20/04/2017
seks (© Lisa Decré en Lize D’haese | dwars)

Meer dan twee op drie studenten deed het al eens onveilig. Hé(t)? Ja, meer dan twee op drie studenten had al eens onveilige geslachtsgemeenschap. Wij – die zijn opgegroeid met lessen seksuele voorlichting – zijn meesters van de theorie, maar sukkelaars in de praktijk.

Is het echt zo slecht gesteld met de veiligheid van ons seksleven? We polsten bij 1.876 studenten naar het leven tussen de niet zo versgewassen lakens.

 

even testen

condooms en bloemen (© Lisa Decré en Lize D’haese | dwars)Twee op drie hoort zich dus eens te testen op soa’s. Wanneer we aankloppen bij de huisartsenpraktijk Korte Klaren, nabij de Meir, komen we bij dokters Anne Marieke Wiggers en Matthias Verleije uit. Middenin de studentenbuurt, daar kunnen soatesten geen uitzondering zijn.

 

“We zien inderdaad dagelijks patiënten voor een soatest”, verklaart Anne Marieke. Of ze meteen aankaarten waarvoor ze komen? “Er zijn patiënten die actief vragen om een soatest”, vertelt Matthias. “Maar je hebt ook mensen die subtiel om een bloedafname polsen.” Anne Marieke herkent de situatie. “Dan vraag ik steeds wat ze specifiek willen laten nakijken. Vaak wordt er dan uiteindelijk wel expliciet om een hiv-test gevraagd.”

 

Het uitdrukkelijk vragen naar enkel hiv vinden beide artsen opmerkelijk. “Als je studenten hoort, draait het blijkbaar vooral om aids”, merkt Matthias op. “Maar de kans dat jij hiv krijgt na één keer onveilige seks met een andere heteroseksuele partner is heel klein. Niet onbestaande, uiteraard.”

 

“Er zijn echter andere ziektes die zoveel gemakkelijker overgedragen worden en veel frequenter voorkomen. Een op twaalf studenten loopt bijvoorbeeld met chlamydia rond. Daar heb je vaak geen symptomen van, maar de ziekte kan je wel onvruchtbaar maken. Nochtans is het erg gemakkelijk te behandelen. Eén tabletje innemen en je bent er vanaf.”

 

(on)bevlekt vertrouwen

Een op twaalf studenten, dat zou overeen moeten komen met 8,3% van de deelnemers aan onze enquête. Slechts 4% van de seksueel actieve studenten geeft echter aan ooit al eens chlamydia opgelopen te hebben. Volgens de statistiek van Anne Marieke en Matthias zou een andere 4% van onze deelnemers dus met chlamydia rondlopen, zonder daarvan op de hoogte te zijn.

 

We waren allebei nog maagd, dus we hadden geen kans op soa’s.

 

Dat is goed mogelijk, aangezien maar 39% van onze seksueel actieve studenten zich al eens bij een arts heeft laten testen op een soa. Goed, je kan stellen dat een soatest niet nodig is wanneer je altijd veilig van bil gaat. Maar zelfs van alle studenten die het al eens onveilig deden, liet nog niet eens de helft (47,5%) zich testen bij de huisarts.

 

Waarom laten de studenten zich niet checken na een onveilig avontuur? “Sommige mensen zijn er gewoon niet ongerust over. Of zijn onwetend”, bedenkt Anne Marieke. Een aantal studenten in onze enquête halen nog een andere verklaring aan. “We waren allebei nog maagd, dus we hadden geen kans op soa’s.”

 

Figuur 1: soatest bij de huisarts
Figuur 1

 

Met deze bewering springen we binnen bij de goeroes van de Vlaamse seksuele voorlichting, Sensoa. “Dat is een gevaarlijk excuus om het onveilig te doen”, zegt Wannes Magits. “Want hoe weet je dat zeker? En wat verstaat die (andere) persoon onder maagd zijn?”

 

“Je weet pas zeker of je een soa hebt, als je je laat testen”, vervolgt Wannes. “Ook studenten die serieel monogaam zijn, moeten dus oppassen.”

 

Share love, geen soa is een recente Sensoacampagne die daarop focust. Jongeren gaan er vaak van uit dat er niks mis kan gaan als je van de ene relatie in de andere rolt. Maar de ander kan altijd een soa hebben opgelopen zonder het te weten. Wat als zijn of haar ex bijvoorbeeld is vreemdgegaan? “Wij raden mensen aan om seks te hebben met condoom in een nieuwe relatie, totdat ze zich allebei hebben laten testen.”

 

Zijn studenten zich dan helemaal niet bewust van de risico’s? “Er bestaan verschillende soorten intelligentie”, zegt Wannes. “Waar we bij Sensoa op hameren is dat ook attitudes en vaardigheden op school moeten worden aangeleerd.” Weten dat je een condoom moet gebruiken is namelijk iets anders dan het in praktijk omzetten.

 

Een op twaalf studenten loopt met chlamydia rond.

 

zonder hoesje niet in het poesje?

En daar wringt het schoentje vaak. Of zo blijkt toch uit de redenen die studenten opgaven voor hun seksueel onveilig gedrag.

 

‘In het vuur van het moment’ het condoom vergeten boven te halen, steekt met kop en schouders boven de andere verklaringen uit. Ongeveer 45% van de studenten die onbeschermd onder de lakens kroop, lag al eens in deze situatie. Vrouwen zwichten blijkbaar sneller in het vuur van het moment: 58% van de studentes die onveilig seks hadden, halen dit als oorzaak aan. Bij de mannen geeft er slechts 26,6% dit als reden op.

 

Figuur 2: redenen voor onveilige seks
Figuur 2

 

Dat beide partijen geen condoom op zak hebben, is de tweede grootste onveilige situatie. Ruim 33% bekent hierover schuld, al hebben mannen (37,6%) deze situatie vaker voor dan vrouwen (29,8%).

 

Condooms zijn sowieso nog steeds niet erg geliefd, 14,6% laat weten dat ze zelf toch liever geen rubbertjes ontrollen (of voelen). Andere studenten lieten weten dat hun partner geen condoom wilde gebruiken, waar zij niet tegenin durfden gaan.

 

(geen) gêne

Ook 15% van de homoseksuele populatie uit onze enquête gebruikt niet graag condooms. In deze groep gebeurt het wel vaker dat ze beide geen condoom op zak hebben (40,2%), maar ze zwichten in het vuur van het moment minder vaak om het zonder bescherming te doen (19,5%).

 

“We zien in de homogemeenschap veel meer zelfbewuste mensen”, merkt Matthias op. “Zij zijn dikwijls erg goed geïnformeerd over de risico’s en symptomen. Vaak maken zij om de drie tot zes maanden een afspraak om zich opnieuw te laten screenen.”

 

Inderdaad, maar liefst 73,6% van alle homoseksuelen die al eens onveilige seks hadden, liet zich testen op soa’s bij de huisarts. Dat is bijna 15% meer dan heteroseksuelen in dezelfde situatie.

 

“Ik geloof dat er in de homogemeenschap meer gepraat wordt over hiv en hepatitis”, haalt Matthias als mogelijke reden aan. “Gesprekken over chlamydia in de heteroseksuele gemeenschap, dat zie ik nog niet direct gebeuren.”

 

We zien in de homogemeenschap veel meer zelfbewuste mensen.

 

doe het zelf

Is een hiv-zelftest van de apotheker de oplossing voor studenten die geen doktersafspraak durven maken? Hoe handig zo’n zelftest ook mag lijken, je dient natuurlijk wel goed te weten wanneer je ze kan gebruiken. Anders ben je eraan voor de moeite.

 

In het hart van de studentenbuurt, de Keizerstraat, spreken we met apotheker Van Briel. Veel klanten voor de zelftest hebben ze nog niet gehad. Ze vinden de test ook niet de beste manier om zo’n belangrijke informatie te verkrijgen. Vooral het emotionele aspect is erg zwaar. “Je moet maar alleen thuis zijn en positief testen ...”

