mens sana in corpore sano
10/11/2015
🖋: 

Student en sport. Vloeken deze woorden? Nochtans leuzen genoeg om je te laten inspireren: van de gouwe ouwe ‘een gezonde geest in een gezond lichaam’ tot ‘zweet is slechts vet dat huilt’ of de gevleugelde woorden van Rocky Balboa: “It ain’t how hard you hit. It’s about how hard you can get hit and keep moving forward.” Neen? Weten ze je niet te raken? Te lui, te hard geleerd, te veel gefeest? Ik begrijp het en wil helpen. Daarom beoefen ik iedere maand een sport in jouw plaats. En laat dat stereotiepe potje voetbal of tennis maar varen; ik volg de mindset ‘hoe gekker hoe beter’. Deze maand de magische sport zwerkbal.

Dat ik nooit in de voetsporen van Harry Potter zal treden, weet ik wel zeker. Woon ik in Groot-Brittanië? Nope. Draag ik een markant litteken in de vorm van een bliksemschicht op mijn voorhoofd? Nuh-uh. Leven mijn ouders nog? Gelukkig wel. Zou ik, als ik in een treinstation met mijn bagage tegen een pilaar zou rijden, uitkomen op perron 9 ¾? Hoogst onwaarschijnlijk. Neen, de trip naar Zweinstein zit er voor mij niet in.

 

Dat betekent niet dat ik ga zitten kniezen voor de opening van de schoorsteen, wachtend tot een uil binnen vliegt met de verlossende uitnodiging in zijn snavel geklemd. Neen, tijd voor actie. Ik google ‘Harry Potter in real life’ en ontdek talloze filmpjes en blogs van fans met dezelfde aspiraties als ondergetekende. Al snel valt mijn oog op de perfecte tovenaarsbezigheid die niet alleen de magie van het Harry Potter-universum omvat, maar ook aansluit bij de column die ik schrijf: zwerkbal.

 

Fans hebben de magische sport namelijk naar de wereld van de dreuzels vertaald. Mijn zoektocht op Google levert de volgende informatie op: tovenaars op zwevende bezems ruimen plaats voor iets minder magische jongelui die rondlopen met een pvc-buis tussen de benen. Drie schamele hoepels aan weerszijden van het veld dienen als doelen en trefballen vervangen de zogenaamde Beukers. De Gouden Snaai tenslotte is geen bal maar een neutrale speler gehuld in een gele outfit, die een tennisbal aan zijn broek heeft hangen. Magisch of niet, het kan me geen zier schelen. Mijn nieuwsgierigheid is dermate aangewakkerd dat ik in allerijl een mailtje stuur naar de voorzitter van een zwerkbalploeg gevestigd in een stadsdistrict van Antwerpen. Mijn verzoek is simpel: kan ik een avondje komen zwerkballen?

 

Dagenlang wacht ik op antwoord. De refreshknop van mijn mailbox schreeuwt om rust. Maar ik zal niet stoppen voordat de buit binnen is. Ik zal geen genade tonen voordat ik zwerkbal. Radeloos geworden en bezwijkend onder de stress, kijk ik een derde maal de acht films achter elkaar. Weken, maanden, het lijken wel jaren die verstrijken. Dan, op een ogenschijnlijk ordinaire namiddag, twee dagen nadat ik mijn verzoek heb verzonden, verschijnt de verlossende respons van de voorzitter in mijn inbox. Het antwoord is affirmatief: ik mag mee zwerkballen. Als ik een Griek was geweest, had ik ter plaatse de sirtaki gedanst en vijf borden stukgesmeten. Maar ik ben echter een nuchtere Belg, die doet zoals iedere Belg zou doen in een situatie van intens geluk: eens lekker gaan eten. Het kan eraf.

 

De zwerkbaltraining gaat door op een zaterdagavond. Donderdag heb ik alles al klaarliggen. Sportkleren? Check. Schoenen die tegen modder kunnen? Check. Pvc-buis? Check. Ik ben er klaar voor. Niets staat me in de weg om te zwerkballen. Niets staat me in de weg om mijn droom te verwezenlijken.

 

De volgende dag is pikzwart. Depressie. Armoe. Ik zit in zak en as. De voorzitter heeft me net laten weten dat de training van zaterdag niet doorgaat. De ploeg doet namelijk mee aan het Belgisch kampioenschap zwerkbal. Ik ben met stomheid geslagen. Dat er voor deze sport kampioenschappen bestaan, heeft allesweter Google me niet verteld. Ditmaal gooi ik effectief vijf borden stuk.

 

Een hele tijd laat ik het zwerkbal links liggen. Ik kan de sport niet horen, zien of ruiken. Vrede op aarde? Niet met de zwerkballers. Belgisch kampioenschap, wat denken ze wel? Flauwekul. Overal zal ik haat spuien over deze belachelijke Harry Potter-bezigheid. Wanneer er over zwerkbal gelachen wordt, zal ik het hardst lachen en het luidst. Want wie wil er nu zwerkballen? Welke halvegare, welke idioot heeft de interesse, zou uit eigen wil, zou er alles voor doen om ...

 

Ik meen het niet. Wat ik hiervoor over zwerkbal geuit heb strookt niet met hoe ik werkelijk over de sport denk. Is het fair dat ik mijn frustraties uit tegenover de zwerkbalspelers? Helemaal niet. Ook zij jagen hun dromen na en wie ben ik om hun dat kwalijk te nemen? Een driftig studentje dat zijn artikel niet afkrijgt? Ik denk het wel. Wanneer ik op zondagmorgen de facebookpagina van de zwerkbalploeg in kwestie open en zie dat een van hun teams daadwerkelijk Belgisch kampioen is geworden, ben ik zelfs oprecht gelukkig. Al mag ik dan voor altijd een dreuzel blijven.



over Nello & Patrasche, Rubens en Westmalle
10/11/2015
🖋: 

U krijgt ze allemaal wel eens, mails die een uitnodiging voor een evenement bevatten waarbij je niet goed weet wat precies dit evenement eventueel met uw persoontje kan linken. Ik krijg ze ook. Ze zijn vaak het lot beschoren de spam-map te gaan bevolken. Dit gebeurt nogal eens met mails afkomstig van de pastorale dienst. De katholiek in mij is niet bepaald vurig aanwezig of ambitieus en verder heb ik jammer genoeg de gewoonte die mails nogal snel richting de prullenbak te slepen. Na de onwijs interessante avondlijke uiteenzetting rond het thema voluntourism (lees er alles over in dwars 98), nam ik me voor om voortaan de mails van de dienst vaker onder de loep te nemen.

nocturne in de kathedraalDe eerstvolgende mail van de pastorale dienst had als onderwerp “Nocturne in de kathedraal”. Chauvinistisch als ik ben, werd na mijn nieuwsgierigheid ook mijn aandacht gewekt door het woord 'kathedraal'. De poster in bijlage versterkte dit effect nog eens. Daarop stond namelijk een tekening van de moeder aller kerken in het avondduister te pronken. Prachtig gebouw, die Onze-Lieve-Vrouwe-Kathedraal. Ook wel bekend als het mooiste gebouw in Antwerpen. Eveneens gekend als de enige Vlaamse toren mooier dan het belfort van Brugge. Brugge, u overigens welbekend als de mooiste stad van Vlaanderen, na Antwerpen welteverstaan. U ziet het, geen toevalligheden hier, de cirkel is rond. En alsof dat allemaal niet genoeg was om mij te overtuigen de bestanden in deze mail verder te exploreren, stond enigszins centraal in het inleidende tekstje de term Westmalle en in die vloeibare vorm wil ik het woord Gods al eens graag tot mij nemen. In opdracht van dwars (lees: als excuus om Westmalle te gaan consumeren) zakte ik dus af naar de wijsvinger van Antwerpen. Bleek dit weer eens een goede beslissing. Ieder van ons kent de 123-meter hoge toren en de omlijsting van de kathedraal, met het ijsbolletje in het midden op het dak. Maar wie is er al daadwerkelijk binnen geweest? Ongelooflijke meesterwerken hangen hier ter uwer beschikking, uiteraard van Pieter Paul Rubens, maar wist je ook dat er sinds kort een Jan Fabre staat te glimmen?

