onder een tennisrok, een jeansbroek, of niets

20/04/2017
sneakers (© Natasja Van Looveren | dwars)
🖋: 
Auteur

Lichtvoetig passeren mij elke dag een tiental paar witte voetjes wanneer ik door de straten wandel. Ze halen sneller de tram dan ik op mijn hakjes – zeker met al die kasseien in Antwerpen – of dan ik met mijn Converse All Stars, maar dat ligt dan eerder aan mijn conditie. De witte Stan Smiths van het Duitse Adidas lijken het straatbeeld en de markt te domineren met 40 miljoen verkochte exemplaren van de klassieker tussen 1973 en 2014, of omdat ze simpelweg met hun spierwitte gedaante zo hard opvallen.

Stan Wie?

Oorspronkelijk waren de schoenen niet bedoeld om zich als streetwear in de straten te wagen. Een kleine geschiedenisles van deze populaire sneaker – omdat we toch horen te weten in wiens schoenen we lopen. Adidas’ Stan Smiths vonden, net als de iconische Converse Chuck Taylor All Stars en Air Jordans van Nike, in het begin hun terrein in de sportwereld. Als eerste tennisschoen uit leer en rubber had de witte sneaker die in de jaren 60 het licht zag een bekend gezicht nodig. Adidas koos voor Robert Haillet, een Franse tennisspeler, die vaak raak sloeg op het tennisveld.

 

Toen die op pensioen ging, werd Stan Smith, die in 1971 de US Open won, datzelfde jaar de nieuwe endorser van het model – nu weten we waar die naam vandaan komt. De wissel van plaats was echter niet volledig: een verwarrende zeven jaar stonden de namen van beide sportmannen te lezen in het leer, tot in 1978 beslist werd om voor Smith te gaan en diens naam en beeltenis op de schoen te zetten. De hiel werd in het groen gekleurd.

 

In 2012 werd de productie van de Stan Smith stilgelegd, om in 2014 terug op de markt te komen met een knal. Bekende gezichten doen verkopen en in de 21e eeuw kiezen we het best voor modeontwerpers en gezichten uit Hollywood, moet Adidas gedacht hebben. Raf Simons ging in zee met de schoenengigant en ontwierp zijn eigen lijn. Daarbovenop zond het bedrijf gepersonaliseerde sneakers naar celebrities, die graag de veters knoopten, zoals onder andere Ellen Degeneres en A$AP Rocky.

 

de schoenen maken de vrouw

De bron van de knal in 2015 werd echter niet veroorzaakt door de slimme marketing van Adidas zelf, maar door een vrouw die anderen de kleren aandoet, en door eentje die ze voor de camera uitdoet. Phoebe Philo, het creatieve brein achter modemerk Céline, wandelde in 2010 nonchalant met haar vlekkeloze, groen geaccentueerde classics de catwalk op om het publiek te groeten. De revival van deze classic wordt op haar naam geschreven. Wanneer Gisele Bündchen dan in 2013 naakt op de cover van Vogue pronkt met enkel Stan Smiths aan het einde van haar ellenlange benen, lijkt het alsof de vrouwen de uniseks schoen opeisen.

 

In 1977 riep Vogue al uit dat loopschoenen een status-symbool waren geworden en niet alleen aan de voeten van atleten hoorden, met Farrah Fawcett als één van de voorbeelden. Enkele jaren eerder had menig vrouw de hak al ingeruild voor deze comfortabelere soort schoenen, uit keuze voor comfort en het rebelse jeugdige karakter waar Converse – James Dean – en Nike – Michael Jordan – voor hadden gezorgd. De basketsloefkes werden omarmd door zowel mannen als vrouwen. Bedrijven sloegen dan echter munt uit de sneaker die de fashionwereld binnentrad en uit de feministische vrouw die daar geld voor kon neertellen. Speciale sneakermodellen werden ontworpen voor elke vrouw en levensstijl. De Jan Jansen met hoge rubberen hak uit 1977 is er één van.

 

these sneakers are made for runnin’

De Stan Smiths van Phoebe Philo behoren tot haar uniforme, simplistische en mannelijke stijl. Ze draagt niet alleen de broek als creative director bij Céline, maar dit kledingstuk heeft ook letterlijk een belangrijke plaats in de kast. Het androgyne karakter van de eenvoudige witte sneaker werd weer in de spotlights gebracht tijdens dat korte moment op de catwalk. Een androgyne kledingstijl, dat is dragen wat je wilt, wanneer je wilt − of niets als we Gisele Bündchen en Vogue mogen geloven.

 

We gaan voor gelijkheid en doorbreken zonder krassen door hakken het glazen plafond. Samen met de huidige trends die een sportieve levensstijl en simplistisch design hoog in het vaandel dragen, lijkt de iconische sneaker met het gezicht van een zeventig jaar oude tennisspeler de mindset van de jonge twintiger te visualiseren. Of de meelopercultuur. En ah, zie ik daar niet de nieuwe Stan Smiths voor vrouwen in honderd kleuren en met roze pailletjes op de markt? Het is maar hoe je het bekijkt natuurlijk, maar zelfs zonder de geschiedenis van de sneakercultuur te kennen, haal je er de tram sneller mee.



de neerwaartse spiraal van het Nederlandse voetbal

19/04/2017
🖋: 
Auteur

Het Nederlandse voetbal is in crisis. Na een ronduit beschamende nederlaag tegen Bulgarije (2-0) in de WK-kwalificatie is Oranje naar een eveneens beschamende 32ste plaats op de FIFA Wereldranglijst gezakt. België doet het met een zevende plek – een plek waar je als land trots op mag zijn – een stuk beter. Belgen lijken tegenwoordig meer verstand van voetbal te hebben. We zeggen het niet graag, maar Nederland snakt naar wat Belgische inbreng; een rood accent in het felle oranje.

Als je als land jezelf terugvindt op plek 32, dan ziet de wereld er ineens een stuk deprimerender uit. Je moet dan concluderen dat landen als Noord-Ierland (26) en Iran (28) – landen zonder zo’n rijke voetbalgeschiedenis als Nederland – het gewoonweg beter doen. Even terug naar de bewuste avond in Sofia. Bondscoach Danny Blind (met slechts één jaar ervaring als hoofdcoach en voormalig assistent van zijn voorgangers Louis van Gaal en Guus Hiddink) koos ervoor om de 17-jarige Matthijs de Ligt van Ajax mee te nemen naar Zuidoost-Europa. Op zich geen probleem, “dan kan die jongen ervaring opdoen”, was de algemene veronderstelling. Voetbalminnend Nederland was dan ook met stomheid geslagen toen het de naam van De Ligt terugvond in de basisopstelling. Bij de 1-0 van de Bulgaren ging de tiener in de fout, en leidde zo de ondergang van Nederland in. De keuze voor De Ligt wordt nog meer tenenkrommend als je bedenkt dat Blind Wesley Hoedt (23) en Stefan de Vrij (25) van Lazio Roma op de bank laat.