 

Weten studenten vanaf wanneer je jezelf kan testen? 30,9% van onze studenten kan ons het juiste antwoord bezorgen: drie maanden na de onveilige seks kan deze zelftest je van een juist antwoord dienen. Er zijn echter ook erg veel studenten die, ondanks de media-aandacht die de zelftest kreeg, geen idee hebben wanneer ze van pas kan komen (40,3%) of een foutieve vensterperiode in hun hoofd hebben (27,6%). Bieden apothekers dit antwoord steevast aan?

 

Gesprekken over chlamydia in de heteroseksuele gemeenschap,
dat zie ik nog niet direct gebeuren.

 

“We zeggen dat er altijd bij en geven ook een folder mee. We nemen de studenten ook mee naar achter om met ze te praten”, zegt Van Briel. “Is de test wel echt nodig, wil je hier testen zodat je niet alleen bent?”

 

Een zelftest voor hiv, allemaal goed en wel. Maar daarmee test je je nog niet op andere soa’s. Daarvoor moet je nog steeds naar de huisarts. En dat doet, zoals gezegd, nog maar 39% van onze seksueel actieve studenten.

 

“Misschien durven mensen niet langs te komen omdat ze niet weten hoe een soa-consult eruit ziet?”, bedenkt Anne Marieke. “Natuurlijk moeten we je wat vragen stellen over je partners van de laatste zes maanden. Die zijn niet altijd leuk om te beantwoorden, maar we hebben dergelijke informatie nodig om de risico’s te kunnen inschatten. Verder hoeven we enkel nog een bloedafname en een urineonderzoek uit te voeren wanneer er verder geen klachten zijn. En uiteraard valt alles onder het beroepsgeheim.”

 

Figuur 3: wie hoort er voor een condoom te zorgen?)
Figuur 3

sharing is caring

Dat er condooms aan te pas moeten komen om geen soa’s op te lopen, schijnt wel duidelijk te zijn. Ze worden alleen gemakkelijk eens vergeten. Wie hoort er voor te zorgen dat deze rubbertjes binnen handbereik liggen? Figuur 3 toont aan dat de verschillende geslachten zich verenigen en dezelfde verwachtingen schijnen te koesteren. 77,9% is van mening dat beide partijen er een op zak zouden moeten hebben.

 

Diezelfde eensgezindheid vinden we niet meer wanneer we peilen naar de aannames over het gebruik van de pil of een spiraal bij vrouwen. 40% van de mannen in onze enquête blijkt vaker te verwachten dat vrouwen wel voorzorgsmaatregelen treffen tegen een groeiend vruchtje in hun lijf. Dat is meer dan bij de vrouwen, maar ook 32% van onze dames gaat ervan uit dat een vrouw de pil slikt of een spiraaltje heeft.

 

Goed, iedereen mag zijn eigen verwachtingen creëren. Maar gaan deze heren na of hun aannames kloppen, voordat er een condoom achterwege wordt gelaten? We selecteerden de mannelijke studenten uit onze enquête die al eens seks hadden met een vrouw. De mannen die dus – naast het eventueel krijgen of doorgeven van een soa – de kans liepen om vader te worden, wanneer voorbehoedsmiddelen op het nachtkastje blijven liggen.

Deden deze hetero- en biseksuele mannen met hun verwachtingen het desondanks wel zwangerschapsveilig (figuur 4)? 12,2% die verwacht dat het meisje de pil slikt, vraagt er blijkbaar helemaal niet naar. Een net iets groter deel vraagt hier niet in alle gevallen naar.

 

Grafiek 4: wat doen mannen in functie van hun verwachtingen
Figuur 4

 

slikken

Mogen ze er überhaupt wel vanuit gaan dat een meisje de pil neemt of een spiraal heeft? Bijna 8 op 10 studentes beschermt zichzelf inderdaad tegen een zwangerschap. De pil is veruit het populairste vrouwelijk voorbehoedsmiddel. Maar liefst 67,4% van de dames slikt de pil en 11,7% beschermt zich door middel van een spiraaltje.

 

Hoewel anticonceptie bij het merendeel van de vrouwen dus dagelijkse kost is, heeft 38,2% van diezelfde dames al eens onveilige seks gehad waardoor een zwangerschap mogelijk kon zijn. Meer dan de helft van de studentes (53,1%) gaf aan dat een vergeten pil al eens de boosdoener was.

 

Een andere opvallende reden waardoor vrouwen soms kans hebben op zwangerschap, is omdat ze rekenen op hun cyclus om voorbehoedsmiddelen achterwege te kunnen laten. “Ik was net ongesteld geweest met een regelmatige cyclus en wist derhalve dat zwangerschap niet aan de orde was”, is een quote van een van onze vrouwelijke deelnemers.

 

“Leuk dat je veel vertrouwen hebt in je eigen lichaam, maar de kalenderplanning is echt geen betrouwbare methode”, benadrukt Matthias. Anne Marieke knikt. “Nog erg veel – en vaak hoogopgeleide – mensen maken gebruik van deze planning. We zien daardoor best wat onverwachte zwangerschappen.”

 

opgeluchte zucht

Omdat vrouwen naast soa's nog een ander gevolg kunnen overhouden aan onbeschermde seks, zou je denken dat zij vaker hun best doen om het toch veilig te doen. Niets is minder waar, het percentage mannen en vrouwen dat onveilige seks – met kans op zwangerschap – hadden ligt even hoog. 1 op 3, zo mogen we vaststellen.

 

Bijna 35% van deze studentes heeft in deze situatie nog nooit iets ondernomen (figuur 5). “Verontrustend dat een op drie gewoon de situatie afwacht. Jullie zitten in de meest vruchtbare periode van je leven. Uiteraard heb je een relatief laag risico om zwanger te worden. Wanneer je echter toch zwanger blijkt, is de beslissing die je moet nemen enorm ingrijpend”, vertelt Matthias.

 

Figuur 5: Wat na onveilige seks?
Figuur 5

 

“Als vrouw kan ik me wel inbeelden dat je afwacht tot je menstruatie”, bedenkt Anne Marieke. “Er zijn vrouwen die zeggen dat het dan allemaal oké is, wanneer je regels toch doorkomen. Maar dat is dus echt niet oké, want als dat een keertje niet gebeurt, is het al te laat. Je mag een zwangerschap echt niet onderschatten.”

 

Er zijn ook studenten die het niet zover willen laten komen. Twee op drie gaf aan al eens de morning-afterpil geslikt te hebben, maar we kunnen uiteraard niet besluiten dat ze dat na élk onveilig contact deden. Te vaak de morning-afterpil slikken is echter geen gezonde gewoonte. Voorkomen is beter dan genezen!

 

Ook bij gebruik van de morning-afterpil kunnen studenten rekenen op de steun van de apotheker. “Studenten schieten nogal snel in paniek en weten dan niet meer wat ze moeten doen”, denkt Van Briel. Maar als ze erover praten en goed advies krijgen, valt het meestal wel mee. “Vaak lopen studenten met een opgeluchte zucht de deur uit.”

 

uithijgen

Oud genoeg om seks te hebben zijn we zeker, maar kennelijk nog niet wijs genoeg om onze bedavonturen altijd veilig te beleven. Seks is plezant, maar kan ook een beetje jeuken.

 

Bij allesoverseks.be en thuisarts.nl kun je terecht met al je prangende vragen omtrent seks, voorbehoedsmiddelen en soa's. Of bij je huisarts en apotheker, uiteraard.



blikopener

20/04/2017
🖋: 
Auteur

Als centrum van onderwijs en onderzoek heeft de Universiteit Antwerpen een schat aan onderzoekstalent. Elke faculteit heeft meerdere doctoraatsstudenten om mee te pronken, die zich jarenlang verdiepen in hun gekozen vakgebied. Voor deze blikopener sprak dwars af met dr. Iason Jongepier (reeds gedoctoreerd, in dienst van UAntwerpen als Wetenschappelijk Medewerker) en Rogier van Kooten van het departement Geschiedenis. Zij ontwikkelen een digitale infrastructuur om historische data van de roemruchte geschiedenis van Antwerpen in te verwerken. De naam van hun project: GIStorical Antwerp II.