 

 

Er was een vrij breed programma voorzien voor de nocturne. De kathedraal werd immers maar enkele uurtjes opengesteld voor ons. Last-minute werd het programma zelfs tweetalig aangeboden, een uitgestoken hand naar de talrijke Erasmusstudenten die afgezakt waren naar de kathedraal. Wat er dan op het programma stond? Rondleidingen, het praatcafé met de Westmalle-begeleiding, de vertoning van Nello en Patrasche en een optreden van het Amahoro-koor. Verder was er natuurlijk ook plaats voorzien voor bezinning in de stilteplek. Voor wie de namen Nello en Patrasche geen belletje doen rinkelen, check zeker eens A dog of Flanders (1871). Het verhaal over de arme jongen en zijn trouwe viervoeter is in Japan uitgegroeid tot een waar cultverhaal over barmhartigheid.

 

de hongerigen spijzen

Bij binnenkomst trakteerden Gert Van Langendonck en de zijnen ons op zelfgemaakte soep met brood, een lekker warme vitaminebom die uiterst welkom was in dit stilaan barre weer. De gulle gift stond in lijn met het thema 'barmhartigheid' dat de rode draad vormde doorheen de nocturne. Ik startte met de rondleiding langs de werken en symbolen van de kerk. De priester die de toer gaf, was een van de meest begeesterde sprekers die ik ooit voor mij had. Je hebt van die sprekers die je aandacht zonder verpozen weten vast te houden. Hun vurige passie zorgt ervoor dat een thema zo gebracht wordt dat zelfs de meest gedesinteresseerde persoon zich in hun stem verliest. Hij was tevens gewoonweg hilarisch. “Rechts voor ons bevindt zich de hel, het is er vrij warm, oh en kijk, die man verbrandt terwijl een slang hem in het kruis bijt, het is er denk ik niet leuk.” Ik geloof u op uw woord eerwaarde. Leerrijk was hij ook. Het is fijn iets te weten te komen over kleine anekdotes die een leuke zwier aan de dingen geven. Het woord 'clochard' bijvoorbeeld, waarmee een zwerver wel eens wordt aangeduid of dat je gebruikt om de draak te steken met je hipster-vriend die er wat onsmakelijk uitziet in zijn aardappelzak-outfit. We kwamen te weten dat het woord verbonden is met de kathedraal, meer bepaald met de klokken ervan. Vreemdelingen waren in Middeleeuws Antwerpen namelijk welkom tot 18 uur. Dan weerklonken de klokken en moesten alle klok-charlatans de binnenstad verlaten. Dat verbasterde uiteindelijk tot het woord 'clochard'.

 

Rechts van ons bevindt zich de hel, het is er vrij warm

 

De zeven werken van barmhartigheid zijn een ander voorbeeld. De naakten kleden, de dorstige laven, de hongerigen spijzen, de gevangen en de zieken bezoeken en de vreemden verwelkomen. Dat zijn de echte werken van barmhartigheid. Het blijken er maar zes te zijn en dat is niet zo’n fijn katholiek getalletje, men prefereert drieën en zevens. Daarom hebben ze er dus nog maar de doden begraven bijgeknald om een leuker getalletje te bekomen. Rare jongens die katholieken, rare jongens.

De zondaars onder ons die hun hemel willen verdienen kregen wel nog een serieus hart onder de riem gestoken toen de toer halt hield bij een houten kunstwerk met 18 heiligen erop afgebeeld. Wat deze heiligen gemeenschappelijk hadden, was dat hun attest van goed gedrag en zeden op zacht gezegd een aantal keren geweigerd was voor ze het bij hun cv mochten steken. Amusant als hij was, wilde onze gids weinig persoonlijke details over hen kwijt. “Misschien was deze hier een rovershoofdman die zijn vader heeft vermoord, maar ik zeg niks bindend.” Op zich pittig stout, maar de badass heeft toch zijn aureooltje gekregen. Boodschap van het kunstwerk is dat uw teller voor het laatste oordeel begint vanaf uw bekering en berouw. Het kalf is dus nog niet verdronken, hoera!

 

de dorstige laven

Naast een rondleiding was er ook het praatcafé rond barmhartigheid, waar de loslippigheid en de openheid van geest bespoedigd werden door smaakvolle trappist uit Westmalle. Het motief van de talrijke opkomst van de Erasmusstudenten zal zich hoogstwaarschijnlijk ergens tussen cultuur en bierproeven gevestigd hebben. Het was best grappig om vast te stellen dat ik telkens naar het Engels moest overschakelen als ik een willekeurig iemand aansprak. Het vragende kopje van de aangesprokene zei genoeg. De kathedraal was wederom een plek van verzameling, net zoals in de goede oude tijden. Maar het was ook best jammer om te zien dat de 'inheemse' opkomst eerder miniem was. Nochtans is een bezoek aan de kathedraal echt de moeite waard. Met of zonder nocturne. Puur voor het gebouw en de kunst erin zelf.

 

Ik zou namelijk nog uitleg moeten verschaffen over hoe het er aan toe ging in het praatcafé, maar daarvoor moet ik me verontschuldigen. Nadat ik aan een Westmalle tripel ben geraakt, ben ik vrijwel direct terug de kathedraal binnen gekuierd. Gewoon om er in te verdwalen. Dat is misschien nog de grootste aanrader. Nodig jezelf eens uit om erin te verdwalen. Kom totaal onvoorbereid in aanraking met De kruisafneming van Rubens. Zonder gids, zonder boekje. Gewoon kijken. Gewoon bewonderen. Om de avond af te sluiten was er nog het koor van Amahoro. Er is geen betere plek om een koor op te stellen dan in een gotische kathedraal: de akoestiek is er geweldig en het zorgt elke keer weer voor een kippenvelmomentje. Maar meer moet daarover ook niet gezegd worden. Na nog een laatste blik op het drieluik verlaat ik de kathedraal met een voldaan gevoel. Bijna voldaan; misschien toch nog één trippeltje ...



de dwarsligger
08/11/2015
🖋: 

De homo sapiens studentus of dwarsligger in de volksmond, is een bijzondere soort. Naast de kenmerkende activiteit van studeren, staan de exemplaren van dit ras vooral bekend als genieters van het (nacht)leven. Maar hebben zij ook andere geheimen prijs te geven? dwars zoekt het uit in hun natuurlijke habitat, het kot.  

Terwijl mijn kotgenootje het Kanaal is overgestoken om een half jaar in Lancaster te vertoeven, maakte ik kennis met zijn tijdelijke Duitse vervangster: Kristine Landt. Na twee maanden leek het me tijd voor een beknopt interview. Want zo werkt vriendschap. Toch?

 

wereldreiziger

We zitten op haar bed, omringd door dertig jassen. Een uit de hand gelopen kotfeestje. Haar hele groep Erasmusvrienden uitnodigen voor een glaasje glühwein blijkt een gezellige, maar chaotische uitwerking te hebben. Tussen de jassen door zijn foto’s en herinneringen aan reizen te zien. De lampjes aan haar bed zijn altijd mee verhuisd, waar ze ook woonde. Nieuw-Zeeland, Indonesië, Amerika; ze is er overal geweest. En wat is er hierna nog speciaal aan een stad als Antwerpen? De haven. De vrienden die op visite zijn geweest, nam ze steevast mee naar het MAS. Het vreemdste wat ze hier dan al heeft meegemaakt zijn zeker de dopen van studentenclubs. In Duitsland heeft ze dat nog nooit gezien, “it creeped me out”.

 

huismus

Wat ze mist in Antwerpen is het contact met Vlaamse studenten. Ze spreekt een aardig woordje Nederlands, maar krijgt weinig kans om te oefenen. Als ze Nederlands tegen mensen praat, antwoorden ze meestal in het Engels. Ook jammer: Belgische studenten hebben vaak een vaste groep vrienden en maken zelden contact met de Erasmusstudenten. In haar lessen Geneeskunde zit ze dus altijd naast uitwisselingsstudenten, die niet zo geïnteresseerd zijn in Nederlands leren als zij. Met haar keuze om in het centrum te komen wonen, is ze wel heel blij. De stad leren kennen is veel lastiger als je bij de buitencampus woont. Helaas kent ze de stad nog niet zo goed. Na het bezoek aan het MAS is de rondleiding met haar vrienden één grote improvisatie. Of ze sinds ze op kot zit andere gewoontes heeft dan thuis? Ja, ze studeert op bed en ’s avonds wanneer ze klaar is om te gaan slapen, tanden gepoetst en al, sluipt ze soms even naar de koelkast. Als ik haar vraag wat het moeilijkste is aan hier op kot zitten, antwoordt ze “ewaupq”. Ewaupq? Dat is ons wifi-wachtwoord dat we zo vaak moeten ingeven dat we er gek van worden. “Mijn favoriete woord”, zegt ze regelmatig sarcastisch.



pottenkijkers
08/11/2015
🖋: 

Haal je 'fat pants' uit de kast en dij uit met dwars in deze online vreet- en zuiprubriek voor mensen die het nét even anders doen. Mensen die houden van empirisch experimenteren, eetbaar exploreren en extravagant exposeren met een beperkt budget doch calorierijke fantasie. Als je bitch wil chillen, is het geen probleem, dan ga ik erheen, ik kom niet alleen, want ik heb kaas en peper, ik heb kaas en peper.