 

Bovengenoemde nederlaag betekende een paar dagen later het ontslag van Danny Blind, en nog altijd is er geen nieuwe bondscoach aangesteld. Oranje is dus op zoek naar een nieuwe trainer voor de nationale ploeg. Daarover later meer.

 

oplossing

Op de UEFA Coëfficientenlijst (de prestaties van teams uit nationale competities in Europese ontmoetingen) staat Nederland 13de. Hierdoor plaatst de landskampioen zich niet meer rechtstreeks voor de groepsfase van de Champions League, vanaf volgend seizoen. Hiertegenover doet België het op dezelfde ranglijst een stuk beter. De Belgen vinden zichzelf terug op een comfortabele negende plek. Terugvallend op de Wereldranglijst (plek 32 tegenover plek 7, weet u nog) lijkt het erop dat het Nederlandse voetbal in een neerwaartse spiraal terecht is gekomen.

 

Als Nederlander denk ik graag in oplossingen. De oorzaak van de neerwaartse spiraal laat ik in het midden. De lijst van de UEFA is samengesteld op basis van prestaties van clubteams door de jaren heen, dus dat probleem is ook niet zo 1,2,3 op te lossen. Welke oplossing wel betrekkelijk snel door te voeren is, is de aanstelling van een nieuwe bondscoach. Dat moet een Belg worden.

 

Nederlanders hebben de traditie om een bondscoach uit eigen land aan te stellen. Deze koe is nagenoeg leeg gemolken. Velen zien Louis van Gaal als de gedoodverfde favoriet. Mij lijkt dat geen goed idee. Van Gaal is namelijk al twee keer eerder coach van de nationale ploeg geweest en heeft aangegeven na zijn ontslag bij Manchester United de strijdbijl definitief te begraven. Een andere topcoach waar Nederland trots op mag zijn is Guus Hiddink. Maar na het mislopen van het EK in Frankrijk lijkt er nagenoeg geen animo voor zijn aanstelling. Dan wordt de spoeling dun. Namen van jonge, wat minder ervaren trainers zijn al genoemd. Voor mij is de oplossing momenteel in het bezit van een aflopende verbintenis in Brugge: Michel Preud’homme.

 

Waarom Preud’homme?

Preud’homme stond in het seizoen 2010/2011 al eens aan het roer bij FC Twente. In dat jaar werden de Johan Cruijff Schaal (Nederlandse Supercup, red.) en de nationale beker veroverd. Daarnaast deed FC Twente tot de laatste speeldag mee om de nationale titel.

 

Preud’homme heeft wat teweeggebracht in Enschede. De Tukkers waren het jaar ervoor kampioen geworden en veel spelers wilden de lijn van de vorige trainer doortrekken. Vanaf dag 1 heeft Preud´homme duidelijk gemaakt dat hij het anders ging doen. Daarmee kreeg hij de spelers achter zich. Zelfs de ervaren spelers (waaronder cultheld Theo Janssen) volgden Preud’homme in zijn zienswijze. Dit leidde tot bovenstaand succes. Hij weet dus hoe hij Nederlanders moet aanpakken.

 

Oranje heeft een bondscoach nodig die het anders gaat doen en dat vanaf dag 1 duidelijk maakt aan de spelers. Preud’homme zou in heel Nederland wat teweeg brengen, zoals eerder in Enschede. Daar ben ik van overtuigd. Daarnaast kijk ik er reikhalzend naar uit dat de normaal zo terughoudende Belg - in een temperamentvolle verschijning - langs de zijlijn het Nederlands Elftal naar voren staat te schreeuwen (met zachte G wel te verstaan).



opinie

12/04/2017
🖋: 

Van Joseph Goebbels is de ogenschijnlijk onschuldige anekdote overgeleverd dat hij, wanneer hij het woord cultuur hoorde, meteen naar zijn revolver greep. Dezelfde reflex bevangt mij wanneer ik iemand het over ‘onze normen en waarden’ hoor hebben, met de bedoeling mijn metaforische revolver te gebruiken om mezelf uit mijn lijden te verlossen. Bij Goebbels bestond hierover minder duidelijkheid.

De reden hiervoor is simpelweg dat ik vaak niet de energie kan opbrengen die nu eenmaal vereist is om mijn gesprekspartner uit te leggen dat wat hij ‘onze normen en waarden’ meent te moeten noemen, niets meer is dan het door de vrije markteconomie gedicteerde consumentisme. Normen en waarden zijn zaken uit het verleden die wij samen met het christendom en de zogeheten Verlichting achter ons verbrand hebben als de bruggen die ons aan ons verleden vastgeklonken hielden. Het enige wat wij nog uit de as hebben kunnen redden is de beschavingsfundering die schaamte heet en de logica van de economie waardoor voor alles een prijs betaald dient te worden. Beide restanten komen mooi samen in het spektakel van Dagen zonder Vlees.

 

Waar ‘de vasten’ ooit een rituele periode was waarin de religieuze vraagstukken die de mens tot voor kort (in de meest humane betekenis van het woord) plaagden, teruggebracht werden tot de eigenlijke tragedie die aan deze vraagstukken ten grondslag lag, namelijk de beperking van het lichaam, is de contemporaine, onttoverde versie ervan niet veel meer dan een aflossing van de schulden die de schaduwzijde van onze consumptiedrift vormen. Wanneer men het heeft over de positieve impact die dit sociale-media-mea-culpa heeft, verwijst men naar de enorme hoeveelheden water (doorgaans uitgedrukt in badkuipen) die men bespaard heeft door veertig dagen lang de consumptie van vlees te minderen. De ecologische voetafdruk wordt verkleind, hip hoi, en nadien kunnen we met een gezuiverd geweten weer verder consumeren.

 

Eenzelfde mechanisme ligt ten grondslag aan de commotie die enkele dagen opflakkerde toen de beelden uit een slachthuis in Tielt furore maakten. Moraalridderlijke wijsvingertjes wezen schooljuffrouwachtig naar de onmensen die de verantwoordelijkheid voor deze wandaden droegen, maar de onkunde om het hele menselijke, al te menselijke systeem dat dit soort wandaden nodig heeft om het vlees aan spotprijzen in de supermarktrekken te krijgen, in vraag te stellen, heeft een naam en die naam luidt hypocrisie. Zie ook de hetze rond onverdoofd slachten tegen de achtergrond van een Middellandse Zee waarin onverdoofd wordt verdronken. Rainer Werner Fassbinder begreep als geen ander de mechanismen achter deze morele maskers en legden deze keer op keer genadeloos bloot met als ongeëvenaarde apotheose de apocalyptische finale van Berlin Alexanderplatz die zich nergens anders dan in een slachthuis had kunnen afspelen.