Inderdaad, het vervolg op GIStorical Antwerp I. Het eerste deel betrof een pilotproject dat data over Antwerpen in de negentiende eeuw verenigde. Het tweede deel omvat de geschiedenis van ’t Stad die teruggaat van de zestiende eeuw tot omstreeks nu.

 

GIS staat voor Geografisch Informatie Systeem, in de historische context wordt het een zogenoemde HISGIS, waarin allerlei informatie over de stad en haar bewoners in detailkaarten wordt geplot. De heren zijn ambitieus; ze streven ernaar om ’s werelds meest toonaangevende HISGIS te ontwikkelen, binnen hun type – op huisniveau en op lange termijn, zodat die ook in de toekomst van waarde is voor andere onderzoekers.

 

Een HISGIS maakt het mogelijk om alle data met een ruimtelijke component over elkaar heen te leggen en te kunnen vergelijken. De gegevens zijn opgebouwd in verschillende lagen en elke laag omvat een andere tijdspanne. De informatie in een laag kan bijvoorbeeld van archeologische, cartografische, historische of van iconografische aard zijn. De heren van het departement Geschiedenis hebben de software overigens niet zelf uitgevonden, maar de manier waarop zij deze gebruiken is wel uniek.

 

Ze plotten de data op microniveau, dus per huishouden. De bedoeling is om per huis in kaart te brengen wie er door de eeuwen heen woonden, of deze mensen arm of rijk waren, etc. Je kunt het zo gek (lees: gedetailleerd) niet bedenken. Met behulp van deze gegevens, die op de kaart in bolletjes worden weergegeven, worden er sociale kaarten geconstrueerd die een zogenoemde spatial turn bevatten, het besef van ruimtelijkheid binnen de geschiedenis.

 

In vijfhonderd jaar is er natuurlijk veel gebeurd in de Koekenstad, al zal lang niet alle historische data boven water komen. Bronnen over sommige tijdspannes ontbreken simpelweg en de kwaliteit van de historische bronnen neemt af naarmate je verder teruggaat in de tijd. Huizen op kaarten zijn bijvoorbeeld in veel gevallen fictief ingetekend. Daarbij maakt men pas sinds de heerschappij van Napoleon (begin negentiende eeuw) gebruik van huisnummers. Voordat Little Boney met zijn paard over de straatstenen van Antwerpen galoppeerde, had elk huis een unieke naam, zoals bijvoorbeeld Den Zonwijzer.

 

GIStorical Antwerp-kaart.jpg

 

Toch wordt er geprobeerd om de exacte locatie van de huizen te bepalen en in het systeem te integreren. Daarvoor kan men bijvoorbeeld beschikken over belastinginventarisaties. De functionaris die deze taak toentertijd kreeg toebedeeld, liep de straat door en schreef per huis neer wie er woonde en hoeveel belasting de bewoners moesten afdragen. Hij noteerde in een bepaalde volgorde, waardoor de onderzoekers de straathoeken kunnen nagaan en zo tot aanknopingspunten komen. De software van het HISGIS bepaalt dan, op basis van eerdere inschattingen, de geschatte locatie van een perceel.

 

De vroegmoderne ambtenaar heeft aan het einde van zijn ronde meerdere lijsten met gegevens op papier staan. Die gegevens moeten voor het project in Excel worden overgetypt, om ze vervolgens in het HISGIS in te voeren. Ook bestaan er lijsten die afkomstig zijn uit volkstellingen. Hoeveel mensen woonden er in Antwerpen, hoeveel kinderen hadden ze en waarmee verdienden ze hun brood?

 

Dat zijn vragen die aan de hand van dergelijke lijsten beantwoord kunnen worden. Stukje bij beetje worden details onthuld die achter de vele voordeuren schuilgingen.

 

Het mikpunt is om op basis van een historische dataset tot een compleet overzicht van Antwerpen te komen. Het blijft echter niet alleen bij de kernstad, ook de stadsrand (de huidige ring) wordt meegenomen.

 

Iason en Rogier staan er overigens niet alleen voor tijdens hun project. Van de Faculteit Letteren & Wijsbegeerte is er een heel team van professoren betrokken bij GIStorical Antwerp II, waarvan Professor Soens instaat voor het management. Daarnaast heeft het team een stagiair ter beschikking.

 

In het verlengde van het GIStoricalproject kijkt Rogier voor zijn eigen doctoraat naar klachten van bewoners over het leefmilieu – stank- en andere overlastklachten. Hij gaat proberen om die klachten in de GISkaart te plotten. Wie klaagt er en wat zijn de sociale kenmerken van deze mensen? Antwoorden op dergelijke vragen worden in de kaart ingevoerd, waardoor beter te verklaren is hoe klachten ontstaan.

 

De essentie van het vak Geschiedenis komt volledig tot haar recht: We bestuderen heden het verleden om aan de hand van het verleden het heden beter te leren begrijpen en zo een duidelijker zicht te krijgen op de toekomst.



“Het geeft een vies gevoel om aan andermans spullen te zitten.”

20/04/2017
Maarten Inghels (© Lize d'haese | dwars)
🖋: 

Gedichten van Antwerpse stadsdichters durven al eens om onze aandacht schreeuwen. Ze flankeren de Boerentoren, worden onleesbaar uitgesponnen op een betonnen muurtje aan de kaaien of duiken op aan de onderkant van een omhooggehaalde brug. De afwezigheid van een soortgelijke aan­dachtskreet van de huidige stadsdichter is daarom des te opmerkelijker. Maarten Inghels gooit het al meer dan een jaar over een andere, vooral sub­tielere boeg. “Het is niet mis om op een grote en publieke manier gedichten aan de man te brengen, maar ik wil ontdekken hoe ik de Antwerpenaar tot in zijn privéruimte kan bereiken.” Hoe de stads­dichter hierin tracht te slagen, wil hij ons met ple­zier demonstreren.

Het is een druilerige maandagavond wanneer we arriveren in de Arenberg, het cultuurhuis dat samen met de Bourla het hart vormt van de Antwerpse theaterbuurt. In de foyer van de schouwburg hangt een gelaten sfeer: enkele oude en minder oude mensen maken zich op om de voorstelling van acteur Josse De Pauw bij te wonen. Maar dat is buiten ons gerekend, want wanneer het belsignaal luidt en iedereen de zaal betreedt, stevenen wij onverstoord af op de vestiaire.

 

Maarten Inghels is watching you (© Lize D'haese | dwars)Tussen de jassen van het onwetende publiek ritselt het lange tengere lichaam van een bebrilde man. Op de toog staat een kartonnen doos. Op tijd en stond maakt Maarten Inghels zich los van het jassenoerwoud en haalt uit de doos een aantal stoffen zakdoeken, waarop in zwarte letters een tekst gedrukt staat. Met een stapel over de arm duikt de stadsdichter opnieuw de vestiaire in, waarna hij vliegensvlug de zakdoeken in de jaszakken stopt. Alsof hij zich wil verantwoorden voor zijn daden, voegt hij een verduidelijking toe: “Ik ben bezig met het verspreiden van mijn nieuwe stadsgedicht, dat via een zeefdruk op verschillende zakdoeken is geplaatst. Het gedicht gaat over het theater, daarom verspreid ik het via de vestiaires van schouwburgen. Wanneer de mensen het gebouw verlaten en op zoek gaan naar hun sleutels, zullen ze het gedicht in hun jaszak vinden.”