Dit gerecht uit Rome geeft perfect de drukke levensstijl van de Romein weer: het is simpel en snel. Voor de pasta “cacio e pepe” heb je slechts drie ingrediënten en vijftien minuten tijd nodig, perfect voor het einde van de maand wanneer je blut bent en al die deadlines opeens samenkomen.

 

Als het op de kaas aankomt lijkt het misschien gemakkelijk om naar een zakje voorgemalen poederparmezaan te grijpen, maar probeer aan de verleiding te weerstaan. Als je de kaas in een blok koopt en hem pas raspt wanneer je hem nodig hebt, gaat de kaas niet alleen langer mee, je bent er ook zeker van dat je geen gezouten zagemeel op je pasta strooit!

 

Ingrediënten voor Pasta Cacio e Pepe

2 normale porties (of 1 portie om middernacht nadat je die paper hebt ingediend)

  • zo’n 200 gr. pasta
  • twee goede handenvol geraspte Pecorino Romano of Parmigiano Reggiano
  • veel versgemalen zwarte peper, naargelang hoe heet je het wil
  • een snuifje zout

 

Kook de pasta in gezouten water tot deze net niet gaar is (zo’n twee minuten korter dan aangegeven op het pakje). Rasp de kaas op een bord en voeg er de versgemalen peper bij.

 

Schep de pasta uit het water en in een koude kom zonder ze te laten uitlekken; je hebt het water dat in de pasta hangt nodig om een romige saus te maken. Gooi dan de kaas en de peper bij de pasta, en roer er op los. Als de saus te droog lijkt, voeg er dan wat van het pastawater bij dat nog in de pot zit. Blijf roeren tot de kaas smelt!

 

Wanneer de kaas gesmolten is en de pasta omhuld is met een romige saus ben je klaar om te eten! Rasp er nog wat kaas over, en bestrooi het gerust met nog wat peper voor een extra kick.

 

Echt Italiaans comfort in een kom!



de Antwerpse Snorrenclub

08/11/2015
🖋: 

Movember – of No-shave November, zoals het ook wordt genoemd – geeft ons de kans om het gure weer en de naderende blok even te vergeten. Een maand lang worden gladgeschoren kaken en bovenlippen weer de krullende snorren en woeste houthakkersbaarden waar menig vrouw voor in zwijm valt. Het is echter niet zo gemakkelijk als het lijkt om de wangen en/of bovenlip te herbebossen. dwars begrijpt dit en wil steun en toeverlaat zijn voor alle mannen die zich in november eens willen laten gaan. Hiervoor zochten we hulp bij de professionals: de Antwerpse Snorrenclub.

Een dinsdagavond, half negen. Het regent pijpenstelen, maar binnen in de Konincklijke Snor, een goed bruin café aan het MAS, gaat een belangrijke vergadering van start. Het is de bestuursvergadering van de Antwerpse Snorrenclub en rond de tafel zitten zes mannen, besnord en bebierbuikt, allen met een sappig Antwaarps accent. Zij geven dwars alle tips en tricks die de beginnende snor zou moeten helpen de verleiding van het scheerschuim te weerstaan, alsook advies voor zij die snorren écht serieus nemen.

 

on alle manne, ne goeie raad

De eerste tip is misschien een beetje wiedes, maar wel belangrijk: let it grow. In die veertien haartjes op je bovenlip ga je geen majestueuze krullen kunnen leggen. Bovendien kan je niet voorspellen hoe je snor gaat groeien en evolueren gezien gezichtshaar zich helemaal anders gedraagt dan hoofdhaar. Na wat gegiechel geven de Snorren toe dat gezichtshaar meer lijkt op lichaamshaar dat zich wat zuidelijker bevindt.

 

De voorzitter van de Snorrenclub, Ronnie Vermeulen, zegt zich niet meer te kunnen herinneren wanneer hij voor het laatst zijn snor of baard heeft geschoren. Hijzelf heeft zijn gezichtshaar gestijld volgens de regels van de kunst: een sik, kunstig naar voren gekruld en een volle snor met de punten recht naar opzij wijzend. Een mooi voorbeeld van de musketiersnor, dus.

 

De musketiersnor is slechts een van de negentien categorieën waarin de ambitieuze besnorde kan meedoen in het Wereldkampioenschap Snorren en Baarden (ja hoor). Dit evenement vindt elke twee jaar plaats, soms in de Verenigde Staten, soms in Europa, maar tot op heden nog niet in Afrika of Azië. Het hele gebeuren begon als een wedstrijd in het noorden van Duitsland, en de Europeanen hebben dan ook lang aan de wereldtop gestaan als het op snorren en baarden aankomt. De VS is echter aan een overtuigende opmars bezig, met verschillende gouden medailles en perfecte scores tijdens de laatste wereldkampioenschappen. Een jaartal om alvast te onthouden: 2019. Dan komt namelijk het WK Snorren en Baarden naar Antwerpen!

 

Op het Wereldkampioenschap zijn de categorieën opgesplitst in snorren, partiële baarden en volle baarden, en afgelijnd door strikte criteria. Voor de snorren bijvoorbeeld, mag geen enkel haar van meer dan anderhalve centimeter naast de mond gebruikt worden, want dan telt het als partiële baard. Haal je meetlatje er al maar bij.

 

Naast de musketiersnor is er nog de Dali-snor, waarbij de punten naar boven moeten wijzen, maar niet voorbij de wenkbrauwen mogen komen qua hoogte. De Hongaarse snor – groot, borstelig en breed – is een andere populaire keuze, alsook de Fu Manchu-snor, eigenlijk een partiële baard, waarbij de punten van de snor recht naar beneden hangen, in de stijl van een zekere oude Kung Fu meester uit een zekere Tarantino-film. Wenkbrauwen die eruit zien alsof ze elk moment kunnen gaan vliegen zijn niet inbegrepen in deze stijl.

 

typen snorren (© dwars - Anouk Buelens-Terryn)

 

den iene zê dit en den andere zê dat

De regels zijn echter niet altijd zo streng. In de categorieën ‘Moustache’ of ‘Full Beard Freestyle’ mag er wel eens gek gedaan worden. Wanneer gevraagd wordt naar de meest indrukwekkende snor die de Antwerpse Snorren ooit al gezien hebben, wordt het even stil. “Het is enorm moeilijk om er een te kiezen.” Dan vertelt voorzitter Ronnie dat toen het WK Snorren en Baarden in Alaska plaatsvond, één van hun collega’s uit Amerika zijn baard net zo had gevlochten dat deze op een sneeuwschoen leek. Toen het WK de volgende keer plaatsvond in Trondheim, toverde een heerschap uit Duitsland zijn baard om in een slee, inclusief rendier. Nog een ander voorbeeld was dat van een man wiens snor zeventig (!) centimeter langs elke kant uitstak. Deze harige heer moest dan ook zijwaarts door de deuropening gaan.

 

Een belangrijke regel voor wie professioneel wil gaan: voor het stijlen van de baard of snor mag je scheren, knippen, krullen, en gel, haarlak of suikerwater gebruiken – “Smaakt nog lekker ook”, aldus een van de Snorren rond de tafel. Echter, onder geen beding mogen er versterkingen binnen de baard of snor aangebracht worden. Laat de tandenstokers, extensions en ijzerdraad dus maar thuis.

 

Helemaal not done zijn uiteraard de Heil-snorretjes en snor of baard mag ook niet onnatuurlijk gekleurd zijn, een droevige zaak voor de hipsters onder ons. Eventuele grijze haren mogen uiteraard wel gecamoufleerd worden indien de besnorde dit wenst, maar niet met blauw, paars of groen. Verkleedkledij is toegelaten met als doel het gezichtshaar nog meer in de verf te zetten – bij wijze van spreken dan. Ronnie waarschuwt echter dat voor het kostuum geen punten gegeven kunnen worden, maar voegt er wel aan toe dat een mooi totaalbeeld natuurlijk een betere indruk maakt op de jury.

