een Daube provençale, Soupe de pistou en aïoli. Ik ontvang heel graag en doe dan vaak de moeite om te koken voor mijn gasten. Geen haute cuisine, maar gewoon een lekkere maaltijd. En ik ga dus af en toe op zoek naar nieuwe recepten.

 

Waar besteedt u uw vrije tijd aan?

Lezen is zeker één van de zaken waaraan ik in de loop van mijn hele leven het meeste vrije tijd heb besteed. Ik ben – en dat zal niemand die mij kent erg verbazen – helemaal geen sportief persoon, maar ik maak wel geregeld een mooie wandeling en speel ook regelmatig golf. Ik ben geen goede speelster, maar kijk er wel elke week naar uit, ondanks wat Mark Twain over golf schreef: “Golf is a good walk spoiled.”

 

Heeft u een guilty pleasure?

Ja, en daar moet ik niet lang over nadenken: chocolade! In dat verband heb ik ook een Engels motto: “A balanced diet is chocolate in both hands!” Vaak moet ik mezelf ook een beetje oppeppen wanneer ik mijn huis of mijn wagen moet schoonmaken. Vroeger had ik voor die momenten twee speciale playlists. De ene bevatte muziek van Donna Summer, Abba en Gloria Gaynor. De andere Joe Dassin, Gilbert Bécaud en Claude François. Dat is natuurlijk iets wat ik nooit aan iemand heb durven toegeven … Wat mijn playlists nu bevatten? Dat zal ik pas binnen 10 jaar vertellen!



how Erasmus students perceive the teaching methods at the University of Antwerp

17/05/2017
Teaching differences (© Stine Moons | dwars)
🖋: 
Auteur extern

Flavia Cervelli


The Erasmus Programme is 30 years old and each year an increasing number of students decide to study at least one semester abroad. University systems and teaching methods still remain very different between countries, depending on cultural traditions and professors’ education. A new method is one of the many difficulties students face when following the Erasmus Programme, because you suddenly have to change your approach to classes and studies. As an Erasmus student myself, I decided to meet some colleagues who study different subjects in different countries and ask them about their experiences with the teaching methods of their professors at the University of Antwerp. Are they swayed by the new didactics or do they prefer those from home?

When I met Marion, a 21 year old French girl who studies in Strasbourg, the first thing she told me was Antwerp professors present lectures in a typical ‘frontal classes’ way, which is similar to her home university. She does believe her professors at UAntwerpen are closer to their students and always ready to explain something when students didn’t understand it during the lecture.

 

“Once, during the break, I was going to ‘Agora’ to get a coffee with a friend and the professor was going there too. We went together and she asked us if everything was clear and whether we wanted something to be explained again” she says. In Antwerp it’s possible to ask questions after class or during the break, and this wasn’t the only time she drank coffee with a professor. “Last semester I had a question about the last lecture and I asked the professor at the end of class. She invited me to grab a coffee together so she could explain it again.”

 

She is attending a Business School in France, where lectures are more practical than here. “Something I miss” she adds.

 

 

Iza is a 22 year old girl who studies International Relations in Poland. For her courses at UAntwerpen she gets permanent evaluation. That means a lot of participation in class, oral presentations, group projects, and weekly papers, which she is not used to. “It is a completely different way of teaching compared to my home university” she says. She too thinks professors are more friendly over here and believes she might have found the reason: “Because classes are seminars in small groups, professors are more involved and students are more active too.” She tells me about an interesting school trip to The Hague organized by her professor. “It was really exciting and that never happened to me in Poland” she says.

 

“Back home, we always discuss current affairs. Here we have a lot of discussions as well, but they are all related to the lectures.” Furthermore she finds that lectures here are plenty of theory, which isn’t bad as “you have a broader knowledge of arguments, you do not get stuck in the details.” She found it really helpful that professors provide students with some course readers with all the academic articles used in the lectures, so she didn’t have to search for all of them.

 

 

The third student I met is Edoardo. As a 23 year old law student from Bologna, he also appreciates the interactive approach of the lectures. “What I really like about the courses I am attending here is that you have the possibility to give your opinion in class and discuss a topic with others. I consider it really useful because it gives you the opportunity to understand the other’s point of view.” He notices professors are really interested in what students say and they constantly quiz them about what they think. He likes giving presentations and writing papers as it is a useful exercise for his future career. “Law students, who will probably become lawyers or judges, are supposed to be able to write legal acts. I never had the possibility to practice that. Teaching here is really more practical than the way I am used to in Italy.”