 

Vol bewondering laten we merken dat we het een leuke actie vinden, maar Inghels zelf voelt zich niet helemaal op zijn gemak. “Wanneer ik mijn hand in een jaszak stop, is het alsof ik een magische grens overschrijd en de privéruimte van de jaseigenaar betreed. Enerzijds ontstaat er zo iets persoonlijks en intiems tussen ons. Ik hoop dat de drager het ook op die manier ervaart. Het ideale scenario zou zijn dat de personen die de zakdoek vinden, thuis of op café vertellen wat ze hebben meegemaakt. Maar tegelijk voel ik me een indringer. Ik durf niet al te diep in de zakken te voelen, want het geeft een vies gevoel om aan andermans spullen te zitten.”

 

Het feit dat Inghels voor de tweede keer in de Arenberg met de zakdoeken zijn gang kan gaan, geldt als een bevestiging dat zijn actie geen negatieve respons heeft gekregen. Of is dat een verkeerde gevolgtrekking? “Eigenlijk weet ik niet wat vorige keer de reactie was van het publiek. Wanneer ik alle zakdoeken verdeeld had, ben ik hem meteen gesmeerd. Ik vind dat ik op dat moment onzichtbaar moet blijven.” Hij wendt zich tot een opzichter van de vestiaire die tijdens de vorige actie ook aanwezig was, en vraagt haar of ze iets aan het publiek gemerkt heeft. Wat blijkt nu: er waren wel degelijk teleurgestelde reacties, maar ze kwamen alleen van mensen die géén zakdoek in hun jaszak gevonden hadden. “Dan moet ik ervoor zorgen dat ik ditmaal niemand oversla”, lacht de stadsdichter en met een grijns op het gezicht wijdt hij zich verder aan zijn taak.

 

Niet veel later zijn alle jaszakken gevuld. Inghels wil opnieuw zo snel mogelijk de plaats delict verlaten, maar laat dit keer de doos met zakdoeken staan zodat de opzichters teleurgestelde mensen kunnen troosten. In het kielzog van de dichter ruilen we de schouwburg in voor de typische Antwerpse theaterkroeg De Duifkens.

 

Nadat hij vluchtig van zijn glas bruiswater heeft genipt, vertelt Inghels hoe de eer van stadsdichter iemand te beurt kan vallen. “Heel simpel is dat: een commissie van de stad beslist wie een geschikte kandidaat zou zijn en vervolgens bellen ze die persoon op met de vraag of hij stadsdichter wil worden. Je krijgt een nacht bedenktijd, die ik enkel voor de vorm nodig had (lacht).”

 

Maarten Inghels is watching you (© Lize D'haese | dwars)

 

Stadsgedichten associëren we al snel met teksten die we op muren, trottoirs en monumenten kunnen bewonderen. Wanneer we opmerken dat we Inghels’ werk nog niet in het straatbeeld ontdekt hebben, beginnen zijn ogen te fonkelen. “Dat klopt. In mijn stadsdichterschap leg ik eerder de klemtoon op performances zoals zonet met de zakdoeken. Ik vind het een fijn gevoel dat je bij toeval een gedicht van me kan vinden, dat het niet meteen voor iedereen beschikbaar is. Bovendien hangt de stad al goed vol.”

 

De uitvalsbasis van Inghels stadsdichterschap is het Middelheimmuseum, waar hij zich in het gerestaureerde boothuis ophoudt. “De ideale plek om aan de drukte van de stad te ontsnappen. Bovendien wil ik dat de mensen mij ergens kunnen bereiken, want het is onvoorstelbaar hoeveel personen hun zeg tegen me willen doen. Ik wist niet dat het stadsdichterschap zoveel bij de Antwerpenaar teweegbracht. Tegelijk speel ik met die bereikbaarheid, want ik ben niet altijd aanwezig en als je belt, word je doorgeschakeld naar een voicemail waarop ik mijn gedichten voorlees.” Inghels haalt een visitekaartje tevoorschijn waarop een nummer prijkt: 03 369 78 88. “Zo wek ik de illusie dat ik bereikbaar ben, maar eigenlijk krijg je me nooit echt te horen. Ook handig om mensen op recepties mee af te schudden (lacht).”

 

Het is onvoorstelbaar hoeveel mensen hun zeg tegen je willen doen.

 

Het spreekt voor zich dat ‘t Stad het primaire uitgangspunt vormt van Inghels gedichten. In september zal hij een merkwaardige tekst presenteren. “Een persbericht poneerde dat als je Antwerpen binnenrijdt met een gestolen voertuig, je binnen de tien minuten geklist wordt. Camera’s herkennen meteen de nummerplaat. Een goede zaak, maar het zette me ook aan het denken: kan je als wandelaar nog ongezien de stad doorkruisen? Ik heb de proef op de som genomen en geprobeerd een wandelroute uit te stippelen die alle publieke en privécamera’s ontwijkt. Het werk zal The Invisible Route heten, een handleiding om onzichtbaar te blijven in de stad.”

 

Een relevant thema met het oog op het vraagstuk rond privacy, vrijheid en veiligheid. “Jazeker. Hoe zit het met het recht om onzichtbaar te blijven in een samenleving en stad? Hoe gevaarlijk is de massa en het individu dat zich in deze massa verbergt – als dat überhaupt nog mogelijk is?”

 

Maarten Inghels is watching you (© Lize D'haese | dwars)

 

Plots trekt het gelaat van de stadsdichter wit weg. “Ik herken een paar jassen.” Het zijn profetische woorden, want niet veel later horen we enkele oudere dames palaveren over de zakdoek die ze na de voorstelling in hun jaszak voelden zitten. Niet in het minst koesteren ze het vermoeden dat de maker en verdeler van de zakdoeken een tafel verder zit. Gebiologeerd kijkt Inghels het schouwspel toe. “Ik had het kunnen weten toen we hier kwamen zitten, stom van me dat ik De Duifkens heb voorgesteld!”

 

De tijd is aangebroken om de dichter opnieuw in zijn schaduw te laten treden. We vragen hem nog snel of we een stadsgedicht kunnen verwachten waarin de Antwerpse student een hoofdrol opeist. Inghels studeerde namelijk Taal- en Letterkunde aan onze alma mater. “23 april 2017 is het Wereldboekendag. Ik schreef het stadsgedicht Lorem ipsum om mijn liefde voor boeken te verklaren. Het verscheen op een poster dat de lezer zelf tot een speciaal boekje kan vouwen. Ik zal een stapel achterlaten in de universiteitsbibliotheek.”

 

Binnenkort dus stadslyriek op de Stadscampus. Pas evenwel op wanneer je in de aula je jas aan de kapstok hangt ...



het laatste woord

20/04/2017
mannequin (© Anouk Buelens-Terryn | dwars)
🖋: 
Auteur

Je zal het maar voorhebben: het ligt op het puntje van je tong en toch kan je er niet opkomen. Dat ene woord ontglipt je keer op keer. Dit jaar schiet dwars alle schlemielen in zulke navrante situaties onverdroten ter hulp. Maandelijks laten we ons licht schijnen op een woord waar de meest vreemde betekenis, de meest rocamboleske herkomst of de grappigste verhalen achter schuilgaan. Deze editie het woord ‘mannequin’.

Het woord mannequin ben je het laatste jaar ongetwijfeld talloze keren tegengekomen door de internethype van de Mannequin Challenge. Dat was dan het laatste wat daarover gezegd gaat worden. In de modewereld is het een alom gekende term. Zowel de paspoppen als de modellen die over de catwalk dartelen, worden mannequins genoemd.

 

Het woord mannequin klinkt even Frans als baguette, croissant of omelette au fromage, maar voor de verandering hebben de Fransen het woord overgenomen van het Nederlands. Van het Middelnederlandse woord mannekijn om precies te zijn, wat zoveel betekent als mannetje of beeldje van een mensenvorm. Mannekijn vind je tegenwoordig nog altijd in het Nederlands terug in de vorm van manneke. In het Antwaarps dialect toch alleszins.