 

wilde als vent deur ’t leve gaon

Voor de leden van de Snorrenclub zelf zijn de regels minder streng. Om lid te worden volstaat het om een snor te hebben en ‘snor’ wordt gedefinieerd als ‘beharing van de bovenlip’. Size doesn’t matter, al gaat er natuurlijk wel enig beraad vooraf aan de toelating tot de Antwerpse Snorrenclub. De Snorrenclub heeft dan ook een eigen ‘Snorrenmeester’ die de aspirant-snor moet goedkeuren alvorens deze echt lid wordt. De criteria zijn strikt geheim, maar volgens de raad van bestuur moet een snor uiteraard wel echt zijn.

 

Dit roept natuurlijk de vraag naar gendergelijkheid op: wat als een vrouw een echte snor laat staan? Volgens de logica zou deze vrouw dan zonder probleem lid moeten kunnen worden van een snorrenclub, toch? Zo gemakkelijk is het echter niet volgens de bestuursleden. De snor is en blijft iets door en door mannelijks. Een besnorde vrouw, hoe perfect de snor ook, blijft een buitenstaander in het snorrengebeuren volgens de Antwerpse Snorrenclub. Ook het voorbeeld van Eurosong-winnares Conchita Wurst hielp niet om de zaak op te klaren. “Onder al die make-up en rokken is dat toch nog altijd ne vent, zene.”

 

dwars vroeg zich na zo’n uitspraak af wie de snor dan allemaal mag aanraken, laat staan bijwerken. De meeste onder de aanwezige Snorren gaven toe dat hun vrouw de snor wel liefkozend mag aanraken, maar dat er geen sprake van is dat zij ze zou mogen scheren, knippen, of er in enige mate iets aan zou mogen veranderen. Daarvoor is het te doen bij de barbershop of ze doen het gewoon zelf.

 

alles snor in Snoravia

De Snorrenclub heeft niet alleen een stamcafé, ze heeft zowaar een eigen land: de Onafhankelijke Republiek Snoravia. Hoewel dit schiereilandje aan de Maas geen legaal onafhankelijk land is, dient toch vermeld te worden dat de Antwerpse Snorrenclub zelf verantwoordelijk is voor het feit dat het schiereilandje nog Belgisch grondgebied is. Het ligt namelijk in de Voerstreek en was betwist gebied tussen België en Nederland. Omdat de twee landen er maar niet uitkwamen aan wie het stukje land toebehoorde, is de Antwerpse Snorrenclub heldhaftig de Belgische claim gaan verdedigen.

 

vlag en voorwerpen van Snoravia (© dwars - Fien Brees)

 

Elk jaar is er dan ook met de hele Snorrenclub – exclusief vrouwen – een heuse bedevaart naar ‘hun’ landje en in stamcafé de Konincklijke Snor pronkt trots de Snoraviaanse vlag. Deze bedevaart draait vooral om het proeven van lokale bieren en het terugplaatsen van het bordje met de vlag van Snoravia, dat op miraculeuze wijze elk jaar weer gestolen wordt. Zeg nu zelf, zoiets wil je toch in je woonkamer?

 

Om de snor extra in de kijker te zetten en media-aandacht op de Snorrenclub te vestigen, verkiest de Antwerpse Snorrenclub jaarlijks een “Snor van het Jaar”. Deze titel gaat normaal gezien naar een BVS (een bekende Vlaamse snor) of een Antwerpenaar met een schoon moestasj. Mensen als Toots Thielemans, Hugo Sigal (van Nicole en Hugo) en Marijn Devalck zijn deze eer al te beurt gevallen. Het zijn echter niet altijd mensen: ook de zeehond, stripfiguur Marcel Kiekeboe en de Antwerpse Reus Djon, die tevens de mascotte is van de Antwerpse Snorrenclub, hebben deze titel al eens gekregen.

 

 

g’hebt nog ne snor, ge blefter ne vent

De Antwerpse Snorrenclub telt 37 leden in totaal, waarvan de oudste 77 is en de jongste amper 19. Voor zover erkende snorrenclubs bestaan, is de Antwerpse zeker de grootste van Vlaanderen. Er duiken echter steeds meer facebookpagina’s op die zich ook bezighouden met snorren en baarden. Voor België is de Belgian Beard and Moustache Association de grootste, met bijna duizend leden waaronder veel leden van de Antwerpse Snorrenclub.

 

Voorzitter Ronnie Vermeulen denkt dat dit komt omdat de drempel voor sociale media lager ligt dan die voor een echte club. Op Facebook heb je immers geen of minder verplichtingen, noch sociaal noch financieel. Hij hoopt wel dat leden van deze en aanverwante groepen erover denken om ook eens in een erkende club te stappen. Dit is namelijk de enige manier om aan kampioenschappen mee te doen en alle hulp en steun wordt gewaardeerd!

 

t’is goe veurt drinke, t’is goe veurt ete

Moest je na deze wondere verhalen nog twijfels hebben over je eigen bovenlipbeharing, dan zijn hier enkele voordelen van een snor, zoals uitgelegd door professionele snorrendragers. Ten eerste (en het belangrijkste voor de student) is dat men met een substantiële snor twee keer plezier heeft van een goede pint: van elke teug blijft minstens de helft in je snor hangen voor later gebruik. Ook in het liefdesspel is het hebben van een snor blijkbaar een voordeel: het is namelijk ecologisch verantwoord, want je hebt geen batterijen nodig. Volgens de snorren wordt dit aspect enkel beter met ouderdom, want een beetje extra gebibber daarbeneden is altijd wel fijn.

 

Heb je interesse om je aan te sluiten bij de Antwerpse Snorrenclub? Ze zijn elke eerste donderdag van de maand te vinden in café de Konincklijke Snor, Adriaan Brouwerstraat 33.

 

Weetje: tussentitels (buiten Snoravia) zijn overgenomen van het Snorrenlied, het officiële clublied van de Antwerpse Snorrenclub.

 

 


dossier onderwijssecretariaat
08/11/2015
🖋: 

Wanneer je eindelijk het middelbaar mag verlaten en je aan die langverwachte studententijd mag beginnen, krijg je ook te maken met nieuwe regels en codes van de universiteit. Zo is er het leerkrediet of het ‘rugzakje’, de studievoortgangsbewaking en de examenroosters. Maar zelfs studenten die hun hart en brein al aan de universiteit hebben verloren, begrijpen soms niets van al die regels. dwars schiet te hulp en zocht deze zaken allemaal voor je uit. Deze maand focussen we op het leerkrediet en de studievoortgangsbewaking.

het rugzakje van de universiteit

Wanneer je je inschrijft als student aan een universiteit krijg je voor een bacheloropleiding een leerkrediet – of het zogenaamde rugzakje – van 140 studiepunten. Wanneer je je inschrijft voor een studiejaar haal je 60 studiepunten uit deze rugzak om ze in te zetten voor het komende academiejaar. Als je voor al je vakken slaagt krijg je die studiepunten als credits terug in je rugzakje.

 

De eerste 60 studiepunten die je behaalt, krijg je ook nog eens dubbel terug. Zo kunnen die punten weer ingezet worden voor het jaar nadien. Maar wanneer je niet slaagt voor enkele vakken, verlies je die studiepunten. Door omstandigheden kan het echter voorvallen dat je een jaar achter de rug hebt waarin je punten te wensen over laten. Als dit het geval is, kan het zijn dat je onder studievoortgangsbewaking valt. Wat is dit en wanneer is dit van toepassing op jou?

 

studievoortgangsbewaking

Je valt onder studievoortgangsbewaking als je in een academiejaar geen 60 procent van je studiepunten terugverdient. Dit wil dus zeggen dat je bij een volledig academiejaar van 60 studiepunten minstens 36 punten moet terugverdienen om hier niet onder te vallen. Indien dit je toch overkomt, ontvang je een mail van de universiteit waarin staat dat je in het volgende studiejaar zeker minstens 60 procent van je studiepunten moet behalen.

Wanneer dit niet het geval is, kan je inschrijving voor het jaar daarop geweigerd worden. Wie onder studievoortgangsbewaking valt, mag ook maar 45 studiepunten opnemen en mag dus geen volledig studiejaar opnemen. Wanneer je minder studiepunten wil opnemen, mag dat, maar om het kindergeld te kunnen behouden, moeten er minstens 27 studiepunten worden opgenomen. Deze regel geldt voor alle studenten die ingeschreven zijn voor een bacheloropleiding, schakel- of voorbereidingsprogramma.

 

wat nu?!

Hoewel het soms een ingewikkelde en lastige regel lijkt, is de studievoortgangsbewaking eigenlijk een soort reddingsboei die Universiteit Antwerpen je toewerpt. Sinds 2008 is het leerkredietsysteem in voegen door de Vlaamse Overheid. De universiteit laat je dus via de studievoortgangsbewaking weten dat je je studiepunten aan het opgebruiken bent, voor het effectief te laat is. Mocht je hieronder vallen is dit zeker geen schande. Ook al schaam je je misschien, hier met iemand over praten is aan te raden.