 

“Stof tot stof. As tot as.” Deze woorden luidden in een bijna vergeten verleden die periode in waarin gevierd werd dat wij lichaam waren en dus leefden. Vasten is een enerzijds een beweging naar binnen toe (zoals dat bijvoorbeeld ook in verhevigde vorm bij anorexia het geval is) maar anderzijds tevens een omcirkelende beweging naar buiten toe omdat deze bewuste handeling een groepsgebeuren was dat mensen samenbracht in een gedeeld geloof in zekere normen en waarden. Uit mijn ervaring met mensen die deelnemen aan Dagen zonder Vlees is de beweging bij hen enkel buitenwaarts en niet zozeer omcirkelend en inclusief maar omhoog en differentiërend. De morele superioriteit die deze Vasters-van-den-Aldi zich aanmeten is ronduit komisch, des te meer daar haar geldigheid zich tot slechts enkele weken beperkt.

 

Daarbij is zij ook nog eens ongegrond omdat deze morele superioriteit zich verlaat op de milieubewuste sentimenten die dezer dagen, overigens niet ten onrechte, in zwang zijn. Maar deze zijn gestoeld op een grote misvatting. Door milieubewuster te leven zullen wij de aarde niet redden, want deze moet niet gered worden. De aarde zal zich herstellen nadat de menselijke kanker zichzelf van haar oppervlak verwijderd heeft. Door milieubewuster te leven doen wij een poging onszelf te redden van de verstikkende toekomst die wij industrieel gefabriceerd hebben. Dat deze poging wordt beperkt tot een periode van veertig dagen is een teken dat wij niet zozeer geïnteresseerd zijn in het overstijgen van onze menselijke tekortkomingen maar alleen onze economische schulden willen afkopen.



over examens, soaps en het Kempisch van Tom Boonen

12/04/2017
Reinhild Vandekerckhove (dwars)
🖋: 

De rubriek ‘proffenprofiel’ toont professoren zoals je ze nog nooit zag: als mensen. dwars stelt de vragen die bij menig student al jaren door het hoofd spoken; wat zijn/haar docent zoal op zijn brood smeert bijvoorbeeld. Reinhild Vandekerckhove, professor Nederlandse Taalkunde en Sociolinguïstiek aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte, wordt deze maand bestookt met vragen.

Dag Professor! U doceert Nederlandse Taalkunde en Sociolinguïstiek.
Wist u altijd al dat u die weg wou inslaan, of heeft u vroeger andere toekomstdromen gehad?

Ik heb altijd voor taal gekozen. Als kind en tiener was ik een veellezer en ik ben zoals velen aan de (toen nog) ‘Germaanse’ begonnen vanuit mijn liefde voor literatuur. Gaandeweg ontdekte ik dat ik er niet zo van hield om literatuur te analyseren, maar wel gebeten was door taalsystematiek. Na mijn studies in Leuven ging ik een jaar in Groningen studeren. Daar koos ik alleen nog voor taalkundige vakken, en voor de studie van het Fries. Ik had toen helemaal geen toekomstplan en wou alleen studeren wat me interesseerde, maar het bleek de ideale voorbereiding voor mijn latere loopbaan. Na dat jaar kwam er in Kortrijk een assistentschap voor Nederlandse taalkunde vrij en zo ben ik er bijna als vanzelf ‘ingerold’.

 

U doet veel onderzoek naar dialecten. Als u eventjes uw neutrale onderzoekersblik opzij zet, welk dialect vindt u dan het mooiste en waarom? En is er ook een dialect dat u stiekem niet kunt uitstaan?

Daar moet ik niet lang over nadenken: West-Vlaams op nummer één! Waarom? Dat heeft met mijn roots te maken. Maar ook als taalwetenschapper zijn er goede redenen om het bovenaan te plaatsen: West-Vlaams is het meest archaïsche Nederlandse dialect. Als je een Frans-Vlaming hoort spreken, heb je het gevoel dat je live Middelnederlands hoort. Maar als je dat nog wilt meemaken, moet je je wel haasten!

Er is eerlijk gezegd geen enkel dialect dat me irriteert. Ik ben altijd gefascineerd geweest door taalvariatie. Ooit heb ik puur voor mijn plezier Fries gestudeerd (om boze Friezen af te houden, zeg ik er maar meteen bij dat het Fries niet als een dialect beschouwd wordt). Ik kan ook genieten van het Twents van Herman Finkers, het Kempens van Tom Boonen, van het Gentse stadsdialect …

 

Hoe was u zelf als student? Kunt u enkele wilde verhalen met ons delen?

Ik was eigenlijk een ‘brave’ studente, maar er waren grenzen aan die braafheid. Ooit werd ik bij wijze van straf een aula uitgestuurd, omdat ik een detail uit een tekst niet wist. We moesten een aantal teksten lezen ter voorbereiding van een college over taalvariatie in het Nederlandse taalgebied. De prof die dat vak doceerde, wees mij ineens aan en vroeg mij waar 'het Bildt' lag. Daar had ik echter geen flauw idee van. De man werd mateloos geïrriteerd en stuurde me weg. Hij gaf me de opdracht om het te gaan opzoeken in de bibliotheek om het dan aan iedereen te vertellen. Ik vond dat zo vernederend dat ik onderweg naar de bibliotheek besliste om niet naar het college terug te keren. Ik was er niet gerust in toen ik de week erna weer in zijn college zat, maar het Bildt is niet meer ter sprake gekomen.

 

Verder maakte ik ooit in Groningen een bijzonder vreemde examensituatie mee. Voor een schriftelijk examen over Friese taalsociologie werden we met een groepje van een viertal mensen (want zoveel fans van het Fries waren er niet) in een klein lokaaltje geplaatst. Toen we goed en wel begonnen waren, ging de prof ervandoor, met de melding dat hij ‘later’ terug zou komen. We staarden elkaar verbaasd aan. Het bleef aanvankelijk muisstil, maar plots waagde iemand het er toch op om de rest van de groep een vraag voor te leggen en in geen tijd waren we collectief aan het overleggen. Alle vragen werden uiteindelijk in overleg opgelost. Ruim een uur later kwam de prof terug om de examens op te halen, alsof er niks aan de hand was.

 

U heeft het in uw lessen soms ook over het taalgebruik in Vlaamse series of soaps. Bent u zelf een fervente soapkijker?