 

De Nederlandse schilders begonnen in de Middeleeuwen hun houten poppen, die ze gebruikten om menselijke houdingen over te schilderen, mannekijns te noemen. Vele anderen namen dit woord over als term voor beelden van mensen (denk maar aan Manneken Pis). Vanaf de vijftiende eeuw werd het ook in Frankrijk overgenomen. De vele kleermakers daar gebruikten houten poppen om hun kledij te presenteren. Deze poppen zijn ze mannekijns beginnen noemen en zoals algemeen bekend is, zijn de Fransen niet zo’n fan van leenwoorden dus besloten ze het woord volledig te verfransen.

 

De Franse kleermakers en ontwerpers verkochten hun kledij over heel Europa en namen hun paspoppen met zich mee om alles mooi te presenteren. Hierdoor werd al snel over heel Europa de term mannequin gebruikt voor de paspoppen. Zelfs de Nederlanden namen het woord over. De betekenis was zo goed als hetzelfde als daarvoor, maar dan met de Franse spellingswijze.

 

Tot op de dag van vandaag worden paspoppen en etalagepoppen nog altijd mannequins genoemd. Ook modellen die de kledij presenteren in showrooms en op de catwalk vallen onder deze term, maar alleen als ze de kledij aan een publiek laten zien. Fotomodellen blijven we gewoon fotomodellen noemen.

 

Dus zo zie je maar: wanneer het Nederlands met een efficiënt woord afkomt, zullen de Fransen dit overnemen en het zich eigen maken. Wie weet hoeveel keer ze dit al gedaan hebben. (*kuch* french fries)



het nieuwe recept van de Komida wordt gesmaakt

20/04/2017
komida (© Yannick De Meulder en Stine Moons | dwars)
🖋: 

Studenten die graag eten in één van de studentenrestaurants van de Universiteit Antwerpen zullen al gemerkt hebben dat er in de voorbije vijf jaar heel wat veranderd is. In 2013 werd ‘de Resto’ plots de Komida en in 2014 opende er een nieuw restaurant op campus Middelheim. De laatste jaren werd ook heel erg ingezet op duurzaamheid en sinds januari is het cashvrij systeem ingevoerd. Om meer te weten te komen over deze herzieningen, sprak dwars met Catherine Ongenae, diensthoofd catering & congreszalen. Het werd een boeiend gesprek over de steeds terugkerende capaciteitsproblemen, het prijzenbeleid, voedseloverschotten en de eetgewoontes van studenten.

Komida komt van het Spaanse woord comida dat ‘samen eten’ betekent. Van de eerste letter werd een ‘K’ gemaakt om het Vlaamser te laten klinken. Vier jaar geleden zochten studenten en personeel samen naar een nieuwe, overkoepelende naam voor de studentenrestaurants van de Universiteit Antwerpen. Uit een grote reeks potentiële namen kwam Komida als winnaar uit de bus omdat die het best overeenkomt met de sfeer van gezellig samenzijn die men er probeert te creëren.

 

Van gezellig samen eten is er helaas voor sommige studenten geen sprake door het plaatstekort dat zich voordoet op campus Drie Eiken en campus Groenenborger (zie artikel uit dwars 106: als haringen in een ton). De universiteit is zich hiervan bewust en probeert het mogelijke te doen om deze problemen op te vangen. Op campus Drie Eiken is een kelder met nieuwe zitplaatsen opengesteld en op campus Groenenborger werd vorig jaar een nieuw gedeelte aan het restaurant bijgebouwd met honderd zitplaatsen. Op campus Middelheim en campus Drie Eiken zullen er over een zestal weken ook picknicktafels worden bijgezet. De bedoeling is dat studenten eten kunnen kopen in de Komida en het daarna opeten op deze zitplaatsen. Verder probeert de universiteit het capaciteitsprobleem op te lossen door een betere spreiding van de uurroosters op campus Groenenborger. Op deze manier hebben studenten niet meer allemaal op hetzelfde moment lunchpauze. Tot slot komen er op campus Drie Eiken nieuwe zitruimtes in het O-gebouw en S-gebouw, en wordt het restaurant geopend van 9 tot 16 uur in plaats van 10 tot 15 uur.

 

voedselkost maal twee

De laatste tien jaar zijn de verkoopprijzen in de Komida’s gestegen. Dit is onvermijdelijk omdat de algemene prijzen van het voedsel in België ook stijgen. Zeven jaar geleden werd gekozen om maaltijden aan te bieden aan studenten aan de reële voedselkosten ervan, vermenigvuldigd met twee. Door dit prijsbeleid stijgt de verkoopprijs dus mee met de inflatie. UAntwerpen probeert daarom steeds een combinatie van goedkopere en duurdere maaltijden aan te bieden, zodat studenten zelf de keuze hebben tussen een pasta van 3 euro of een iets duurdere steak van 5,70 euro. Omdat elk gerecht op basis van specifieke recepten wordt gemaakt vanwege de allergenenwetgeving, zijn de prijzen op elke campus hetzelfde. Dat lijkt vaak niet zo omdat de chefs van de verschillende Komida’s de vrijheid krijgen om zelf hun menu samen te stellen. Hierdoor is het aanbod en bijgevolg ook de prijs anders op de verschillende campussen.

 

komida (© Stine Moons en Yannick De Meulder | dwars)

 

vanwaar komt dat geld?

Een warme maaltijd kost met alle uitgaven samengeteld (personeel, voedsel, vervoer, …) ongeveer 7,47 euro. Hoe kan de universiteit dit dan aanbieden aan studenten aan amper 5 euro? UAntwerpen krijgt van de overheid subsidies die besteed worden aan voeding, huisvesting, psychosociale zorg, cultuur en sport voor studenten. Zonder deze sociale gelden zou geen enkele Komida rendabel zijn. De laatste jaren werd daarop jammer genoeg heel wat bespaard, waardoor de universiteit op zoek moest naar oplossingen. Er werd gekozen voor een beperking van het aanbod en een afvloeiing van personeel. Een Komida sluiten is geen optie, want studenten moeten betaalbare maaltijden kunnen krijgen.

 

In zaken zoals deze hebben studenten trouwens ook zelf inspraak. Er zijn twee soorten vergaderingen waar studenten aan kunnen deelnemen om mee te denken over het beleid van de Komida. De stuvoraad komt vier keer per jaar samen en de helft van de leden bestaat uit studenten die via de studentenraad verkozen zijn. Deze vergadering gaat niet enkel over de Komida maar ook over de andere sociale aspecten waarvoor de overheid subsidies uitgeeft. Naast de stuvoraad is er de restaurantcommissie die ook ongeveer vier keer per jaar samenkomt. Dat is een laagdrempelige vergadering over de restaurants met een zestal studenten en enkele personeelsleden.

 

Sinds 2017 is het niet meer mogelijk om met cash geld te betalen in de Komida’s. Betalingen kunnen enkel gedaan worden met Bancontact, Maestro, de maaltijdchequekaart Edenred en de Payconiq-app. Dit systeem is ook in de bibliotheek ingevoerd omdat UAntwerpen op lange termijn de hele universiteit cashvrij wil maken. Redenen hiervoor zijn vermindering van de werkdruk en veiligheid van de studenten en het personeel. Er worden namelijk wekelijks twee automaten op de campussen van de Universiteit Antwerpen opengebroken. Ook aan de kassa’s van de Komida werd al ingebroken geweest. Dit zal dankzij het cashvrij systeem verleden tijd zijn.

 

komida (© Stine Moons en Yannick De Meulder | dwars)

 

duurzame donderdag

Duurzaamheid is een belangrijk aspect in het beleid van de Komida. Er wordt enkel gebruik gemaakt van seizoensgroenten en Belgisch vlees, en de vis heeft een duurzaamheidslabel. Alle verpakkingen zijn gemaakt van duurzaam materiaal en het water wordt in drinkbussen verkocht in plaats van petflessen. Op duurzame donderdag zijn de alternatieven naast het vegetarische gerecht ook duurzaam. Dan maakt de chef bijvoorbeeld kip in plaats van rundsvlees, omdat er voor kleinere dieren minder uitstoot wordt veroorzaakt. De geserveerde groenten zijn ook biologisch op duurzame donderdag.