 

Er is een Dienst voor Studieadvies en Studentenbegeleiding en er is per faculteit minstens één studietrajectbegeleider. Deze personen hebben de taak om met studenten samen te zitten en te bekijken wat het beste, meest haalbare traject is voor de verderzetting van zijn of haar studieloopbaan. Ook als je te maken hebt met overmacht, persoonlijke problemen en dergelijke, aarzel dan niet om contact op te nemen met je secretariaat en studietrajectbegeleider. Het is best mogelijk dat je met een gegronde reden toch niet onder studievoortgangsbewaking valt.

 

de zesde keer?

Je hebt het misschien al regelmatig gehoord van andere studenten. Je mag maar zes keer een examen voor een vak afleggen, indien je dan nog niet geslaagd bent, krijg je geen extra kans meer om het vak af te leggen. En wanneer dat gebeurt, ben je genoodzaakt te stoppen met je bacheloropleiding. Maar dit is een mythe die we kunnen ontkrachten. In het examenreglement staat namelijk nergens dat je een vak maar zes keer mag volgen. Wij hopen jullie nu gerustgesteld te hebben, je kan indien nodig dat ene vak gewoon nog een zevende keer afleggen.

 

Tot slot willen we nog even meegeven dat de studententijd misschien wel de mooiste en leukste tijd uit je leven is, maar zorg ervoor dat je de studiepunten niet uit het oog verliest, want dat zou je wel eens zuur kunnen opbreken.

 

Over statistieken van slaagpercentages bijvoorbeeld, beschikt de Dienst voor Studieadvies en Studentenbegeleiding momenteel niet. Wel probeert ze in de toekomst deze informatie te bemachtigen en publiek te maken.

 

Volgende maand nemen we de examenroosters onder de loep.



microscoop op wetenschap
07/11/2015
🖋: 
Auteur

Transplantaties van hart, longen, nieren, beenmerg, noem maar op, tegenwoordig kan het allemaal en iedereen heeft er al wel van gehoord. Maar de stoelgangtransplantatie, ken je die ook? Deze stoelgangtransfer oftewel fecale microbiota transplantatie (FMT) klinkt misschien volledig van de pot gerukt – en dat is het natuurlijk ook – toch is het mogelijk en wordt deze therapie toegepast bij enkele delicate darmziektes.

De menselijke darm wordt bewoond door een groot aantal micro-organismen, het geheel daarvan noemt men de microbiota. Deze bestaan onder andere uit vele (goede) bacteriën die een belangrijk evenwicht in stand houden. Om jullie een idee te geven van de omvang hiervan: in ons lichaam hebben we meer dan 5 miljoen microbiële genen, terwijl we slechts over 25.000 menselijke genen beschikken. De darmmicrobiota van ieder individu zijn uniek en hangen af van een enorm scala aan invloeden waaraan we worden blootgesteld van geboorte tot volwassenheid (waaronder bijvoorbeeld ons eetpatroon).

 

Toch hebben onderzoekers drie enterotypen kunnen onderscheiden aan de hand van de mate waarin bepaalde bacteriën voorkomen. Wanneer twee mensen binnen hetzelfde enterotype worden ingedeeld, wil dat zeggen dat ze grote gelijkenissen vertonen betreffende de samenstelling van hun intestinale microbioom. Je enterotype bepaalt dus voor een deel welke bacteriën bij jou aanwezig zijn bij een evenwichtige darminhoud. Er zijn echter enkele darmziektes waarbij dit evenwicht ernstig uit balans gebracht wordt, met bijvoorbeeld onophoudelijke diarree als gevolg. Clostridium difficile is zo’n bacterie die darmklachten teweegbrengt die – zoals de naam zelf al doet vermoeden – moeilijk te verhelpen zijn. Wanneer de patiënt met een dergelijke infectie zit, zal deze een antibioticakuur krijgen. In veel gevallen volstaat dit echter niet en keert de infectie terug. Dan hangt er pas echt stront aan de knikker.

 

De antibiotica zal namelijk ook de goede bacteriën in de darm aanvallen, die gemakkelijker ten onder gaan dan de lastige Clostridiumbacterie. Zo kan het zijn dat na de antibioticakuur niet alleen de Clostridium difficile toch overleven, maar dat wel alle goede bacteriën gedood zijn, waardoor er een extreem onevenwicht ontstaat. Indien er meer dan twee ernstige of drie milde recidiven optreden, zal geopteerd worden voor een fecale transfer, waarbij de microbiota van een gezond persoon dit onevenwicht terug weten te balanceren.

 

De& fecale microbiota transplantatie klinkt heel hightech maar is in feite allesbehalve een nieuwe techniek. Reeds in de vierde eeuw van onze jaartelling werd in China door dokter Ge Hong gebruikgemaakt van stoelgang. Hij behandelde zijn patiënten door middel van een orale inname van fecale suspensie als therapie voor voedselvergiftiging en diarree.

 

Het is dus eigenlijk ‘oude wijn in nieuwe zakken’, zoals professor dokter Danny De Looze, maag-darmspecialist in het Universitair Ziekenhuis van Gent, zou zeggen. Professor dokter De Looze, bekend van het VIER-programma Topdokters, behandelt patiënten met bepaalde ziektes via de stoelgangtransplantatie. Op 5 november was hij te gast op een symposium van Universiteit Antwerpen, georganiseerd door EMSA (European Medical Students’ Association) waar wij een groot deel van de kennis voor dit artikel opdeden.

 

het transplanteren

Het komt erop neer dat de stoelgangstaal van een gezond persoon ingebracht wordt in de darmen van een zieke ontvanger. Eerst en vooral moet de donor geselecteerd worden. Meestal is dit een verwante van de patiënt, maar dat is niet noodzakelijk. De criteria zijn vrij streng aangezien niet iedereen in aanmerking komt om te doneren. De donor moet een exhaustieve vragenlijst invullen die de risico’s tot een minimum tracht te beperken. Zo is zelfs ‘Heeft u ooit betaald voor seks?’ één van de vragen, aangezien dit risicogedrag zou kunnen onthullen.

 

Er zijn uiteraard ook absolute contra-indicaties voor donatie zoals inflammatoir darmlijden, obesitas, chemotherapie en het gebruik van antibiotica gedurende de voorbije 3 maanden. Het donormateriaal moet grondig gescreend worden, een heel belangrijke stap die ervoor zorgt dat het slaagpercentage van de behandeling zeer hoog ligt bij patiënten met een Clostridiuminfectie (ongeveer 90 procent, dit is driemaal effectiever dan een antibioticakuur).

 

Wanneer de selectie en screening positief zijn en het donormateriaal dus geschikt blijkt, kunnen we overgaan tot de echte transplantatie. Onderzoek naar de vraag ‘Fresh is the best?’ is nog niet overtuigend maar over het algemeen wordt een ‘waarschijnlijk wel’ gehanteerd. De dag van de transplantatie wordt de donor dus gevraagd om zijn uitwerpselen af te staan. Deze worden gefilterd en gemengd met een fysiologische oplossing zodat een vloeibare suspensie verkregen wordt die met een spuit kan worden opgezogen.

 

De volgende stap is het inbrengen van deze cocktail in het spijsverteringsstelsel van de patiënt. Dit kan op verschillende manieren. In ongeveer 75 procent van de gevallen werkt men via een coloscopie waarbij de stoelgang rechtstreeks in het colon (dikke darm) gebracht wordt. In ongeveer 25 procent van de gevallen wordt gekozen voor een nasoduodenale inbreng waarbij het donaat via een neussonde tot in het duodenum (dunne darm) getransfereerd wordt. Een lavement is ook een optie maar dit moet dan meermaals uitgevoerd worden en het staal komt minder ver dan via een coloscopie. Ook wordt er onderzoek gedaan naar de werking van met feces gevulde capsules.

'Komt ie sjaan' (© dwars - Martijn Fraanje)

Hiervan moeten er dan over een bepaalde periode meerdere per dag ingenomen worden. Men werkt hier dus niet met verse maar met ingevroren stalen, maar aangezien nog niet duidelijk is of deze even efficiënt zijn, is de therapie met capsules niet echt courant. Capsules met stoelgang innemen klinkt voor velen waarschijnlijk ook weerzinwekkender dan het inbrengen van een fecessuspensie via coloscopie. Om dezelfde reden wordt ook vaker gekozen voor een coloscopie dan voor een neussonde.