Ik moet jullie ontgoochelen: ik ben helemaal geen soapkijker. Jaren geleden heb ik kennisgemaakt met Thuis, toen mijn oudste zoon en zijn leeftijdsgenoten, toen lagereschoolkinderen, gek genoeg met zijn allen die soap volgden. De sociale taalvariatie in Thuis kon ik wel meteen op prijs stellen. Op dit moment volg ik ook geen enkele serie. Eigenlijk ben ik sowieso geen tv-kijker, al stem ik wel graag af op de Nederlandse talkshows Jinek of Pauw. Ik ben namelijk altijd wel nieuwsgierig naar wat er bij onze Noorderburen gebeurt en ik probeer Nederland ook altijd te promoten bij de studenten Nederlands, met wisselend succes ...

 

Hoe ziet uw ideale vrije dag eruit?

Mijn ideale vrije dag speelt zich grotendeels buiten af. Ik ga heel graag lopen – ‘hardlopen’, zeggen de Nederlanders – en van wat gepruts in de tuin kom ik ook helemaal tot rust. Wat ik verder zalig vind, is een zee van tijd om de krant te lezen, liefst met thee en goede (zwarte) chocolade. Tot slot vind ik uit eten gaan en een kletspartijtje met vriendinnen ook altijd genietbaar.

 

U promoveerde aan KULAK, maar doceert nu aan UAntwerpen. Ziet u verschillen tussen de studenten hier en de studenten in Kortrijk?

Ik vrees dat ik een stereotiep beeld ga bevestigen. Doordat ik altijd Nederlands gedoceerd heb, werd ik vooral getroffen door het verschil in taalattitude bij West-Vlamingen versus Antwerpenaren. De West-Vlamingen gingen er doorgaans van uit dat er van alles mis was met hun taalgebruik. Het bleek van belang om hen op dat vlak voldoende vertrouwen te geven. Aan vertrouwen echter geen gebrek bij hun Antwerpse leeftijdsgenoten. Het verschil tussen het centrum en de periferie is in dat opzicht enorm. Ik vind het eigenlijk fijn dat spreekangst de Antwerpse studenten veel minder parten speelt, maar het is wel een uitdaging om het verschil tussen Antwerps en Algemeen Nederlands verkocht te krijgen.

 

Wat is uw favoriete plek in Antwerpen?

Als je een plek bedoelt waar ik vaak kom, dan kies ik voor de stationshal. Ik kan er nog altijd van genieten, als het tenminste meezit met de stiptheid van de treinen.

 

En ten slotte, welke wijsheid wilt u nog meegeven aan uw studenten?

“Geen half werk!”

 

Hartelijk bedankt, professor!



de dwarsdoorsnede

12/04/2017
🖋: 

dwars slijpt het virtuele fileermes en gaat langs de graat van boeken, films, series, games, muziek, theater, haarproducten en rubberen eendjes. Het bezoek van Ed Sheeran afgelopen week aan het Antwerpse Sportpaleis kan dan ook niet ontbreken.

“En? Hoe was Ed Sheeran? Goed zeker? Maar heb je geen foto’s, filmpjes, misschien een geluidsopname?” Ik schud het hoofd. “Waarom niet?”

 

Omdat het zelfs niet in me is opgekomen om mijn gsm te nemen en alles mee te maken door dat kleine schermpje. Zucht. Ik voeg er nog aan toe dat ik zelfs eens heb gelezen dat je gebeurtenissen beter en langer kan onthouden als je ze ziet door je eigen ogen, dan dat je ze probeert vast te leggen. Nog meer gezucht.

 

Nee, een gsm-verslaafde zal ik nooit worden, maar los daarvan heb ik echt gewoon genoten. Ik heb genoten van het begin tot het einde, van het eerste tot het laatste akkoord, van de eerste tot de laatste lichtflits, van de “Hello Antwerp” tot de “Goodbye”. Is dat nu al gedaan?!

 

Ed Sheeran, gitaartalent en singer-songwriter van menig wereldhit, is terug van weggeweest. Na één jaar reizen rond de wereld besloot deze Britse ginger dat de wereld klaar was voor zijn derde album, Divide. Dit kondigde hij op zes januari aan met de release van twee monsterhits Shape Of You en Castle On The Hill. Op drie maart snelde ik dan ook naar de winkel om mijn kopie van de lp te pakken te krijgen. Dit leek een mix te zijn van romantische ballads, ontroerende songs, ritmische dansplaten en internationaal geïnspireerde bonustracks. Mis jij nog iets? Klopt, een live performance. Zijn optreden in het sportpaleis op vijf april zou hier verandering in brengen en ik was erbij: zone blauw, blok 244, rij 3, stoel 3.

 

‘Fenomenaal’, ‘verbazingwekkend’, ‘verliefd’ en ‘onvergetelijk’ zijn de eerste woorden die ik na het laatste nummer You need me, I don’t need you in de overvolle wandelgangen hoor. En gelijk hebben ze. Ed Sheeran pakte het hele Sportpaleis in, blies aanwezigen omver, sloeg iedereen met verbazing, deed harten smelten, maar deed ons vooral inzien waarom we erbij moesten zijn. En voor dit alles had hij slechts drie dingen nodig: een stem, een gitaar en een loop pedal.

 

Ed Sheeran in het Sportpaleis (© Geert Van de Velde)
© Geert Van de Velde

 

Het optreden ving, na luid applaus en gegil, aan met Castle On The Hill. Het werd meteen duidelijk: het beloofde een fantastische avond te worden, waarbij de idee van een onemanshow en het gebruik van een loop pedal naar een hoger niveau zou getild worden. Ed Sheeran bouwde elk nummer op door diverse melodieën, ritmische gitaarslagen en meerdere stemmen over elkaar op te nemen en deze steeds te loopen. De schijnbare eenvoud en puurheid van zijn songs werken aanstekelijk. Jawel, ik zeg schijnbaar, want die loop pedal is werkelijk een van de moeilijkste en meest gecompliceerde gitaareffecten dat ooit uitgevonden werd. Toch speelt dit Brits talent alles zelf, live, zonder achtergrondband, danseressen of andere afleidingsmanoeuvres. Sheeran blijft ondanks zijn wereldwijde succes steeds de nuchtere en schuchtere man zelve, een mooie eigenschap als je het mij vraagt. Dat wordt nog maar eens duidelijk wanneer hij vertelt dat de Belgische concertzalen tijdens zijn vorige tournees steeds de kleinste en nooit uitverkocht waren. Nu blijkt het Belgische Sportpaleis de grootste zaal van zijn hele tournee. Hij zegt dan ook trots, eerlijk en vooral verwonderd dat het voelt alsof hij België eindelijk veroverd heeft.

 

Naast swingende dansnummers als Shape of You, Sing, Galaway Girl en Barcelona, kwamen ook zijn good old classics aan bod zoals The A Team, I See Fire en Don’t. Daarnaast bewees hij zich als een gezwind rapper in You Need Me, I Don’t Need You en Eraser, maar kreeg ook zijn emotionele, romantische kant een plaats in de show met songs als Perfect, Happier en Thinking Out Loud, waarna fans massaal witte rozen op het podium wierpen. Na een verlegen reactie, hoopt Sheeran vooral dat hij hierover niet zou uitglijden en bijgevolg een veel gedeelde meme op sociale media zou worden. Zo nam hij zijn eigen lyrics van Bibia be ye ye wel heel letterlijk: Someone told me, “Always say what's on your mind” And I am only being honest with you.