 

De universiteit probeert voedseloverschotten zo veel mogelijk te voorkomen door de toog niet overvol te leggen en het personeel op vraag van de studenten te laten bij- smeren. Er wordt ook gewerkt met bakjes beleg waarmee studenten zelf hun brood kunnen beleggen, omdat die langer houdbaar zijn. Het voedsel dat uiteindelijk toch nog overblijft, moet vernietigd worden. Volgens de hygiënewetgeving voor grootkeukens is voedsel dat langer dan een half uur ter beschikking van de klant staat, geen veilig product meer. Wanneer er voor een groot evenement nog voedsel over is dat steeds in de koelkast heeft gezeten, wordt dat geschonken aan de vzw Moeders voor Moeders of andere soortgelijke projecten.

 

komida Campus Middelheim

 

steak en moussaka

Het lijkt erop dat het lievelingsgerecht van de student afhankelijk is van campus tot campus. Op de Stadscampus wordt een steak het meest verkocht, terwijl studenten op campus Middelheim sneller voor klassieke menu’s kiezen. Op campus Drie Eiken willen ze dan weer vooral gezonde maaltijden zoals moussaka. Studenten houden minder van de eerder ‘ouderwetse’ gerechten zoals rosbief, kalfsgebraad of kotelet. Soms probeert de Komida om deze minder populaire gerechten bewust te combineren met iets vegetarisch, om studenten aan te zetten tot vegetarisch eten. Het is ook een opvallende trend dat studenten van vandaag veel gezonder eten dan pakweg tien jaar geleden. Gezonder en lekkerder eten lijkt nu belangrijker te zijn dan een goedgevuld bord met twintig kroketten.



student zijn in the Dark Ages

20/04/2017
🖋: 

Zo’n tien jaar geleden bood het leven op en rond de studentenbuurt een heel andere aanblik. Pintjes kostten slechts een euro twintig, Facebook bestond nog niet. Terwijl er nog auto’s over de Ossenmarkt raasden, werd de Rooseveltplaats ontsierd door de oerlelijke ijzeren noodbrug over Kipdorpbrug. Maar ook het cafélandschap onderging een heuse make-over – al kan je hier gerust spreken van een make-under. In de voorbije tien jaar gaven talloze studentencafés de geest. De opkomst van sociale media en luxekoten lijkt de oorzaak te zijn. Een terugblik met enkele ouderdomsdekens, ex-coryfeeën en zelfverklaarde fossielen van het studentenleven. “Het café, dat was onze Facebook.”

Onze Universiteit Antwerpen was nog piepjong toen Dries Verbraeken, Michiel Hofman en Tarak Labiad zo’n dikke tien jaar geleden de Antwerpse studentencafés onveilig maakten. Heel wat van die cafés hielden intussen op te bestaan, maar ook het studentenleven zelf onderging heel wat veranderingen. Met een ietwat nostalgische, doch nuchtere blik, schetsen ze een beeld van toen.

 

 

old-school Ossenmarkt

De vergankelijkheid van het studentenleven van weleer is misschien wel het best voelbaar op de Ossenmarkt, het centrale plein van de Stadscampus dat in de voorbije tien jaren een heuse transformatie onderging. Voor de heraanleg in 2007 was er nog veel autoverkeer op de Ossenmarkt. In het midden van het plein stond ook een prieeltje, “waar overdag duchtig jointjes werden gerold en in de vroege uurtjes extreem aangewaaide studenten samen met de zwervers hun roes konden uitslapen.”

 

Ossenmarkt (2007) (© Patrick De Roo)
de Ossenmarkt voor de heraanleg (© Patrick De Roo)

 

Voor het door de studentenbuurt werd opgeslokt, was de Ossenmarkt dan ook een ruige buurt. “Toen ik vertelde dat ik aan de universiteit van Antwerpen ging studeren en vertelde dat dat vlak aan de Ossenmarkt lag, waarschuwde mijn oma me voor het liederlijke volk daar. ‘Past op, want daar zitten mensen van slechte zeden!’, zei ze dan. Een getuige daarvan was dat café De Salamander vroeger een zeemanscafé was”, vertelt Dries. “Toen het later door ‘Den Duncan’ van Wikings tot een studentencafé was omgedoopt had het in de beginjaren daarom een vreemd soort piratenthema dat je niet helemaal kon thuisbrengen. De uitbater had zich nog niet de moeite getroost om de oude versieringen van de muur te halen.”

 

Tussen de KBC-bank en de nieuwe dagwinkel was vroeger ook een café: den Tempus. Hier hadden Rodenbach en Westlandia hun thuisbasis, de studentenverenigingen voor West-Vlamingen. “Een onooglijk donker kot dat je best niet kon betreden zonder een West-Vlaming, anders was je daar vreemdeling in eigen land”, herinnert Dries zich. Toen café Tempus moest sluiten, verhuisden ze naar Café Lik’tus (West-Vlaams voor ‘zoals thuis’) op de Sint-Jacobsmarkt aan het Frans Halsplein, een studentencafé dat later tot den Uil werd herdoopt. In september 2015 moest ook dat laatste de boeken neerleggen.

 

studentencafés anno 2005(© Dries Verbraeken | dwars)Daarnaast had je richting de Leien ook nog De Vettige Swa en den Hill Diar, twee echte studentencafés die jammer genoeg al een tijdje gesloten zijn. Aan de overkant van de Leien moest ook den Alma, ooit één van de meest beruchte en bekendste studentencafés van Antwerpen, in 2012 definitief de deuren sluiten. “Dat was echt een topkeet in die tijd”, mijmert Tarak met pretlichtjes in de ogen. “Er zaten dan wel geen studentenverenigingen en er kwamen ook geregeld middelbare scholieren over de vloer, maar het was toch een essentieel onderdeel van de studentenexperience in Antwerpen.”

 

Den Hill Diar, waar onder andere Sofia en het toen erg succesvolle Media gehuisvest waren, organiseerde in die tijd een legendarische beachparty – Hill Diar Beach. “Het café en de helft van de Korte Winkelstraat werd vol gekapt met zand. Daarvoor werd heel de straat afgesloten”, vertellen ouderdomsdekens Dries en Michiel opgewonden. “Er was zelfs een VIP-tent met een jacuzzi! Er heerste toen een heuse festivalsfeer. Zo was er op één editie zo veel volk dat er tot op de ijzeren noodbrug van de Rooseveltplaats mensen stonden te feesten. Bangelijk!”

 

De Vettige Swa brengt dan weer herinneringen van zwoele nachten naar boven. Het was destijds de uitvalsbasis van ESN. “Alle knappe buitenlandse grieten zaten daar!”, herinnert Michiel zich enthousiast. “Iedereen sprak er Engels of natuurlijk de taal van de liefde.” Onder meer ook vrouwenclub Vader Vagantse had De Vettige Swa als stamcafé, “Maar de mooiste meisjes zaten toch in de Prof bij de Antwerpse Vrouwenclub”, oordelen Tarak en Dries.

 

In de Vekestraat had je verderop vroeger ook nog ’t Uniefke. “Toen dat dicht ging, is datzelfde café erna nog even terug opengegaan als ’t Niefke”, aldus Michiel. Op de Paardenmarkt was er dan weer Café de Grote Pint. “Je kan er vandaag nog de gedenkplaat gaan bekijken waarop te lezen staat: ‘Hier rust café de Grote Pint’”, vertelt Dries.

 

Café Papa Jos heette vroeger De Jezuïet. “Een beruchte, wat aftandse kroeg waar voornamelijk filosofen en studenten van de academie kwamen”, vertelt Tarak. (De Jezuïet werd destijds verzegeld wegens drugsgebruik.)