 

 

Katerina is a 23 year old who studies Biology in Greece. She explains that it is hard for her to compare teaching methods, because she is still doing her Bachelor's but is nevertheless attending master courses here. “In some courses it is easier to participate in class, because there aren’t that many students. All professors are really clear in explaining everything. It is also rather difficult for me to give presentations and write papers, but I believe it's normal to expect master students to do so”, she says. Her professors in Greece are really good, have great knowledge and are renowned researchers, but they tend to keep students at a distance. The professors she met here, on the other hand, are more friendly. They have been very helpful and they completely understood her difficult situation as an exchange bachelor's student.

 

 

Even though they all find that the teaching methods used at the University of Antwerp are usually different from the ones in their own universities, all exchange students I spoke were very enthusiastic about the courses they chose. Everyone considers their professors to be really friendly. What they appreciate most is the possibility to actively participate in class, express their point of view, or just ask questions. After all, isn’t learning from each other what Erasmus is all about?



tussen wal en schip

17/05/2017
🖋: 

In Noord-Brabant zei iedereen vier jaar geleden tegen me dat het wel zou meevallen in Antwerpen. Zo’n grote cultuurshock zou het niet zijn, want je bent als Brabander toch een soort ‘reserve-Belg’. Nu weet ik dat dat een leugen was. Want ik kan me sinds kort eigenlijk pas echt een reserve-Belg noemen.

Het verschil tussen Brabanders en Vlamingen bestaat wel degelijk. Qua gewoontes, maar ook qua taal. Onze zachte ‘g’ mag dan een verbindende, herkenbare factor zijn, als je zegt dat je naar het station gaat lopen en mensen je vragen of je dan soms haast hebt, wordt die utopische bubbel snel doorprikt.

 

Ik ben ondertussen een soort hybride. In de auto met mijn moeder werd ik laatst gebeld door een Vlaams nummer. Mijn moeder wist niet wat ze hoorde. Want zoals sommige mensen een ‘telefoon stem’ hebben, heb ik kennelijk een ‘Belgen stem’, speciaal voor als ik met Belgen praat.

 

aan het station

En nee, dan heb ik het absoluut niet over woorden zoals “amai” of “allee”, want als ik die gebruik voelt het alsof ik een wanhopige, goedkope imitatie van een Vlaming doe. Het verschil vind je juist in kleine dingen zoals voorzetsels.

 

Zinnen als “mijn fiets staat aan het station”, “we gaan op café” en “ik zit op de bus” leiden ertoe dat ik onlangs in mijn geboorteprovincie werd gevraagd waar ik in godsnaam vandaan kwam.

 

pinnen

Maar natuurlijk zijn de meest opvallende kenmerken van mijn status als reserve-Belg te vinden in mijn woordkeuze. Als ik vrienden van mijn ouders vertel dat ik op kot zit in Antwerpen, voeg ik snel toe: “Oh nee, op kamers natuurlijk.” In een Nederlandse winkel stikte ik onlangs bijna in mijn woorden toen ik “met de kaart betalen” wilde zeggen in plaats van “pinnen”. Dat is trouwens een zin die ik steeds minder uitspreek. Want waar je in Nederland overal kan “pinnen”, heb ik in België altijd contant geld op zak, just in case.

 

Uiteraard is “een biertje drinken” “een pintje pakken” geworden. Maar volgens mij opperde ik laatst ook dat ik “fier” was op iets of iemand, dat “stoefen” soms best mag, en dat dat feestje vorige week toch echt wel “zot” was. De ultieme test om er tóch achter te komen of iemand Nederlands of Vlaams is, is trouwens “steen papier schaar”, of “schaar steen papier”. En “vast en zeker” en “zeker en vast” passen ook in dat rijtje. Want welke is het nou?

 

ik ga gaan

Ook de werkwoorden zijn niet veilig van mijn vervlaamsing. In mijn eerste jaar in Antwerpen zei ik nog dat ik ’s ochtends ging “hardlopen”. Als een medestudent dan hardop bevestigde dat ik Nederlands was – “Oh ja, zo zeggen jullie Hollanders dat” – dacht ik grinnikend “dat ik ga ik nooit veranderen.” Maar nu ga ook ik “stappend” of “wandelend” naar het station en zal ik “lopen” in plaats van “rennen” als ik bijna te laat ben. En zelfs die ene constructie die me vroeger de slappe lach bezorgde, kwam laatst plots uit mijn mond. “Zeg, ik ga denk ik maar eens gaan.”

 

Twee jaar geen Koningsdag vieren, uit volle borst meezingen met Allemaal en af en toe met Belgische vrienden (slechte) imitaties van Hollanders uitvoeren? Het is officieel. Ik ben een landverrader.