 

Sheeran, bedankt voor het fenomenale, bezielde, inspirerende, bewonderenswaardige, pure optreden. Ik ben fan, ik ben een Sheerio.

 

You know, the future's in the hands of you and me
So let's all get together, we can all be free
Spread love and understanding, positivity

(Ed Sheeran – What Do I Know?)



dwarse podcasts

05/04/2017
dwarse podcasts 4: S-Town (© dwars)
🖋: 
Auteur

Dinsdag 28 maart hebben de makers van This American Life en Serial een nieuwe podcast op de wereld losgelaten. S-Town heet hij, en dwars beluisterde de eerste aflevering ervan.

Dit is geen podcast om met een half oor te beluisteren terwijl je gedachten ergens tussen het avondeten en je eerstvolgende paper zweven. Al vanaf de eerste zin eist S-Town je volledige aandacht op. Brian Reed, een producer van de moeder aller podcasts This American Life, krijgt een excentrieke mail van een nog excentriekere restaurateur van antieke klokken. De mail, waarin de restaurateur beschrijft hoe zijn hele dorp een moord geheim lijkt te houden, is het begin van een lange correspondentie die eindigt in Reeds bezoek aan het bewuste dorp in Alabama.

 

Het verhaal doet je aandacht even snuffelen in zijn slaap, maar het is de stijl van de podcast die hem opnieuw klaarwakker maakt. Brian Reeds achtergrond bij This American Life en Serial is duidelijk aanwezig in de zorgvuldigheid waarmee het verhaal wordt uitgerold en de manier waarop hij karaktertrekken kan blootleggen in enkele, puntgave zinnen of een juist gekozen audiofragment. Subtiele verwijzingen naar het overkoepelende thema van tijd en verval voeden je vermoedens over duistere onderstromen die zich onheilspellend roeren onder de oppervlakte van het verhaal. Op het einde van de eerste aflevering weet je dat dit verhaal en deze personages onder je huid zijn gekropen en zich met stevige weerhaken hebben verankerd.

 

 

Als tegengewicht voor die duisternis gebruikt Reed humor zoals een fotograaf zijn flitser. Even worden alle hoeken van het verhaal helverlicht en blijf jij achter met een glimlach en sterretjes in je ogen. Of een brede grijns, zoals wanneer de consequente negativiteit van het hoofdpersonage wordt beschreven (“What a beautiful butterfly! – Yeah we don’t have as many butterflies as we should have this year, that’s something else that disturbs me …”). Het zware zuiderse accent van het hoofdpersonage draagt daar enkel toe bij, al moet je soms wat moeite doen om te verstaan waar hij precies over aan het klagen is. Waar Serial soms zo ingewikkeld werd dat je extra schema’s en tijdlijnen moest opzoeken om het verhaal te kunnen volgen, blijft S-Town, onder andere door deze humor, veel lichtvoetiger en helderder.

 

 

Ondertussen tikt de klok verder en lijken de makers van S-Town met behulp van de personages een spel te spelen met de luisteraar. Welke achterliggende agenda heeft het hoofdpersonage? Welke rol spelen de mensen uit het dorp in dit verhaal? Is er daadwerkelijk een moord gepleegd? Je wordt als luisteraar de hele aflevering lang in het ongewisse gelaten terwijl metaforen en plotwendingen tipjes van de sluier oplichten. Het enige dat je zeker weet, is dat in een dorp als S-Town alles mogelijk lijkt.

 

Brian Reeds contactpersoon in S-Town beschrijft het dorp als 'a world of proleptic decay'. Proleptic, als in using a word or phrase in anticipation of it becoming true. Dat doet je met een donker voorgevoel ergens ter hoogte van je navel afvragen in wat voor kronkels het verhaal zich de volgende zes afleveringen zal ontvouwen. Ga ervoor zitten en geniet van de paradoxale schoonheid van S-Town.

 

Alle afleveringen van S-Town zijn online beschikbaar. Ook Serial en This American Life kan je gratis online beluisteren.



opinie

05/04/2017
🖋: 

“Het is nu het moment om een nieuwe auto te kopen”, verklaarde een niet nader genoemde dwarsredacteur op een blauwe woensdagavond. “Met die lage-emissiezone zijn er overal kortingen, en als je niet vaak in Antwerpen moet zijn, kan je echt een goede deal doen.” Geweldig toch, die lage-emissiezone die sinds 1 februari ingevoerd is in onze Koekenstad. Auto’s die nét niet groen genoeg zijn, verliezen met het afscheuren van een kalenderblaadje plots de helft van hun waarde, samen met de mogelijkheid nog één band in het stadscentrum te zetten. “Schone lucht voor iedereen”, klinkt het. Maar is de maatregel wel zo groen als hij lijkt of moet ’t Stad een andere kleur bekennen?

Ik ben zelf een groene jongen. Groene vingers heb ik niet, maar overkappingen, windmolens, zonnepanelen en zelfs kilometerheffingen doen mijn groen hart net iets sneller bonzen. En ik moet toegeven, ook het woord ‘lage-emissiezone’ en zijn catchy afkorting LEZ is een mooie verpakking en lijkt ook uit goedbedoelde ideeën te zijn ontstaan. Antwerpen is inderdaad helaas een van de slechtste leerlingen van de klas als het op luchtkwaliteit aankomt en te vervuilende auto’s uit de stad bannen lijkt dus op het eerste gezicht een goed idee.

 

een pleister op een zere wonde

Maar wie is de grootste luchtvervuiler in Antwerpen, denkt u? Juist ja, de haven. Die is goed voor meer dan de helft van alle luchtvervuiling in onze stad, maar wordt vaak handig vergeten in de berekeningen. Personenwagens daarentegen zouden nog geen 20 procent bijdragen tot de vervuilde lucht. En LEZ pakt van die 20 procent dan weer enkel het te vervuilende topje van de ijsberg aan. Bovendien komt ook niet alle lucht van de stad zelf, want het waait af en toe wel eens, ziet u. Een cordon van vers ontworpen verkeersborden lost het probleem dus niet op, maar verplaatst het enkel. Bij windstil weer.