 

Aanlokkelijk klinkt het geenszins, maar patiënten die aan een hardnekkige Clostridiuminfectie lijden staan wel open voor deze therapie. Ze hebben vaak geen andere optie meer en zien erg af van de ziekte. Het is hun laatste toevluchtsoord. De hoge slaagpercentages van FMT kunnen dan ook doorslaggevend zijn. Deze techniek is eigenlijk relatief goedkoop, pijnloos en vergt geen heldendaden zolang het donormateriaal grondig gescreend is. Bijwerkingen van ernstige graad zijn nog niet gevonden, al is er soms lichte maaglast van voorbijgaande aard en in enkele gevallen zijn koorts en rillingen opgetreden.

 

Het effect van de transplantatie is miraculeus. Patiënten die over een lange periode hebben afgezien van steeds terugkerende infecties en falende therapieën en wiens levenskwaliteit er dus sterk op achteruit is gegaan, zijn op enkele dagen tijd verlost van al hun (darm)lijden. Het donormicrobioom blijft zo’n 2 maanden in het spijsverteringsstelsel van de patiënt aanwezig, maar het effect is waarschijnlijk blijvend aangezien er in het overgrote deel van de gevallen geen volgende transfer nodig is. Een behandeling met probiotica daarentegen (lees microscoop op wetenschap in dwars 97) slaagt er niet in om zo’n blijvende verandering te induceren.

 

idealisering

Er is een opmars bezig van onderzoeken naar het microbioom in de darmen. Aangezien de stoelgangtransfer zo’n prachtige resultaten boekt bij Clostridiuminfecties, wordt er natuurlijk volop onderzocht of er nog andere darmziekten zijn die baat kunnen hebben bij deze behandeling. Tot nu toe is een Clostridiuminfectie de enige ziekte waarvan wetenschappelijke evidentie is dat ze genezen kan worden door middel van FMT. Inflammatoir darmlijden (IBD, waaronder de ziekte van Crohn), prikkelbare darmsyndroom (IBS) en obesitas zijn ziekten waarvan nog niet bewezen, maar wel waarschijnlijk, is dat ze verholpen kunnen worden met een stoelgangtransplantatie. Een belangrijk verschil tussen deze pathologieën zit in het feit dat bij een Clostridiuminfectie slechts een kiem bevochten moet worden, terwijl bij de andere ziekten een hele dierentuin aan bacteriën en andere oorzaken aan de basis liggen waardoor het een moeilijker oplosbaar probleem wordt.

 

De stoelgangtransfer is dus een heel efficiënte therapie met vele voordelen, maar er is nog steeds ruimte voor verbetering. Het blijft omslachtig om geschikte donoren te vinden, het tijdsvenster tussen donatie en transplantatie klein te houden en ook de volledige stoelganginhoud in se over te dragen. Ideaal zou zijn wanneer in de toekomst een medicament in pilvorm kan worden aangeboden dat enkel de werkzame bacteriën bevat.

 

Er is dus nog veel werk aan de winkel om de juiste bacteriestammen te isoleren die hetzelfde gunstige effect als de fecale microbiota transplantatie teweegbrengen, maar elke dag komen onderzoekers een stap dichterbij en worden er nieuwe technieken getest, in de hoop dat er in de toekomst minder toiletten versleten worden.



win-winsituatie?
07/11/2015
🖋: 

Wat is vrijwilligerswerk? En in welke mate is vrijwilligerswerk daadwerkelijk nuttig? Aangezien je een studentenblad leest, neem ik aan dat je jong bent. En student. Allicht ben je ook humanitair ingesteld. Een van de snelst groeiende trends onder studenten is het zogeheten ‘voluntourism’, een combineren van kortdurend vrijwilligerswerk met een reis of vakantie. Hulptoerisme zeg maar.

Jongeren willen graag meer doen dan alleen reizen, de ‘toerist uithangen’ krijgt meer en meer een negatieve bijklank. Dus trekken studenten op eigen kosten of met hulp van organisaties als USOS naar landen zoals Nepal of Cambodja. De motieven zijn uiteenlopend: voor de ervaring, uit medelijden of zelfs uit schuldgevoel. Of omdat het mooi op je Facebook staat. Tegelijk ben je toch op een droomvakantie. Op papier een geweldige win-winsituatie voor alle partijen. Toch schuilen er adders onder het gras. dwars woonde een panelgesprek bij, georganiseerd door de Pastorale Dienst van Universiteit Antwerpen waarbij enkele sprekers dieper ingingen op deze materie.

 

Dat de combinatie van vrijwilligerswerk en toerisme fantastisch klinkt, staat buiten kijf. Men ontdekt vreemde landen, nieuwe culturen en men leert zichzelf vaak beter kennen in zulke projecten. Tevens draag je enthousiast bij aan de ontwikkeling van de landen waar je heen gaat, hoe klein die bijdrage ook is. Al beseffen we allemaal dat het slechts druppels op een hete plaat zijn, na een tijd moet er toch een druppel koppig genoeg zijn om niet te evaporeren? Het schoentje wringt echter toch nog op enkele plaatsen.

 

Vrijwilligerswerk is nobel, het motief van de vrijwilligers daarentegen is dat niet altijd. Een groot deel van de vrijwilligers zal dit enkel en alleen doen om hun cv en hun sociaal profiel te verrijken. Het blijkt vaak belangrijker om de schijn op te houden dat je de held bent gaan uithangen, dan effectief ook die held te zijn. Al is het discutabel om te zeggen dat een muur gemetst door ‘pure’ vrijwilligers steviger zal staan dan die van minder oprechte vrijwilligers, toch is kunde belangrijker dan inzet. Anders trappelen we ter plaatse. Het verschil in motieven van vrijwilligers is echter niet het enige probleem. Volgens Eline Bodbijl, centrale gast bij het panelgesprek, ligt het probleem evengoed bij de ontvangende landen.

 

Cambodja

Eline Bodbijl is sociaal werkster en draaide een documentaire over de weeskinderen van Cambodja. Ze ging undercover als vrijwilligster in een aantal Cambodjaanse weeshuizen. Weeshuizen die ze opzocht via Tripadvisor, zoals je een hotel opzoekt dus. “Voor een land met 15 miljoen inwoners zijn er 600 weeshuizen. Anderhalf jaar geleden waren dat er zelfs ‘nog maar’ 450. Dat is erg veel”, zegt Eline. Zijn er dan zoveel weeskinderen in Cambodja? Nee. 76 procent van de weeskinderen blijkt toch ouders te hebben. Het groeiende aantal vrijwilligers creëert daar een heel bloeiende handel. Mensen betalen dan ook om vrijwilliger te kunnen zijn, om op die manier hun bijdrage te kunnen leveren. Dit is natuurlijk niet de bedoeling. Toch gebeurt het en wordt er handig op ingespeeld door een kunstmatige vraag te creëren voor ons overaanbod.

 

De weeshuizen zijn slechts één voorbeeld. Bodbijl vertelt dat ze vrachtwagens heeft gezien die de dorpen afschuimen om kinderen op te halen en mee te nemen. Van kidnapping kan je volgens Bodbijl niet volledig spreken. Het is deel van hun cultuur dat als je niet voor je kind kan zorgen je het elders onderbrengt, meestal bij familie of buren. Dorpen zijn in Cambodja namelijk heel broederlijke structuren. “Als zo’n man in de vrachtwagen komt beloven dat je kind een goede opleiding gaat krijgen, kunnen de ouders eigenlijk niet weigeren”, zegt Bodbijl. “De eigenaars vragen dan gelden en gunsten van de vrijwilligers om voor de schattige, arme kinderen te kunnen zorgen. Er wordt misbruik gemaakt van de naïeve, gulle vrijwilliger.”

 

vrijwilligerswerk is nobel, het motief van de vrijwilligers daarentegen is dat niet altijd

 

knuffelweeshuizen

Tijdens haar relaas deelt Bodbijl enkele kronieken uit de zelfbenoemde dans- en knuffelweeshuizen. “Eigenlijk moeten we spreken van kinderarbeid in zo’n dansweeshuis”, aldus Bodbijl. “Kinderen worden getraind om een technisch moeilijke dans die veel oefening vergt uit te voeren voor de vrijwilligers.” Het concept van het knuffelweeshuis is dan weer sentiment uitlokken. “De kinderen worden gestimuleerd om de vrijwilligers te knuffelen en aanhankelijk te zijn. Een kind hoort echter schuchter te staan tegenover vreemden. Een keer viel er een jongetje heel hard op een balk, maar in plaats van naar een vertrouwd iemand te lopen ging hij in een hoekje huilen. Een grotere jongen kwam aanlopen en gaf hem een tik. ‘Je weet toch dat je niet mag huilen waar de toerist bij is?’”