 

 
 

de stadswaag: vergeten figuren

Ook op de Stadswaag staat de tijd niet stil. Naast de Dolce Vita had je vroeger het ondertussen verdwenen café Bric-a-brac. “Elk jaar organiseerde Argonaut daar de Lemon Tree Party”, weet Michiel. “Het concept was simpel: om het uur werd het nummer Lemon Tree van Fools Garden gespeeld. En masse gooide dan iedereen zijn glas op de grond kapot zodra het stukje in de intro met het gebroken glas weerklonk. Het werd een vast ritueel, maar Argonaut moest na een tijdje wel zijn eigen glazen voorzien.”

 

Een ander ter ziele gegane café is De Trein der Traagheid dat in de Lange Noordstraat lag. “Het interieur was de binnenkant van een treinwagon en je kon er karaoke doen. Echt een fuifcafé was het wel niet, maar er gingen wel vaak koppeltjes op date”, zegt Tarak. (Momenteel staat De Trein der Traagheid er onbestemd als een verloren glorie bij. Het pand werd nooit verbouwd of opgeknapt, er zit enkel een dik slot op de deur.)

 

café Markies de Sade en 'de Stokkem' (© Dries Verbraeken)
‘de Stokkem’ voor café Markies de Sade
(© Dries Verbraeken)

Voor het werd omgedoopt tot den Barbier, was Markies de Sade een monument in de Antwerpse studentenscene waar ook Michiel en Dries mooie herinneringen aan overhouden. “Ik zal de Markies altijd associëren met zijn iconische cafébaas ‘de Stokkem’”, vertelt Michiel. “Die bijnaam had hij te danken had aan het feit dat hij uit Stokkem kwam en dit als eerstejaarsstudent aan zowat iedereen op de campus had zitten verkondigen. De Markies stond bekend om zijn onberispelijke sjotterkas en zijn groezelige cantuskelder die je met een levensgevaarlijke ijzeren trap moest betreden. Volgens de legende werd die kelder nooit gekuist; men goot simpelweg elk jaar een nieuwe laag beton waardoor men op de duur bijna tussen het plafond en de biertafel gekneld zat.”

 

Ook Dries koestert ‘fijne’ herinneringen aan Markies-uitbater Stokkem: “Ik herinner me dat Stokkem ooit naar beneden kwam tijdens een cantus omdat er een leiding verstopt zat. Met een Engelse sleutel tikte hij op enkele buizen tot er plots één kapot sprong. De meisjes-wc zat verstopt en Stokkem kreeg alle vastgelopen maandverbanden en tampons over zich heen. Op zijn Stokkems riep hij iets in de zin van: ‘Góóódverdoeme die wijven hèè’ terwijl wij ons zo snel mogelijk uit de voeten maakten.”

 

dw109 - studentencafés dansen.JPG

 

“Tegenover de Markies woonde vroeger ook een stokoud vrouwtje dat voor het geringste de politie belde”, herinnert Dries zich. “Vlak na een cantus was de wachtrij voor de wc steeds zo lang, dat iedereen zich toen naar buiten haastte om zijn behoefte ergens tegen de muur te doen. Zij die al vertrouwd waren met deze notoire overbuurvrouw wisten wel beter dan tegen haar gevel te gaan plassen, maar de onwetende eerstejaars die het wel riskeerden, kregen steevast een emmer water over hun hoofd”, vertelt Dries geanimeerd.

 

 

leven zonder sociale media

Volgens Dries, Michiel en Tarak heeft de opkomst van sociale media en de intrede van zogenaamde luxe-koten in de afgelopen jaren heel wat verandering teweeg gebracht. “Anno 2005 bestonden Blackboard en SisA nog niet”, vertelt Dries. “Het eerste wat je deed als je wakker werd met een kater en van toeten of blazen wist, was je naar de valven begeven. Dat waren de meldingsborden die uithingen aan het secretariaat van de R-blok. Het was een soort ontmoetingsplaats waar je te weten kwam of je die dag les had, welke studentikoze activiteiten er op de agenda stonden en of er voor dat ene vergeten groepswerkje nog een groepje een plaats vacant had.”

 

cantus PTP anno 2005 (© Dries Verbraeken | dwars)Ook de stelselmatige inkrimping van het studentencaféaanbod heeft hier volgens Tarak, Dries en Michiel mee te maken. "De afgelopen tien jaar zijn er meer dan tienduizend studenten bijgekomen aan de universiteit, er worden overal voortdurend koten bijgebouwd en toch zijn er alsmaar minder cafés. Dat heeft volgens mij te maken met een veranderende levensstijl", merkt Michiel op. “Vroeger was er op kot niet veel te doen”, gaat hij verder. “Een kot was niet meer dan een klein kamertje met een bed en een bureau. Voordrinken gebeurde nog niet zo vaak. Er was geen Netflix om series te bingen en om met vrienden in contact te komen moest je naar buiten, want niet eens iedereen had een pc op kot, laat staan een gsm. Je begaf je na het avondeten gewoon naar je stamkroeg en je wist dat je vrienden daar ook zaten. Er was klantentrouw en regelmaat.” “Het café, dat was onze Facebook", valt Dries in. “Daar kwam je te weten wie met wie ging, wat er later op de avond te doen was en wat iedereen de nacht ervoor had meegemaakt.” “Vroeger moest je wel op café als je een sociaal leven wou onderhouden”, zegt Tarak. “Een groot verschil met nu en volgens mij ook de reden dat er zo veel cafés moesten sluiten.”

 

Ook Wim Van Hoyweghen, ex-uitbater van het inmiddels gesloten café Hill Diar, sluit zich hierbij aan. “Buiten eten en drinken hadden studenten vroeger amper uitgaven. Nu hebben ze meer opties om hun vrije tijd door te brengen. Ze spelen games of kijken series of trekken naar de discotheken die de laatste jaren ook meer en meer op studenten mikken. Zo kunnen studenten zich uiteindelijk geen pint op café meer permitteren en drinken ze wodka van de nachtwinkel voor ze op café gaan. Daarnaast bleven studenten vroeger trouw aan hun stamcafé, dat is nu ook minder het geval. Veel meer dan het rookverbod is de veranderde levensstijl van studenten de oorzaak voor het verdwijnen van vele studentencafés.”

 

dw109 - studentencafés.jpg



poëzie

20/04/2017
🖋: 
Auteur extern

Simon Van Den Bergh


dwarsgedicht Calamartes 2017 - koudweg consumeren (© Simon Van Den Bergh en Stine Moons | dwars)



betweter

20/04/2017
🖋: 
Auteur

Het is niet omdat je veel onnozele weetjes kent, dat je een betweter bent. Dat bewijst een van onze redacteurs elke maand door een waanzinnig inte­ressant, ongelooflijk boeiend of verbluffend feit te delen.

Bananen, wellicht de meest besproken fruitsoort ter wereld. Om het verwarrend te maken zijn bananen voor tuinbouwers groenten en in de culinaire wereld ziet men bananen als vruchten. Bananen groeien niet aan bananenbomen, maar aan bananenplanten. Officieel is de banaan geen plant maar een kruid, het grootste kruid ter wereld. Hij is zelfs verre familie van de Zingiberales, waartoe onder andere gember behoort. De wetenschappelijke naam voor bananenplant is musa acuminata.

 

Bananen werken als natuurlijke rem tegen maagzuur. Dus laat die Rennie maar staan en neem een banaan! Als je voor een training twee bananen eet, heb je voldoende energie om negentig minuten in beastmode te gaan. Bovendien helpen de vezels in bananen om de stoelgang te bevorderen.

 

In Thailand geloven zwangere vrouwen dat veel bananen eten helpt om ervoor te zorgen dat hun nakomeling bij een koele temperatuur het levenslicht ziet. In Japan is het bananendieet populair: ’s ochtends een banaan en de rest van de dag alles eten wat je maar wil!