 

Maar laten we dat nu even allemaal vergeten en ervan uitgaan dat een gedwongen omschakeling naar elektrische of op zijn minst minder vervuilende diesel- en benzinewagens de luchtkwaliteit effectief zal verbeteren. Stel dat mensen er op de duur zodanig gek van worden om hun vervuilende auto aan de rand van de stad te parkeren en te wachten op een immer stipt aankomende bus dat ze hun oude auto inruilen voor een nieuwe. De productie van die nieuwe auto’s voegt tonnen broeikasgas toe aan onze atmosfeer. En geen klein beetje, een goeie zeventien ton per gemiddelde wagen. De luchtkwaliteit in Antwerpen zal dus misschien verbeteren, maar het echte probleem is er niet mee opgelost, en mogelijks nog vergroot. Het zou zelfs beter zijn voor het milieu om het met onze oude auto’s te blijven doen en zo lang mogelijk te wachten met de aankoop van een nieuwe wagen. De levensduur van oudere auto’s is vaak veel hoger dan die van nieuwere en zou onze aarde dus een heel aantal productietonnen CO2 kunnen besparen. En waar gaan die oude auto’s naartoe denkt u? Die blijven gewoon moedig verder puffen buiten de stad of komen in omloop in ontwikkelingslanden. Opgeruimd staat netjes?

 

Een cordon van vers ontworpen verkeersborden lost het probleem dus niet op, maar verplaatst het enkel. Bij windstil weer.

 

’t Stad is van A

En alsof dat nog niet genoeg mag zijn, is de maatregel bovendien ook nog bijzonder asociaal. Zo schreef De Standaard eind februari nog pijnlijk correct: “’t Stad is van A, behalve als u met een oudere diesel of oude benzinewagen rijdt.” Je kan zeggen wat je wil over de kilometerheffing, maar die zou tenminste voor iedereen gelden en probeert wél de wortel van het probleem aan te pakken. Mensen te overtuigen van een goed alternatief. Nu lijkt het alsof enkel het kopen van een nieuwe wagen de oplossing biedt en worden mensen er nog steeds niet toe aangezet verder te kijken dan hun trouwe vierbander.

 

Mensen die vroeger, vanuit groene of financiële overweging, bewust voor een dieselwagen gekozen hebben, zijn nu de pineut. Mensen die zuinig waren en zorg droegen voor hun oud autootje en er nog een aantal jaartjes mee verder wilden, zijn gezien. Ze krijgen hun auto zelfs niet meer verkocht, of toch niet tegen een eerlijke prijs. En mensen die wel het geld hebben, betalen gewoon een dag- of jaarpas (een luttele 20 euro per dag of 350 euro per jaar) of kopen meteen een fancy nieuwe auto. De rest staat buiten de stadspoorten. In spanning op wacht voor een bus of tram.

 

’t Stad is van A, behalve als u met een oudere diesel of oude benzinewagen rijdt.

 

busje komt zo?

Of nee, wacht, want die prachtige Noorderlijn is verre van af. Slim naar Antwerpen, een goed initiatief, maar voorlopig nog niet slim genoeg. Waarom heeft men niet gewacht met die lage-emissiezone tot na de werken? Dan is het hele idee om je auto aan de rand te parkeren en vlot over te stappen op tram of bus een geloofwaardig en een te overwegen alternatief. Nu maak je mensen boos en gefrustreerd, en zet je ze eerder aan om een nieuwe auto te kopen, die ten eerste bij productie een zware milieukost betekent en ten tweede geen mentaliteitswijziging teweegbrengt.

 

Fietsen is in Antwerpen nog altijd levensgevaarlijk en ook bussen staan te roken in de file.

 

Zouden we niet beter ons openbaar vervoer zodanig verbeteren dat het gewoon handiger is om je auto te parkeren en de bus, tram of zelfs de fiets te nemen? Fietsen is in Antwerpen nog altijd levensgevaarlijk en ook bussen staan te roken in de file. Wordt het geen tijd dat we de mobiliteit- en milieuproblematiek in haar geheel aanpakken en geen asociale maatregelen doorvoeren die hun doel voorbij schieten?

 

 

 

Wil je reageren op dit opiniestuk of zelf een opiniestuk inzenden? Het kan! Stuur ons je stuk door en we nemen zo snel mogelijk contact met je op.



opinie

05/04/2017
🖋: 

Tenzij u de laatste tijd onder een steen heeft geleefd, in welk geval u dit sowieso niet zult lezen, kan u er niet onderuit dat het woord ‘millennial’ enorm modieus geworden is. Oneigentijds als ik probeer te zijn, herinner ik mij de woorden van Schiller die zegt dat de mode nogal sterk de neiging heeft om “streng te verdelen”. Aangezien de definitie van dit modewoord, tegen mijn aanvankelijk vermoedens in, blijkbaar ook op mij betrekking heeft, lijkt het mij interessant om deze ‘verdeling’ of ‘indeling’ (zo u wil) eens nader te bekijken.

Recentelijk was ik aanwezig bij de Notebohmlezing, die deel uitmaakt van een hele reeks die alleen al omwille van de prachtige locatie iets prestigieus heeft. Onderwerp van de dag was, u raadt het al, de millennial. Zoals dat tegenwoordig pleegt te gebeuren, werd publieksparticipatie bij de lezing actief aangemoedigd en daarom stelde ik één simpele vraag. De respons hierop bestond voornamelijk uit schamper gelach en een compleet gebrek aan inhoudelijke tegenwerpingen. Eén vrouw, die voor mij zat, had de moed om, voor zich uit en op  bittere toon, te mompelen dat “[wij] het veel te makkelijk hebben gehad.” Nochtans was de vraag die ik stelde niet eens verwijtend of polariserend bedoeld. Ze bestond uit niet veel meer dan de overweging dat alle vooroordelen over millennials misschien wel eens te maken zouden kunnen hebben met de erfenis van de vorige generaties. Dus laat ons die erfenis eens bekijken.

 

Wij leven in, op zijn zachtst gezegd, interessante tijden en met interessante tijden bedoel ik tijden van crisis op alle mogelijk domeinen. Toen ik zestien jaar oud was, vond de grootste crisis plaats in de economische geschiedenis. De vluchtelingencrisis die de grootste humanitaire ramp sinds de Tweede Wereldoorlog wordt genoemd, is het resultaat van een internationale politiek waarvoor de millennials vooralsnog niet verantwoordelijk gehouden kunnen worden. Het huwelijk is gezien de scheidingsstatistieken ook al geen vanzelfsprekend, veilig instituut meer en ideologisch gezien is ‘the end of history’ eerder eschatologisch dan triomfantelijk te noemen. Om nog maar te zwijgen van de hypotheek op de toekomst die, statistisch gezien, niet door de millennials werd genomen maar wel door ons afbetaald zal worden. Ik verwijs hier uiteraard naar de Brexit en de Clown in het Witte Huis.

