Student en sport. Vloeken deze woorden? Nochtans leuzen genoeg om je te laten inspireren: van de gouwe ouwe ‘een gezonde geest in een gezond lichaam’ tot ‘zweet is slechts vet dat huilt’ of de gevleugelde woorden van Rocky Balboa: “It ain’t how hard you hit. It’s about how hard you can get hit and keep moving forward.” Neen? Weten ze je niet te raken? Te lui, te hard geleerd, te veel gefeest? Ik begrijp het en wil helpen. Daarom beoefen ik iedere maand een sport in jouw plaats. En laat dat stereotiepe potje voetbal of tennis maar varen; ik volg de mindset ‘hoe gekker hoe beter’. Deze maand de magische sport zwerkbal.
Dat ik nooit in de voetsporen van Harry Potter zal treden, weet ik wel zeker. Woon ik in Groot-Brittanië? Nope. Draag ik een markant litteken in de vorm van een bliksemschicht op mijn voorhoofd? Nuh-uh. Leven mijn ouders nog? Gelukkig wel. Zou ik, als ik in een treinstation met mijn bagage tegen een pilaar zou rijden, uitkomen op perron 9 ¾? Hoogst onwaarschijnlijk. Neen, de trip naar Zweinstein zit er voor mij niet in.
Dat betekent niet dat ik ga zitten kniezen voor de opening van de schoorsteen, wachtend tot een uil binnen vliegt met de verlossende uitnodiging in zijn snavel geklemd. Neen, tijd voor actie. Ik google ‘Harry Potter in real life’ en ontdek talloze filmpjes en blogs van fans met dezelfde aspiraties als ondergetekende. Al snel valt mijn oog op de perfecte tovenaarsbezigheid die niet alleen de magie van het Harry Potter-universum omvat, maar ook aansluit bij de column die ik schrijf: zwerkbal.
Fans hebben de magische sport namelijk naar de wereld van de dreuzels vertaald. Mijn zoektocht op Google levert de volgende informatie op: tovenaars op zwevende bezems ruimen plaats voor iets minder magische jongelui die rondlopen met een pvc-buis tussen de benen. Drie schamele hoepels aan weerszijden van het veld dienen als doelen en trefballen vervangen de zogenaamde Beukers. De Gouden Snaai tenslotte is geen bal maar een neutrale speler gehuld in een gele outfit, die een tennisbal aan zijn broek heeft hangen. Magisch of niet, het kan me geen zier schelen. Mijn nieuwsgierigheid is dermate aangewakkerd dat ik in allerijl een mailtje stuur naar de voorzitter van een zwerkbalploeg gevestigd in een stadsdistrict van Antwerpen. Mijn verzoek is simpel: kan ik een avondje komen zwerkballen?
Dagenlang wacht ik op antwoord. De refreshknop van mijn mailbox schreeuwt om rust. Maar ik zal niet stoppen voordat de buit binnen is. Ik zal geen genade tonen voordat ik zwerkbal. Radeloos geworden en bezwijkend onder de stress, kijk ik een derde maal de acht films achter elkaar. Weken, maanden, het lijken wel jaren die verstrijken. Dan, op een ogenschijnlijk ordinaire namiddag, twee dagen nadat ik mijn verzoek heb verzonden, verschijnt de verlossende respons van de voorzitter in mijn inbox. Het antwoord is affirmatief: ik mag mee zwerkballen. Als ik een Griek was geweest, had ik ter plaatse de sirtaki gedanst en vijf borden stukgesmeten. Maar ik ben echter een nuchtere Belg, die doet zoals iedere Belg zou doen in een situatie van intens geluk: eens lekker gaan eten. Het kan eraf.
De zwerkbaltraining gaat door op een zaterdagavond. Donderdag heb ik alles al klaarliggen. Sportkleren? Check. Schoenen die tegen modder kunnen? Check. Pvc-buis? Check. Ik ben er klaar voor. Niets staat me in de weg om te zwerkballen. Niets staat me in de weg om mijn droom te verwezenlijken.