 

Hun aangeleerde houding naar de vrijwilligers toe is geen oprechte vorm van knuffelen en voor deze jongeren is het verschil tussen het oprecht uiten van hun gevoelens moeilijk te onderscheiden van een aangeleerde Pavlov-knuffelreactie. “Een gevolg is dat de weeskinderen te kampen krijgen met enorme hechtingsproblemen. De kinderen in het weeshuis hebben een leeftijd waarop ze nood hebben aan een steeds aanwezige ouder.” De vervangouders, in de vorm van vrijwilligers, vertrekken echter om de zoveel weken of maanden weer om vervangen te worden door nieuwe. Op die manier hebben de weeskinderen een voortdurende aan- en afvoer van vervangouders, wat hen leeg en eenzaam achterlaat.

 

 

cynisch

Het vrijwilligerswerk dat we nu doen in landen als Cambodja heeft een dubbel averechts effect. De kinderen ginds worden er niet beter van en allerlei duistere manieren van afpersingen van de goede wil tieren welig. Bovendien is er nog een derde probleem: de vrijwilliger zelf wordt hierdoor geraakt. “Na zulke praktijken meegemaakt te hebben, resten er enkel nog gevoelens van ontgoocheling en desillusie. We blijven met een cynisch gevoel van machteloosheid en vaak zelfs domheid achter, wat voorkomt dat we het vaker willen gaan doen. Het gaat heel ver om de in wezen incompetente vrijwilliger een vals gevoel van competentie te geven.” Bodbijl geeft als voorbeeld dat vrijwilligers muren gaan bouwen zonder enige kennis van bouwkunde. Deze muurtjes worden ’s nachts dan afgebroken en heropgebouwd tot een degelijke constructie zodat de vrijwilliger ervoor blijft gaan.

 

Verder is er de financiële uitbuiting van de vrijwilligers. Moeten betalen om te kunnen helpen is ronduit verkeerd, zeker omdat men daarbovenop de reiskosten nog heeft die voor zulke exotische reizen hoog kunnen oplopen. “Voor sommige weeshuizen staan verkopers met zakken rijst en word je verteld dat het traditie is dat je een gift brengt voor de weeskinderen. Je koopt zo’n zak rijst, doneert die en vervolgens wordt drie uur later achter je rug die zak rijst terug in het kraampje gelegd.”

 

Wat kunnen we dan wel doen? “Ben je een leraar? Ga dan niet naar daar om les te geven, ga naar daar om lokalen mensen op te leiden als leraar.” Opleiding en ervaring zijn wel twee vereisten die jongvolwassenen helaas nog niet bezitten. Drie punten kunnen voor studenten wel een goede leidraad zijn: “Ga om de volwassenen bij te staan de kinderen daar te helpen. Ga langer dan enkele maanden, op twee weken tijd maak je echt geen verschil. En vooral: wees alsjeblieft kritisch.”

 

Deze mening wordt bijgestaan door Niek Tweehuijsen, spreker van de avond. De auteur van Strootjes in het zand vertelt over zijn ervaringen in Tanzania. “Het draait allemaal om wederkerigheid”, zegt hij. “De hand van hij die geeft, staat boven de hand van hij die krijgt.” Een redenering waarmee je als vrijwilliger rekening moet houden. “Je komt gezellig de toerist uithangen, maar hoe zou jij je voelen als rijkere mensen met een fototoestel plots je woonkamer binnen komen gewandeld?” Tweehuijsen concludeert dat er twee heel belangrijke zaken zijn waaraan je als vrijwilliger moet denken. Pas op met het ongewild afhankelijk maken van mensen, het creëert een gevoel van schaamte, maar tevens van luiheid. Volledig in lijn met de Pastorale Dienst kan het volgende hierin een gouden leidraad zijn: “Het is beter een man te leren vissen dan hem elke dag een vis te geven. Een tweede gedachte van cruciaal belang is om eens goed na te denken over wie jij nu wel degelijk bent. Ben ik oprecht? Doe ik het voor hen? Doe ik het voor mezelf? Doe ik het om mijn facebookaccount te pimpen?”

 

De boodschap van de avond was hard, maar zet je roeping nog niet meteen opzij. Wees kritisch, niet enkel over je project en bestemming, maar vooral over jezelf. Doe iets in lijn met je kunnen, niet per se de meest heroïsche zaken zoals de hele wereld vaccineren of huizen bouwen als dit niet jouw vakgebied is. De wereld heeft meer nood aan mensen die achter de computer data invoeren dan aan mensen die wankele hutten sjorren. Als je gaat, ga dan voor een lange tijd. Tweehuijsen stelt een grens van minstens twee jaar bij zijn eigen organisatie. Of beter nog, blijf hier. Er is een tekort aan vrijwilligers in het binnenland, kijk of je hier nuttig kan zijn. Om maar een idee te geven aan zij die hun bloed nog voelen kolken, stap eens binnen bij de gemeenschap van Sant’Egidio. Minder spectaculair, even indrukwekkend.



06/11/2015
🖋: 
Auteur

Mode is niet weg te denken uit onze geliefde Koekenstad. Wat in de middeleeuwen begon als een stad vol weverijen, lakenhandelaars en looibaden evolueerde moeiteloos naar ‘De Zes van Antwerpen’. Ook vandaag worden mensen nog geïnspireerd door de fashion vibes van onze stad. Drie jonge creatieve vrouwen begonnen een eigen onderneming in de mode-instustrie na hun opleiding aan Universiteit Antwerpen. 

Wat deze drie vrouwen naast hun studies met elkaar gemeen hebben, is dat ze voor hun 25ste al een onderneming uit de grond wisten te stampen. Het is eens iets anders dan je vrije momenten aan Netflix te besteden.

 

Ellen Kegels startte in 2011 met LN Knits, dit merk bestaat uit twee collecties: LN Andes en LN Beanies. Wat begon als mutsen breien voor vrienden is intussen uitgegroeid tot een eigen merk met fairtrade Knitwear. Al haar producten worden gemaakt van wol van baby alpaca’s en vervaardigd door 300 Peruviaanse vrouwen en Belgische omaatjes. Laurentine van Landeghem begon tijdens haar studie een blog die uitgroeide tot een pop-upstore met DIY-projecten in haar geboortedorp Elversele.

 

Enkele maanden later opent ze een winkel in hartje Antwerpen waar ze kleding en lifestyle artikelen verkoopt. Elien Migalski begon in 2009 met Dogs and Dresses, een blog waarop ze schrijft over mode. Gaandeweg groeide dit uit tot een echte onderneming waardoor Elien zelfstandige in bijberoep werd naast haar parttimejob.

 

 

Elien Migalski - Dogs and Dresses (© dwars - Inez Taeymans)

Elien Migalski - Dogs and Dresses

 

 

risky business

Het leven van een ondernemer is een onzeker bestaan waar stressbestendigheid geen overbodige luxe is. Een goede job of studie opgeven op het risico af het niet te maken als zelfstandige is een moeilijke stap. “Mijn ouders, mijn broers, mijn zussen, … iedereen verklaarde mij zot. Wat ging ik doen? Heel mijn leven mutsen haken en daar mijn kost mee verdienen?” vertelt Ellen. Laurentine voelde dat het goed zat en besloot om met haar studies te stoppen en fulltime in haar eigen zaak te werken. Beiden hebben het over een hele zware eerste periode zonder vrije tijd, met veel bloed, zweet en tranen. Bij Elien was het nooit de bedoeling om geld te verdienen met haar blog. Naarmate de tijd verstreek, kreeg ze meer en meer aanbiedingen om met merken samen te werken waardoor ze de business-kant van bloggen leerde kennen. Door er geleidelijk aan in te rollen had zij minder last van deze hectische eerste periode en haar parttimejob zorgt natuurlijk ook voor extra zekerheid. 