 

Wat zijn nu dus de verwezenlijkingen waarop u, pre-millennial, zich beroept wanneer u de paternalistische positie inneemt die nodig is om over ons te oordelen? Jullie niet aflatende ‘j'accuse’ in opiniestukken, analyses en weet ik veel wat al niet, begint meer en meer te lijken op een Dorian Gray-achtig zelfportret. Is het daarbij niet een beetje voorbarig om deze vooroordelen als conclusies te presenteren? De jongste leden van onze generatie hebben de schoolbanken amper verlaten en de impact van deze generatie is zich dus nog volop aan het vormen.

 

Gun deze generatie, net als uzelf, de tijd om te zoeken naar wat slechts retrospectief de samenhang zal krijgen die voor de babyboomgeneratie nu pas, en niet al te vrolijkstemmend, opgetekend wordt in onder andere het werk van Michel Houellebecq. Ik wens mijn generatie in ieder geval eenzelfde soort spiegel toe, ooit, in de toekomst. In de hoop dat deze ons zal voorkomen al te vlug te oordelen over de generaties die na ons komen en zich moeten zien te redden in een wereld die wij aan hen zullen nalaten.



de nostalgieloze recensie

04/04/2017
🖋: 
Auteur

Er zijn zo van die films, albums, games, boeken, ... die zo'n grote invloed hebben gehad op je jeugdjaren dat je er enkel in superlatieven over kan spreken. In jouw ogen behoren deze tot het toppunt van hun medium en iedereen die dat ontkent, heeft het fout. Maar hebben ze het wel fout? In deze rubriek gaat een van onze redacteurs in een strenge maar rechtvaardige recensie over een met jeugdsentiment beladen onderwerp na of deze wel echt zo goed is als beweerd wordt.

George Lucas’ saga over het doen en laten van de Skywalker-familie in een sterrenstelsel hier ver, ver vandaan is een van de meest geliefde filmfranchises uit de geschiedenis. Over heel de wereld zijn er fans te vinden. Deze zijn soms zo toegewijd aan de filmreeks dat elke vorm van kritiek wordt beantwoord met taalgebruik waar we ons in dit hoogstaand magazine niet aan gaan wagen. De originele trilogie, waarvan de eerste film in 1977 uitkwam, wordt op elke mogelijke manier verheerlijkt. Maar is de originele Star Wars-film (die later de ondertitel A New Hope kreeg) zijn status als foutloos meesterwerk wel waard?

 

Star Wars begint met twee ruimteschepen in achtervolging. Aan de ene kant hebben we de rebellen, die stevig onderbemand zijn, en aan de andere kant staat het intergalactische keizerrijk, die gekleed in tupperware dood en verderf zaaien. Dit conflict vormt de basis van het verhaal van Star Wars. De rebellen hebben de plannen van het bolwerk (pun intended) van het keizerrijk gestolen met als doel deze op te blazen. Om hierin te slagen hebben ze de hulp nodig van een onwaarschijnlijke held.

 

Deze onwaarschijnlijke held komt in de vorm van Luke Skywalker, die we leren kennen als een puberaal, zagend broekventje. Acteur Mark Hamill lijkt het oprecht niet naar zijn zin te hebben en zou liever, net als het personage dat hij speelt, zo snel mogelijk op een andere plek willen zijn. Ondanks dat Hayden Christensen door fans wel werd overspoeld door kritiek voor de manier waarop hij Anakin Skywalker speelde in de prequeltrilogie, zien we ook Hamill een zeer gelijkaardige acteerstijl gebruiken. Luke krijgt zijn kans om avontuur te beleven wanneer Obi-Wan Kenobi hem meeneemt om een prinses te redden. Alac Guinness is perfect als een oude leermeester die niet echt een idee lijkt te hebben over wat hij eigenlijk bezig is. Skywalker en Kenobi krijgen hulp van Han Solo, een arrogante smokkelaar en zonder twijfel het beste personage uit de film. Alleen al het feit dat hij tegen de andere personages zegt wat het publiek denkt, maakt van hem een absolute favoriet. Harrison Ford speelt de smokkelaar op zo'n charmante manier dat het onmogelijk is om niet te grinniken wanneer hij prinses Leia op haar plaats zet. Star Wars was erg progressief omdat er een prinses in voor kwam die haar eigen mannetje kon staan en niet steeds gered moest worden (behalve dan die ene keer dat ze wel gered moest worden). Carrie Fisher speelt de badass prinses op dezelfde manier dat Mark Hamill een intergalactische held speelt: de bedoeling is er, maar het is simpelweg gewoon niet erg goed geacteerd. Al is het niet altijd de schuld van de acteurs. Sommige dialogen die George Lucas heeft geschreven, zouden door geen enkele acteur geloofwaardig gebracht kunnen worden.

 

Waar het acteer- en schrijfwerk ondermaats is, overtreft de special-effectsafdeling. De film uit 1977 geeft sommige hedendaagse, met CGI beladen films het nakijken. George Lucas heeft, omdat het budget voor computereffecten beperkt was, elke set, elk ruimteschip en alle kostuums met de hand laten maken. Hiermee bewijst hij dat practical effects eindeloos veel beter zijn om een geloofwaardige wereld tot leven te wekken dan een acteur voor een green screen. Dat maakt het des te jammer dat Lucas zijn saga door de jaren heen heeft aangepast en er steeds meer computereffecten aan toevoegde. De nieuwere versies van Star Wars zijn veel minder aangenaam om naar te kijken dan de originele versie van 1977 door die overdaad aan computereffecten.

 

Maar special effects zijn niet genoeg om een filmklassieker te maken. Anders zou Avatar van James Cameron nog steeds relevant zijn. De special effects van Star Wars maken de actiescènes gelukkig nog ietwat spectaculair. Niemand, noch de rebellen of de stormtroopers slagen er ooit in om raak te schieten, zodat we nooit echt het gevoel krijgen dat de helden wel degelijk in gevaar zijn. Ook het grote duel tussen Obi-Wan Kenobi en slechterik van dienst, Darth Vader, is even sensationeel als een maaltijd in de microgolfoven. Alleen met iets dramatischere afloop.

 

Star Wars is redelijk vermakend, maar de film komt pas volledig tot zijn recht in combinatie met de rest van de saga. George Lucas heeft een fantastisch universum gecreëerd waar oneindig veel verhalen in verteld kunnen worden, maar het is vooral het universum dat een tijdloze klassieker is geworden en niet de film zelf. De special effects en de legendarische soundtrack van John Williams zijn van een ongezien hoog niveau, maar helaas zijn er te veel mankementen in het tempo, de acteerprestaties en in het schrijfwerk van Lucas om van een effectief meesterwerk te spreken.



opinie

04/04/2017
🖋: 
Auteur extern

Joeri Vandendriessche


De digitale revolutie is volop aan de gang. In elk domein en aspect van ons dagelijks leven worden we ermee om de oren geslagen. Zeer positief, en dan spreek ik niet enkel als jonge student. We zien dat de digitalisering een stijging van de productiviteit in zijn geheel met zich mee brengt. We kunnen gemakkelijker meer doen in minder tijd.  Ook op het vlak van onderwijs wordt er schoorvoetend in de richting van een digitale leeromgeving gestapt. We zien digitale platforms met daarop studiemateriaal, communicatie van de prof en administratieve zaken. Maar dit is veel te beperkt. Het kan veel beter en dan heb ik het specifiek over het online zetten van opgenomen lessen.