 

Wie in de negatieve spiraal van een depressie terechtkomt, zou eens een banaantje moeten pellen. Tryptofaan is de toverstof tegen depressies en die zit ook in bananen. Daarnaast bevat deze trosvrucht kalium, wat helpt om de kans op een beroerte te verminderen én de bloeddruk onder controle te houden. Tevens draagt kalium bij aan een betere concentratie.

 

Vitamine B6 in bananen houdt de bloedsuikerspiegel op peil. Magnesium maakt ook onderdeel uit van het arsenaal aan stoffen dat deze sikkelvormige vrucht bevat. Dit bestanddeel breekt alcohol af in het bloed. Wie dus na een avondje doorzakken thuiskomt, moet niet vergeten een banaan tot zich te nemen en zal de volgende dag geen kater hebben. Mocht je de eenzaadlobbige vrucht toch vergeten zijn: geen paniek, bananen helpen om de kater te verminderen. En wie een heerlijk zoete milkshake met banaan en honing drinkt, kalmeert ook nog eens zijn maag.

 

Bananen zouden ook helpen tegen zweetvoeten. De binnenkant van bananenschillen zou muggenbeten sneller doen genezen en ook voorkomen. Dus wie de muggen ’s nachts rond zijn oren hoort zoemen, legt het best een open bananenschil op zijn hoofd en zal zonder jeuk ontwaken.

 

Bananen kun je trouwens gewoon eten in combinatie met sinaasappels. Dat dit geel geschilde kruid de vitamine C uit de sinaasappel teniet zou doen, is onzin.

 

Kortom: wat zouden we doen zonder bananen?



editoriaal

20/04/2017
🖋: 

Vorige maand schreef ik over hoe de lente niet scheen te zijn doorgedrongen. Ik heb me vergist. Niet over hoe druilerig de lente soms kan zijn, maar wel over haar grilligheid: zo schrijf ik dit op een donkere, grijze Stille Zaterdag, maar dat hoeft niet te betekenen dat de lente voor ons volgende week geen stralende zon en een aangenaam temperatuurtje in petto heeft.

 

Het feit dat er nu niemand op straat is, betekent dus niet dat je morgen niet van je sokken wordt gereden door een wielerterrorist die de verkeersregels voor de zoveelste maal aan zijn laars lapt.

 

Ik leerde dat het weer niet te voorspellen valt. Wat ik wel weet, is dat lentelucht voor kriebels zorgt. Want zoals de Bloodhound Gang het uitdrukt: you and me, baby, ain’t nothing but mammals. En iedereen weet dat zoogdieren in de lente een beetje extra ‘contact’ nodig hebben *wink-wink, nudge-nudge*. Uitgedost in onze mooiste jurkjes/shorts/hemdjes/topjes en gloednieuwe spierwitte sneakers beginnen we aan de paringsdans (p. 32). Vind je die assistent of professor in de aula extra aantrekkelijk? Of eerder die mooie student(e) die altijd maar naar je staart in de bibliotheek? Of misschien gaat die leuke schacht eindelijk op je avances in?

 

In de lente weet je maar nooit! Maar in het heetst van de paartijd vergeten we soms dat we onszelf en onze partner moeten beschermen (p. 4). Kort samengevat: wie op jacht gaat in een van de laatste overgebleven studentencafés van Antwerpen, kan maar beter een hoesje meenemen (p. 10). Want, zoals iedereen zou moeten weten, “Met Durex rond de knuppel, verlies je geen druppel!”



the Eurovision Song Contest from a Turkish perspective

20/04/2017
🖋: 

On May 9, 11 and 13 a record number of 43 countries will be participating in the 62nd edition of the Eurovision Song Contest in Kiev, Ukraine. While a lot of different song titles and melodies pop up into our head when we hear the word Eurovision, the festival has been losing popularity in our country over the last few years. Artists like Iris (2012), Roberto Bellarossa (2013), Witloof Bay (2011) or Copycat (2009) only sound familiar to the big fans and since the introduction of the semi-finals in 2004, Belgium has only made it to the finals five times. What happened? Why do countries like Australia go wild for the festival, while a country like Belgium, that has been there from the start in 1956, keeps losing interest? Loyal Turkish fan and Eurovision expert Mustafa Fidan sheds some light on the matter.

united in diversity

Mustafa Fidan, who studies Spanish culture and language, has been a big fan of the festival since 2003, when his country won the contest. As it is tradition that the winning country hosts the festival the following year, the whole circus moved to Istanbul in 2004, his home city. Seeing everything happen all around him, his passion for Eurovision really started. What attracts him to the festival this much, is the multiculturality of it all: “I have been following the contest because I really love to discover new songs in European languages of all these different countries and cultures.” He even watches the national finals of the participating countries. He wrote news about the festival for a UK-based website for three years and even worked at the festival in Vienna in 2015. He still writes about the festival, but now for a Turkish website.

 

As of 2013, Turkey isn’t participating in the festival anymore following a decision of national broadcaster TRT, but according to Mustafa, Turkish fans still watch it every year. TRT withdrew from the contest stating that they didn’t like the automatic qualification of the 'Big Five' countries (France, Germany, Spain, United Kingdom and Italy) and the combination of jury and tele-voting. “But the real reason was to get away from any European event, so they created Turkvision instead.” In this Eurovision-inspired event only countries and regions that are Turkic-speaking and of Turkic ethnicity are allowed to participate. This includes countries like Azerbaijan, Kazakhstan and Kyrgyzstan, but countries like the Netherlands, Germany and Sweden will also be participating in the 2017 edition held in Astana, Kazakhstan. “TRT also didn’t like the gay-ish attitude of the contest”, Mustafa adds. Due to the lesbian kissing in the Finnish performance in 2013 and the appearance of Conchita Wurst in 2014, Turkey didn’t even broadcast the event, for the first time since 1973.

 

If there are countries involved, political voting is inevitable.

 

Mustafa regrets that decision: “I like international events: Eurovision, Eurobasket, Eurocup, anything about Europe. So we can get to know those countries as well, their languages, their dialects, their people and their music.” He’s not only a fan of European festivals, but also likes the concept of Europe, supports the European Union and still wishes Turkey to be a EU-member, “even if it seems impossible now.” “Europe shouldn’t forget that half of Turkey is secular and Europe-minded. Turkey has changed so much recently and the secular Turks don’t like it.”

 

Eurovision, je t’adore?

When asked about the popularity of the festival decreasing in some countries and increasing in others, Mustafa places the responsibility on the national broadcasters: “If they promote the contest and the national finals, they reach a bigger audience”. The previous results play an important role as well: “Sweden is very good at Eurovision but the Czech Republic could qualify for the final only once”. Countries that aren’t very successful lose interest because they get demotivated. “But there is always something that can change that.” Latvia, for example, didn’t qualify five times in a row, but by improving their national selection process they did qualify for the finals, ending up in fifth place in 2015. “Thanks to better national finals, the public is able to follow the selection process much better, so they know their entries and pick the best one.”

 

Europe shouldn’t forget that half of Turkey is secular and Europe-minded.

 

That doesn’t mean that it’s all about the quality of the songs, of course politics play a role too. “If there are countries involved, political voting is inevitable. Every single international event suffers from this.” Not only the public voting is political, juries can be bought too. According to Mustafa, juries don’t make the voting more neutral: “They’re so biased, and their effect is 50 percent, which is ridiculous, 25 percent jury, 75 percent public would be better”.

 

and our twelve points go to …

For Belgian viewers, watching the festival could pay off this year. We should watch out for Macedonia, Serbia and Latvia, but little Belgium might have a good chance this year too. “I predict Italy or Belgium will win.” Belgium has been one of his favorites before: “I saw Loïc Nottet live in 2015. He’s the best. Not Kate Ryan”, he concludes. Loïc got Belgium a fourth place and we might get that rhythm back this year. Tune in!