 

 

Ellen Kegels - LN Knits (© dwars - Inez Taeymans)

Ellen Kegels - LN Knits

 

 

de school van het leven

Naast een cursus bedrijfsbeheer bestaat er nog geen concrete opleiding om zelfstandige te worden. Toch zijn hogere studies zeker niet nutteloos bij het opzetten van een bedrijf. Ellen studeerde af als master in de strategische communicatie. Ze gelooft dat ze zonder deze Master niet zou gestaan hebben waar ze nu staat. Zeker vakken als Strategische Communicatie, Filosofie en haar stage bij TWBA/London zijn haar bijgebleven. Ook Laurentine volgde twee jaar Communicatiewetenschappen om daarna nog een jaartje Communicatiemanagement te volgen voor ze startte met haar eigen bedrijf. Zij vindt vakken als Sociologie en Filosofie interessant om te volgen, maar vindt dat ze hier nu nog weinig mee doet. Een voordeel aan de Master Filmstudies en Visuele Cultuur is volgens Elien dat ze hem helemaal naar haar hand kon zetten. Met haar keuzevakken en thesis probeerde ze uit haar opleiding te halen wat ze zelf wou leren. “Eender welke richting die je kiest, je leert veel uit verder studeren: zelf nadenken, zelf op onderzoek uitgaan, geloven in jezelf en jezelf leren kennen. Mijn opleiding heeft mij veel bijgeleerd.”

 

 

Laurentine Van Landeghem - Clouds of Fashion (© dwars - Inez Taeymans)

Laurentine Van Landeghem - Clouds of Fashion

 

 

tips & tricks

​Tot slot vroegen we naar enkele tips voor ondernemingsgezinde studenten. Alle drie benadrukken ze hoe belangrijk het is om met iets uniek en vernieuwend te komen. Er bestaan al zoveel ondernemingen in België, het is aan jou om een eigen, creatieve insteek te vinden. Een goed concept is niet genoeg om te slagen. Je merkt het verschil als iemand écht gepassioneerd is door wat hij doet. Deze passie straalt niet alleen van jezelf af, maar ook van je onderneming. Clouds of Fashion begon als een pop-upstore op de Melkmarkt, wat volgens Laurentine de ideale manier is om te testen of een concept aanslaat. Daarnaast vindt ze het een aanrader om events rond ondernemen te bezoeken, zelf haalde ze hier altijd veel inspiratie uit. Ellen vindt het belangrijk om eerst ervaring op te doen in je sector alvorens zelf iets te beginnen. Ze raadt ook aan om eerst te berekenen of je kan rondkomen als fulltimezelfstandige en alvast te beginnen met een strategisch plan. Ook Elien benadrukt dit en raadt daarnaast aan om het bestaande landschap en je concurrentie eerst goed te bekijken. Wees ook niet bang om met mensen te praten of hulp te vragen als je ergens mee zit. Er is altijd wel iemand die je wil helpen.

 

 

Nieuwsgierig geworden naar het werk van deze dames? De flagshipstore van LN Knits kan je vinden in de Leopoldstraat 22. Clouds of Fashion vind je in de Nationalestraat 79. De blog van Elien kan je bezoeken op www.dogsanddresses.com.



een filmpje meepikken vanuit de projectiekamer
02/11/2015
🖋: 
Auteur

Elke cinemazaal heeft achterin een duister raampje dat de zaal met de projectiekamer verbindt. Ofwel laat het je koud en heb je alleen aandacht voor je popcorn, ofwel heb je jezelf – net als ik – altijd al afgevraagd wat er zich aan de andere kant van het glas afspeelt. Wie huist er in dat donkere hol tussen de machines? Is er überhaupt nog een levend wezen nodig dat op ‘play’ moet drukken om de film te starten? Ik ga op bezoek bij Natalie, één van de twee projectionisten van Cinema Zuid, en ontdek de verborgen kamers achter de cinemazaal.

Wanneer ik de witte gang verlaat en de projectiekamer betreed, knipperen mijn ogen, zoekend naar vormen in het donker. De draaiende apparaten ratelen al waarschuwend om nergens tegen te botsen. Door de linkerzijde van de kamer schijnen flauwe lichtflitsen door de glazen wand. De film is bezig. Natalie wenkt aan de overkant in de deuropening van de achterkamer en ik beweeg me behendig langs een stoel, een kamerscherm en onbenoembare machines door de smalle projectiekamer heen. De achterkamer met bureau is de perfecte plaats om elkaar te verstaan en te zien, en te wachten op de spaghetti van Natalie die in de oven opwarmt.

 

monteren en pizzadozen

“Mijn vrienden en familie hebben wel een beeld van wat ik doe. Wanneer ik aan anderen vertel dat ik projectionist ben kijken ze me vragend aan. ‘Een filmpje opleggen’, zeg ik dan lachend. Maar er komt meer bij kijken. In Cinema Zuid werken we nog met pellicule en dat is speciaal. Deze films moet ik in elkaar steken, afspelen en demonteren.” Op het programma van Cinema Zuid staan niet alleen nieuwe (digitale) films, maar ook oude juweeltjes. De soms honderd jaar oude films worden wekelijks uit Brussel naar de Waalsekaai in Antwerpen gebracht. Ik herinner me een stapel dozen in de witte gang. “Ja, de pellicules worden in die ronde dozen, precies pizzadozen, geleverd. Een film van twee uur komt aan in zes à zeven dozen. Ik plak de filmrolletjes aan elkaar en demonteer ze achteraf. Ik voel dat dit werk heel uniek is. We zijn de enige plek in Antwerpen waar nog pellicule gespeeld wordt. Ik heb vijf jaar in Cartoons gewerkt, maar zij zijn ondertussen gedigitaliseerd. Ik had nooit gedacht dat ik nog een pellicule zou opleggen.”

 

Dat dit geen alledaags beroep is, is al duidelijk. Maar hoe word je dat, projectionist? “Daar moet je inrollen”, antwoordt Natalie. “In Nederland kan je hiervoor een opleiding volgen, maar in België niet en leer je het beroep bij een andere projectionist. Ik heb het geleerd in Cartoons. Het is een uitstervend beroep omdat nieuwe films digitaal gemaakt worden. Cinematik in Brussel is een belangrijk instituut omdat ze een groot archief met oude films hebben. Het is één van de grootste opslagplaatsen van Europa. Momenteel zijn zij ook aan het digitaliseren, omdat je de pellicules niet eeuwig kan bijhouden. Op den duur worden ze niet meer gespeeld, net zoals een duur schilderij soms niet meer wordt opgehangen of verkocht. Soms is er van een film nog maar één kopie, dan is er echt stress, er mag niets fout gaan.”

Op de achtergrond hoor ik nog steeds het razen van de filmrolletjes door de apparaten. Ik vraag me af of onze kleinkinderen nog een film zullen zien die telkens met de hand in elkaar gezet moet worden. De digitalisering van de pellicule lijkt een stap dichter bij de vervreemding van de mens en de materiële cultuur. “De korrel, de feeling van een pellicule is anders dan bij een digitale film. Deze laatste is kouder. Je kan het vergelijken met een vinylplaat en een cd. Soms krijg ik klachten van bezoekers over strepen op het beeld of over een gesprongen film, maar de meesten vinden dat leuk omdat je hierdoor merkt dat het nog een ambacht is. Het heeft zijn charme.”

 

de grot

Natalie werkt altijd ‘s avonds. Gelukkig kan ze haar avondeten in de oven opwarmen, al zou een microgolfoven handiger zijn. “Ik vind het niet erg om avondwerk te doen”, gaat ze verder. “Ik ben een avondmens, maar moest er toch even aan wennen. In de winter is dat leuk, maar in de zomer zit ik in deze donkere kamer zonder daglicht. Ik noem het: ‘mijn grot’. Het is ook een eenzaam beroep, ik heb geen collega’s. Het voordeel is dat ik hierdoor tijd heb om andere dingen te doen. Ik heb grafische vormgeving gestudeerd en kan deze activiteiten combineren met mijn job als projectionist.” Tussen het werk door kan Natalie ook meekijken naar de film doordat er in de projectiekamer een geluidsbox staat. “Ik volg niet alle films van het begin tot het einde mee omdat ik naast het monteren nog andere zaken in orde moet brengen. En er is niets zo hatelijk als een film half zien. Veel films worden maar één keer getoond dus het gebeurt zelden dat ik een film volledig heb gezien.” Wanneer ze een classic echt wil zien, zet ze zich in de stoel aan het raam en kan ze perfect volgen vanuit de cabine.

 

We wandelen door de projectiekamer en voor ik deze grot verlaat vraag ik haar bewoner nog om een grappige anekdote. “Ik heb al eens een verkeerde film opgelegd,” lacht Natalie, “terwijl de regisseur de inleiding moest geven. Het was wel een film van hem, maar de verkeerde! Zoiets kan dus gebeuren.” In mijn verbeelding zie ik al een publiek met blikken vol verbazing en een verwarde belangrijke man. Maar deze avond loopt alles op (film)rolletjes en zijn er geen regisseurs te bespeuren. We nemen afscheid, maar blijven toch nog even kijken tot de film afgelopen is.