Ik studeer Rechten aan onze universiteit (UAntwerpen). De gangbare praktijk is het opnemen van nagenoeg elke les. Dit gebeurt voornamelijk voor de werkstudenten die in de onmogelijkheid verkeren om lessen te bezoeken. Voor die werkstudenten worden deze lessen online opengesteld om ze te herbekijken wanneer zij de tijd hebben. Echter, dit is niet het geval voor de 'gewone' student. Het kan voorvallen dat de lessen online ter beschikking gesteld worden, maar dit is nog steeds de uitzondering. Er wordt nog steeds verondersteld dat de student naar de les moet komen: digitale opgenomen lessen passen niet binnen het plaatje. Absurd, want alle studenten hebben net veel baat bij een meer doorgedreven digitalisering, voornamelijk op het vlak van lessen. De student zal onder meer eindelijk kunnen studeren op een eigen manier en in een eigen tempo, veel meer dan dat nu kan.

 

let's go digital

Wordt het niet stilaan tijd dat we ons hoger onderwijs gaan situeren in een digitale omgeving in plaats van een fysieke? Sinds de drie jaar dat ik studeer, heb ik over dit onderwerp vaak gesproken met medestudenten. Zo heb ik voor- en tegenstanders ontmoet. Het grote voordeel voor studenten is de niet-aanwezigheid in de les, uiteraard. Dit is een voordeel dat voor de hand ligt, maar er zijn nog meer argumenten zoals de democratisering en personalisering van het onderwijs. Het nadeel is dat je niet in de les zit, en het op deze manier verleidelijk wordt om de opgenomen les niet te zien of er niet bij op te letten. Zowel de voor- als nadelen houden steek. Waar het eigenlijk om draait, is de vraag “Zijn we wel het meest productief zoals we nu bezig zijn? Halen we het maximum er wel uit?” Het antwoord lijkt mij nee te zijn, maar met opgenomen lessen kan hier mogelijk aan tegemoet gekomen worden.

 

minder aanwezige studenten als heil

Wanneer je opgenomen lessen openzet voor alle studenten, zal je veel minder studenten zien in de aula's. Dat is logisch. Dit wordt vaak door de professoren als een gevaar gezien: een bedreiging voor de leerstof, het vak of de professoren zelf. De professoren hebben overigens de grootste inspraak omtrent het al dan niet online zetten van lessen. Zij kiezen vaak voor het klassieke model, uit vrees dat de studenten anders thuisblijven. Die vrees is wellicht gegrond, maar we kunnen ons toch wel afvragen wat nu het doel is van een les of een universiteitscursus? Het doel is de student datgene bij te brengen dat het vak inhoudt, met alle nodige middelen. Het is dus niet noodzakelijk dat er fysiek in een lokaal meerdere uren les gevolgd moeten worden. Als de student het leerdoel het best bereikt via een online opgenomen les, dan is dat het pad dat bewandeld zou moeten worden. Hier komt nog bij dat als er minder studenten naar de les komen, de prof met dezelfde of minder uren meer kwalitatief kan inspelen op de opgedaagde studenten. Een veel persoonlijkere aanpak dus.

 

Broken Windows and Fallacies

Zoals vaak in onze maatschappij kijken we enkel naar welke voor- en nadelen er op het eerste zicht spelen. Voor een prof lijkt het dus dat hij minder directe aandacht zal krijgen, voor een student lijkt het dat hij niet naar de les zal moeten. Dit klopt, maar is niet het enige. In de geest van Frédéric Bastiat, een 19de eeuws filosoof, is het aangewezen om ook naar de indirecte gevolgen te kijken. Er zijn meer voordelen aan opgenomen lessen en meer digitalisering, die nu nog niet gezien worden.

 

1. democratisering van de universiteit

Een verdere digitalisering van de lessen is een democratische maatregel. Studenten die niet op kot kunnen gaan wegens financiële redenen en vaak ver moeten pendelen, kunnen op deze manier gemakkelijker de lessen volgen waarbij ze als pendelaar veel tijd zouden verliezen. Het speelveld tussen kotstudenten en niet-kotstudenten wordt zo gelijker.

 

2. maatregel tegen overpopulatie

Vervolgens kunnen we over het algemeen stellen dat er minder pendelstudenten aanwezig zullen zijn. Het probleem van overpopulatie bij universiteiten wordt op deze manier deels aangepakt. De aula’s zullen immers minder gevuld zijn. En is het tekort aan aula’s niet een groot probleem waaraan tegemoet kan gekomen worden door de digitalisering?

 

3. verduidelijking, verduidelijking, verduidelijking

Ten slotte zullen de herbekijkbare opgenomen lessen voor een enorme toename aan duidelijkheid zorgen. Voor studenten zal het mogelijk zijn om betere notities te maken: als het de eerste maal niet gelukt is om alles te volgen, kan je later aanvullen en zo voor verduidelijking zorgen, etc. Kortom, voor diegenen die het wensen, zal de mogelijkheid bestaan de lessen te herbekijken. In het kader van de productiviteit van één gegeven les is dit een positief licht.

 

et nunc?

Daarom wordt het hoog tijd van de krampachtige houding weg te stappen dat digitale lessen niet goed zouden zijn. Het is de toekomst en bovendien een situatie die veel beter is dan de situatie van vandaag. Op die manier kunnen we terugkeren naar de essentie: studenten iets bijleren. Verplichte fysieke aanwezigheid kan dus in het licht van de moraliteit en pragmatiek in vraag gesteld worden. Daarenboven hinken we internationaal gezien al achterop vergeleken met de top. Het is een must om in te spelen op de digitalisering om zo duidelijk onze vakkennis over te dragen en topstudenten af te leveren die deze kennis dan kunnen laten vloeien over de rest van de wereld. We leven in een steeds meer gedigitaliseerde wereld, laat ons met ons onderwijs en onze universiteit niet achterop blijven, maar laat ons gebruik maken van de opportuniteiten en zo genieten van de vele voordelen.

 

 

Joeri Vandendriessche

 

 

Joeri Vandendriessche (20) is student Rechten aan de Universiteit Antwerpen en bestuurslid bij LVSV Antwerpen. Hij schrijft dit opiniestuk in eigen naam.

 

 

 

Wil je reageren op dit opiniestuk of zelf een opiniestuk inzenden? Het kan! Stuur ons je stuk door en we nemen zo snel mogelijk contact met je op.