De volgende dag is pikzwart. Depressie. Armoe. Ik zit in zak en as. De voorzitter heeft me net laten weten dat de training van zaterdag niet doorgaat. De ploeg doet namelijk mee aan het Belgisch kampioenschap zwerkbal. Ik ben met stomheid geslagen. Dat er voor deze sport kampioenschappen bestaan, heeft allesweter Google me niet verteld. Ditmaal gooi ik effectief vijf borden stuk.
Een hele tijd laat ik het zwerkbal links liggen. Ik kan de sport niet horen, zien of ruiken. Vrede op aarde? Niet met de zwerkballers. Belgisch kampioenschap, wat denken ze wel? Flauwekul. Overal zal ik haat spuien over deze belachelijke Harry Potter-bezigheid. Wanneer er over zwerkbal gelachen wordt, zal ik het hardst lachen en het luidst. Want wie wil er nu zwerkballen? Welke halvegare, welke idioot heeft de interesse, zou uit eigen wil, zou er alles voor doen om ...
Ik meen het niet. Wat ik hiervoor over zwerkbal geuit heb strookt niet met hoe ik werkelijk over de sport denk. Is het fair dat ik mijn frustraties uit tegenover de zwerkbalspelers? Helemaal niet. Ook zij jagen hun dromen na en wie ben ik om hun dat kwalijk te nemen? Een driftig studentje dat zijn artikel niet afkrijgt? Ik denk het wel. Wanneer ik op zondagmorgen de facebookpagina van de zwerkbalploeg in kwestie open en zie dat een van hun teams daadwerkelijk Belgisch kampioen is geworden, ben ik zelfs oprecht gelukkig. Al mag ik dan voor altijd een dreuzel blijven.
De eerstvolgende mail van de pastorale dienst had als onderwerp “Nocturne in de kathedraal”. Chauvinistisch als ik ben, werd na mijn nieuwsgierigheid ook mijn aandacht gewekt door het woord 'kathedraal'. De poster in bijlage versterkte dit effect nog eens. Daarop stond namelijk een tekening van de moeder aller kerken in het avondduister te pronken. Prachtig gebouw, die Onze-Lieve-Vrouwe-Kathedraal. Ook wel bekend als het mooiste gebouw in Antwerpen. Eveneens gekend als de enige Vlaamse toren mooier dan het belfort van Brugge. Brugge, u overigens welbekend als de mooiste stad van Vlaanderen, na Antwerpen welteverstaan. U ziet het, geen toevalligheden hier, de cirkel is rond. En alsof dat allemaal niet genoeg was om mij te overtuigen de bestanden in deze mail verder te exploreren, stond enigszins centraal in het inleidende tekstje de term Westmalle en in die vloeibare vorm wil ik het woord Gods al eens graag tot mij nemen. In opdracht van dwars (lees: als excuus om Westmalle te gaan consumeren) zakte ik dus af naar de wijsvinger van Antwerpen. Bleek dit weer eens een goede beslissing. Ieder van ons kent de 123-meter hoge toren en de omlijsting van de kathedraal, met het ijsbolletje in het midden op het dak. Maar wie is er al daadwerkelijk binnen geweest? Ongelooflijke meesterwerken hangen hier ter uwer beschikking, uiteraard van Pieter Paul Rubens, maar wist je ook dat er sinds kort een Jan Fabre staat te glimmen?




Wat kunnen we dan wel doen? “Ben je een leraar? Ga dan niet naar daar om les te geven, ga naar daar om lokalen mensen op te leiden als leraar.” Opleiding en ervaring zijn wel twee vereisten die jongvolwassenen helaas nog niet bezitten. Drie punten kunnen voor studenten wel een goede leidraad zijn: “Ga om de volwassenen bij te staan de kinderen daar te helpen. Ga langer dan enkele maanden, op twee weken tijd maak je echt geen verschil. En vooral: wees alsjeblieft kritisch.”

